
Friedrich Erhardt Niedt: 'Musicalische Handleitung' ﴾1700﴿
In hoofdstuk XI, 'Over hoe men van de ene naar de andere toon [D. Thon] kan gaan', staat het
volgende voorbeeld, met bijbehorende tekst:
Wanneer het stuk in majeur is, neemt men in plaats van bes alleen de b met dezelfde
cijfers en komt dan bekwaam in de toon waarin men wenst te geraken. Of om nog korter
te gaan: men slaat, vóór de toon waar men naar toe wil gaan, de naastgelegen toets met de
sext aan, vervolgens direct de toon zelf en wat daarbij past, en cadenseert [D. clausulire]
in die toon met behulp van de kwart.
Toelichting
1) Ik heb er met blauwe letters het Ausweichungsschema boven genoteerd, zoals dat er,
volgens het net gegeven standaardmodel, uit zou zien. Ze geven ook aan of de toon mineur of
majeur is, iets wat niet uit de hoofd en kleine letters van Niedt is af te leiden, maar wat
sowieso nodig is om de becijfering te kunnen corrigeren. De overgang van mineur naar de
majeurparallellen neem ik over van Niedt zelf.
2) Met 'in plaats van bes alleen de b' refereert hij wellicht aan een voorbeeld waarbij je naar C
majeur wilt gaan, en waarbij de toon bes wanneer je bijvoorbeeld in Fmajeur bent vervangt
door een b, de grote septiem van de volgende toon. De tweede zin refereert ook aan dit type dat
moduleert naar majeur via de kwintencirkel.
3) Het probleem bij dit voorbeeld is dat wanneer je kijkt naar zijn toelichting en deze grote
[C G G a a d d e ]
[ e e F F Bb Bb Eb ]
[C e e G G b b d d F ]
[F a a C ]
van het mineurmajeursysteem, omdat het alle Ausweichungen adresseert behalve de
gelijknamige en parallelle; maar afgezien van deze twee typen zijn de regels van Niedt en
Heinichen (zoals hieronder uitvoerig uitgelegd) ook in staat de vier oude modi buiten te sluiten,
of te converteren naar het mineurmajeursysteem. Dit nog afgezien van Heinichens opmerking
'willen we afsluiten met de opmerking dat bij het begrijpen van deze cirkel [zie blz. 18] ook de
oude modi in de muziek, die tegenwoordig bijna niet meer worden gebruikt, volledig zullen
verdwijnen', en natuurlijk het feit dat het systeem nog in ontwikkeling was.
Verdere puntsgewijze toelichting op de tabel
a) Niedt gaf zowel in voorbeelden als in zijn tekst aan dat de grote septiem de determinant voor
alle nieuwe tonen is, getuige het citaat: 'Of om nog korter te gaan: men slaat, vóór de toon waar
men naar toe wil gaan, de naastgelegen toets met de sext [met de 6 als basso continuo
becijfering dus] aan'.
b) Heinichen gaf de reine kwart niet in woorden, maar in een voorbeeld aan (afgebeeld bij (o)
op blz. 137). Hij schrijft: 'Bij (o) blijkt dat door de nieuw voorkomende bes, de C majeur wordt
verlaten en naar F majeur wordt overgeschakeld'. Omdat Heinichen de grote septiem voor
bijvoorbeeld mineurtonen ook onderschrijft, net als Niedt, en dat dus relateert aan de erop
volgende toon, mogen we ervan uitgaan dat hij de bes in dit voorbeeld ook zou uitleggen als de
reine kwart van de opvolgende toon.
c) Sorge beschrijft in 1745 alle categorieën: 'Een afwijking naar de secunde, terts, kwint en sext
[vanuit Cmajeur dus d, e en amineur, naast Gmajeur] wordt dus bewerkstelligd door het
semitonium necessarium van deze respectieve modi. Bij de uitwijking naar de kwart echter
gebeurt dit door de reine kwart die noodzakelijk is voor de kwartcadens, en wel omdat het
semitonium necessarium daar geen vreemd element is [de noot e, de grote septiem in F zit ook
al in Cmajeur, dus kan het geen Ausweichung identificeren], zoals bij de vijf eerder
genoemde.'
'Wanneer er bijvoorbeeld een plotselinge afwijking of overgang plaatsvindt van een majeur
toonsoort naar de gelijknamige mineurtoonsoort, zoals van Ggroot naar Gklein, wat
tegenwoordig zo’n sterke gewoonte is geworden. Hierdoor voorkomt men dat men per ongeluk
de grote terts speelt, terwijl een andere stem juist de kleine terts heeft.' Sorge verwijst hier naar
wat wij de gelijknamige Ausweichung noemen.
De opmerkingen 'De modus major wijkt uit naar zijn natuurlijke en essentiële klanken die hij
stijgend gebruikt namelijk Cgroot naar d, e, f, g en a terwijl de modus minor uitwijkt naar
zijn natuurlijke en essentiële klanken die hij dalend heeft namelijk aklein naar g, f, e, d en c'
en 'het is iets heel bijzonders dat de modus minor aklein bevoegd is om alle klanken te
gebruiken die zijn zogenaamde echtgenoot, Cgroot, mag gebruiken.', zijn gerelateerd aan de
mineurladder die naar de parallelle majeur gaat, maar hij geeft er geen determinant voor.
Modulatie en Metriek in het werk van Johann Sebastian Bach en hun historische context ‐ pagina 127
C
o
n
c
e
p
t
v
e
r
s
i
e