Alle brieven van Johann Sebastian Bach

naar het Nederlands vertaald

(gecoördineerd door Derk van der Veen)

[Aantekeningen in de marge van Bachs Bijbel]


Aantekeningen in de marge van Bachs Bijbel

Aantekening bij 1 Kron. 29:21:

NB. Een prachtig voorbeeld dat, naast andere vormen van verering, ook muziek in het bijzonder door Gods geest door David is opgedragen.

Aantekening bij 2 Kron. 5:13:

NB. Bij een devotionele muziek is God altijd in zijn tegenwoordigheid van genade.

Eisenach: Eerste woonplaats (1685-1695)


Nederlandse Tekst

Eisenach: 23 maart 1685 [doop van Johann Sebastian Bach in de Georgenkirche]


Inschrijving in het Kerkboek van de Georgenkirche te Eisenach

Maandag, de 23e maart, aan dhr. Johann Ambrosius Bach, stadsmuzikant, een zoon, peetooms Sebastian Nagel, stadsmuzikant in Gotha, en Johann Georg Koch, Hertogelijke boswachter van deze plaats hier. Naam: Joh. Sebastian.

Eisenach: 1693-1695 [registratie Latijnse school te Eisenach]


a. Van de 81 leerlingen van de vijfde klas, 1693:
47. Johannes Sebastianus Bach. 96 [halve dagen] afwezig.

b. Van de 74 leerlingen van de vijfde klas, 1694:
14. Joh. Sebastian Bach. 59 [halve dagen] afwezig.

c. Van de 45 leerlingen van de vierde klas, 1695:
23. Joh. Sebastian Bach uit Eisenach. 103 [halve dagen] afwezig.

Eisenach: 3 mei 1694 [het overlijden van Bachs moeder, Maria Elisabeth Bach, nee Lämmerhirt]


Inschrijving dodenregister Bachs moeder

3 mei 1694, begraven, Johann Ambrosius zijn vrouw - zonder vergoeding.

Eisenach: 27 november 1694 [Bachs vader trouwt opnieuw]


27 november, 1694. Johann Ambrosius Baach, stadsmuzikant alhier, en Mevr. Barbara Margretha, weduwe van wijlen Jacob Bartholomaei, diaken te Arnstadt. Thuis getrouwd.

Eisenach: 24 februari 1695 [overlijden van Bachs vader]


24 februari, 1695. Begraven, dhr. Johann Ambrosius Bach, stadsmuzikant - zonder vergoeding.

Eisenach: 4 maart 1695 [petitie van Ambrosius' nabestaanden m.b.t. 6-maandelijkse vergoeding 'das Gnadenhalbjahr']


Brief aan de gemeenteraad van Eisenach

Weledele, Standvastige, ook Edelachtebare,
Verheven en Respectabele, Hoog- en Zeer Geleerde,
Hoog- en Zeer Wijze, Bijzonder Hooggeëerde
Heren Burgemeester en Raad, Meest
Gracieuze Patronen en Heren.

Wij kunnen niet nalaten het hier volgende onder uw aandacht te brengen, hoewel u reeds op de hoogte bent van het feit dat de meest welwillende God, naar zijn grote alwetendheid, onlangs onze echtgenoot en vader, Johann Ambrosius Bach, stadsmuzikant in dienst van een Edelmoedige en Weledelgestrenge Raad, onlangs de 20 jaren gepasseerd, door de tijdelijke dood uit deze moeizame wereld werd weggenomen, en wij daardoor tot weduwe, wederom, en arme vader- en moederloze wezen werden. Indien dan in de toekomst door dit overlijden een dergelijke vacante betrekking van deze huisvader moet worden vervangen, dan is dat de taak van onze meest geëerde heren als beschermheren, waarvoor wij hen ook alle geluk en zegen toewensen, er niet aan twijfelende dat zij goed zullen zorgen voor een goed en bekwaam onderdaan, hoewel het op alle plaatsen, en hopelijk ook hier, een prijzenswaardige gewoonte is om bij zulke sterfgevallen de weduwen en erfgenamen enige tijd te gunnen, en hun het zogeheten halfjaar van genade te schenken, zoals dat ook gebruikelijk is bij hofkanunniken en kamerdienaren. Daarom, tot Uw Nobele en Zeer Wijze Raad, gaat ons nederigste verzoek uit, dat U zich verwaardigt zich zo genegen te tonen tot onze arme weduwe en wezen, en hen te voorzien van de voornoemde zes maanden van genade, in aanmerking nemende dat (1. ) daardoor wordt aan ons, arme weduwen en wezen, een grote hulp gegeven om de schulden af te lossen, die hier en daar staan, en die in deze moeilijke tijden zijn ontstaan door verschillende succesvolle sterfgevallen in een paar jaar, ook recente sterfgevallen weer van onze gerespecteerde echtgenoot en vader, een huwelijk dat slechts 12 weken en 1 dag bestond, alsmede medische en apothekerskosten, (2.) Uw Nobele en Zeer Wijze Raad intussen ook tijd wint om weer een goede musicus te krijgen, want zoiets is hoogst noodzakelijk, en ook in Arnstadt gebeurde het dat na het overlijden van de heer Johann Christoph Bach, stadsmusicus hier, en broer van onze man en vader, die anderhalf jaar geleden overleed, de edele graaf en heer van die plaats de weduwe met de volgende woorden hoffelijk verzocht of er geen andere Bach beschikbaar was die zich kandidaat wilde stellen voor de post, want hij moest en moest weer een Bach hebben. Maar het heeft niet zo mogen zijn, want de lieve God heeft de bronnen van muzikaal talent in de familie Bach de laatste jaren doen opdrogen. (3.) … (4.) Wij willen de dienst op deze wijze geordend hebben, met de aanstelling van twee goede gezellen, en de twee grote leerlingen, die reeds voor de gezellen kunnen doorgaan, zodat er geen enkel gebrek zal zijn in de kerkmuziek, het blazen [op de torens van de stad] en ander onderhoud. (5) Ook onze gerespeerde echtgenoot en overleden vader, die zich jegens allen hier in het leven in al die 23 jaar zo getoond, dat hopelijk noch van hoog noch van laag iets slechts over hem kan worden gezegd, met het bestaan der waarheid, en (6.) hij is zowel kerkdienaar als voorzanger en organist geweest, derhalve is zo'n genade half jaar hem ook toekomend... (7.) ... Tenslotte troosten wij ons in onze echtelijke en droevige toestand hiermee, dat hij iedereen behaagd heeft met zijn muzikale kunst en bijzondere manieren, waarop wij ons niet behoeven te beroemen, maar het aan anderen overlaten erover te spreken, en aldus (8. ) hebben wij het goede vertrouwen dat de Nobele, Edelachtbare en Zeer Wijze Raad m.b.t. onze lieve man en vader en ons ingevolge van onze petitie geen fout zal laten maken, en zullen wij het niet alleen met gehoorzame dankbaarheid erkennen en prijzen, maar wij zullen ook God smeken om zijn goede voorspoed, lang leven en gelukkig bewind, dat wij onder zijn hoge bescherming blijven, hetzelfde aanbevelend,

Nobele, Edelachtbare en Zeer Wijze Raad

Eisenach, de 4e maart 1695

Meest Godvruchtige,
gehoorzaamste
nabestaanden van
Johann Ambrosius Bach

A.C. Dedekindt.
Cantor curaois noie
concepit & subscripsit

Weledele, Standvastige, ook Edelachtebare,
Verheven en Respectabele, Hoog- en Zeer Geleerde,
Hoog- en Zeer Wijze, Bijzonder Hooggeëerde
Heren Burgemeester en Raad, Meest
Gracieuze Patronen en Heren.

Ohrdruf: tweede woonplaats (1695-1700)


Nederlandse Tekst

Ohrdruf: 1696-1700 [de jonge Johann Sebastian gaat naar school in Ohrdruf]


Uit het leerlingenregister v/h Lyceum te Ohrdruf

Leerlingen van het Lyceum van Ohrdruf, van 20 juli 1696 tot 15 mei 1700

LEERLINGENOVERZICHT

Na slagen voor de toelatingsexamens op 20 juli 1696 zijn toegelaten:

KLAS 3

4. Jo. Sebast. Bach Isennacenis [Eisenach]. 10. [leeftijd]*

LEERLINGENOVERZICHT

Na slagen voor de toelatingsexamens op 19 juli 1697 zijn toegelaten:

KLAS 3

1. Jo. Sebast. Bach, Eisenach. 11.

Overgegaan naar de 2e klas.

LEERLINGENOVERZICHT

Na slagen voor de toelatingsexamens op 18 juli 1698 zijn toegelaten:

KLAS 2

5. Jo. Sebast. Bach Isennac. 14

LEERLINGENOVERZICHT

Na slagen voor de toelatingsexamens op 24 juli 1699 zijn toegelaten:

KLAS 2

2. Jo. Sebast. Bach Isennac. 15.

Overgegaan naar de 1e klas.

2. Jo. Sebast. Bach. Naar Lüneburg verhuisd wegens het de afwezigheid van financiele ondersteuning op 15 maart 1700.

Hij werd organist in Arnstadt bij de St. Sophiakerk, en daarna te Mühlhausen

[*noot: In werkelijkheid was hij bij aanvang elf jaar oud en vertrok hij op zijn veertiende]

Ohrdruf: 29 december 1700 [biografisch verslag van Bachs oudste broer Johann Christoff, door hemzelf opgetekend]


Biografisch verslag van Johann Christoph

Ik, ondergetekende, ben eervol geboren te Erfurt op 16 juni van het jaar 1671. In die tijd was mijn vader, Joh. Ambrosius Bach, daar stadsmuzikant, mijn moeder was Elisabetha, née Lemmerhirt; beiden zijn nu overleden. Deze, mijn lieve ouders, hebben mij de heilige doop laten geven. Mijn peetvader was de heer Christoph Herthumb, keukenmeester van het hof te Schwarzburg en tevens hof- en stadsorganist te Arnstadt. Daar wijlen mijn vader in bovengenoemd jaar door de geëerde en wijze stadsraad naar Eisenach werd geroepen, werd ik daar in het christelijke geloof geschoold en opgevoed. Nadat ik tot mijn 15e jaar naar school was geweest, stuurde mijn vader, die zag dat ik meer aanleg had voor muziek dan voor de studie, mij naar Erfurt, naar de heer Johann Pachelbel, toen organist van de Predigerkirche, om mij het klavier eigen te maken, en ik bleef drie jaar onder zijn leiding. In het laatste jaar van mijn leertijd werd ik geroepen om organist te worden aan de St. Thomas; maar omdat ik zowel de beloning als de structuur van het orgel - dit laatste was mijn voornaamste zorg - slecht vond, volgde ik de wens van mijn neef op en ging naar Arnstadt. De oude organist aldaar kon wegens ouderdom zijn werkzaamheden niet meer gemakkelijk verrichten, en ik nam ze over, totdat God mij in het jaar 1690 hierheen leidde. Na tot het examen te zijn toegelaten, werd ik door de Consistorie van de Graaf aangenomen, en daar ik niet geneigd was tot schoolonderricht, werd dit opgedragen aan Mr. Gunther Schneider. Ik kreeg de opdracht om alleen aan het orgel te werken. In het jaar 1696 kwam er een oproep van de geachte en zeer gewaardeerde Magistraat van Gotha voor de vacature van organist, maar omdat ik tijdens mijn verblijf hier steeds goede wil ondervond, zowel van hoog als van laag, en ik Gods wijsheid had gebeden, besloot ik hier te blijven en genoegen te nemen met de lagere bezoldiging en voordelen. Toen in het jaar 1700 mijn collega van de Sexta klasse tot koster werd geroepen, solliciteerde ik op mijn beurt naar zijn ambt, daar mijn voorganger dit ook had bekleed naast zijn organistschap, en het werd mij door het Consistorie van de Graaf toegewezen. Maar nadat ik een kwart jaar in de Sexta had gewerkt, werd de heer Joh. Gunther Schneider, de leraar van de Quinta, die kwam te overlijden, waarop ik op last van het Consistorie van de Graaf naar de Quinta werd overgeplaatst. Toen de bevestiging van mijn genadige oversten kwam, werd ik volgens de regels geïnstalleerd, waarvoor ik God dankzeg, omdat ik dat zo gewild had. Op bevel van de Eerwaarde Hoofdcommissaris heb ik hier verslag van gedaan.

Ohrdruf, 29 december 1700 JOHANN CHRISTOPH BACH

Lüneburg en Weimar: derde en vierde woonplaats (1700-1703)


Nederlandse Tekst

Lüneburg, vanaf mei 1700 [schoolrekeningen met Bachs honorarium als koorzanger in het mettenkoor]


Uit de Schoolrekeningen m.b.t. het mettenkoor

...
Erdmann: 12 gr.
Bach: 12 gr.
...

Weimar: eerste 6 maanden 1703 [honorarium als 'lakey' in Weimar]


Honorarium als 'lakey' in Weimar

6 fl. 18 gr. voor het Reminiscere [3e] kwartaal

6 fl. 18 gr. voor het Trinitatis [4e] kwartaal

Arnstadt, vijfde woonplaats (1703-1707)


Nederlandse Tekst

Arnstadt: 13 juli 1703 [kwitantie]


Kwitantie voor orgelreparatie

Op last van het Hooggrafelijk Consistorie alhier is de heer Johann Sebastian Bach, Prinselijk Saksisch Hof Organist te Weimar, opgedragen het nieuwe orgel in de nieuwe kerk te laten maken, en de kosten bedragen: 2 thlr en 16 gr. Georg Christoph Wellern's paardhuur, kost en inwoning: 4 thlr. Dhr. Bach als vergoeding 1 fl. gedurende de tijd dat hij hier was, voor kost en inwoning, geeft in totaal de som van 7 thlr en 13 gr.

Ondertekend te Arnstadt, 13 juli 1703.

Martin Feldthauß.

De bovenstaande 8 fl 13 gr komen van het biergeld en werd betaald op 13 juli 1703

Johann Georg Kallenberg.

8 fl. 13 gr - De heer Bach die het nieuwe orgel moest testen en voor de eerste keer in het openbaar bespelen.

13 juli, 1703.

Arnstadt: 9 augustus 1703 [aanstelling als organist te Arnstadt]


Arbeidsovereenkomst als organist te Arnstadt

Organistenaanstelling

Arbeidsovereenkomst

De Hooggeboren en Genadigste Graaf en Heer Anthon Günther, van de vier Graven van het rijk, Graaf van Schwarzburg en Hohnstein, Heer van Arnstadt, Sondershaußen Leütenberg, Lohra en Clettenberg, hebben u Johann Sebastian Bach als organist in de nieuwe kerk aangenomen en aangesteld, maar in het bijzonder zult gij u ijverig en getrouw betonen in uw juiste ambitie, beroep, beoefening van kunst en kennis, u niet vermengen met andere ambachten en voorstellingen, tijdig aanwezig zijn op zon- en feestdagen, alsmede op andere dagen die zijn aangewezen voor de openbare dienst van God in de bovengenoemde Nieuwe Kerk, bij het u toevertrouwde orgelwerk, zorg er goed voor en onderhoud het met alle toewijding, als er iets aan zou veranderen, meld het dan op het juiste moment, en dat de nodige reparaties worden uitgevoerd, herinner u eraan, laat er niemand op zonder voorafgaande toestemming van de Superintendant, en in het algemeen laat u het zo goed mogelijk verzorgen, zodat schade wordt voorkomen, en dat alles in goede orde moet worden bewaard, en dat u voor het overige in uw leven en wandel moet oppassen God te vrezen, nuchter en aangenaam te zijn, u te onthouden van slecht gezelschap en het houden aan uw roeping, en u overigens in alles getrouw te gedragen zoals een eerbaar dienaar en organist betaamt tegenover God, de hoge overheden en oversten. Daartegenover staat een jaarlijkse som van vijftig gulden en dertig thaler voor kost en inwoning, als volgt te betalen: 25 fl. uit het biergeld, 25 fl. uit kerkelijke schatkist en de resterende 30 thaler uit de hospitaalgelden.

Deze afspraak is gemaakt onder het Cantzley-secret van de Graaf en de gebruikelijke handtekening.

Ondertekend op de 9e augustus 1703.

Arnstadt: 28 september 1703 [kwitantie]


Voor Dhr. Johann Schellhase

Ontvangst uit de kerkkas

Drie florijnen*, 2 gr.* 7½ pf.* voor het halve kwartaal, namelijk van 9 augustus tot de dag van het Heilig Kruis van dit jaar, zijn door de heer Johann Schellhase uit de kas van de kerk naar behoren betaald aan de ondergetekende als salaris voor de organist van de nieuwe kerk, waarvan de ontvangst hierbij wordt erkend.

Arnstadt, op 28 september 1703

Joh. Seb. Bach

Organist van de nieuwe kerk

[*noot; 1 florijn was in het jaar 2000 gelijkwaardig aan zo'n 62,50 euro, 1 pfennig aan 0,25 euro en 1 groschen 3,00 euro ]

Arnstadt: 19 december 1703 [kwitantie]


Zes florijnen, 5 gr. 3 pf. voor het kwartaal van St. Lucia zijn correct betaald aan ondergetekende vals salaris voor de organist van de Nieuwe Kerk uit de kas van de kerk, waarbij de ontvangst ervan hierbij wordt bevestigd.
Arnstadt, op 19 december, 1703
Joh.Seb.Bach
Organist van de Nieuwe Kerk

+/- 1703 [tekst in het klavierstuk BWV 992, 'Capriccio sopra la lontananza de il frato dilettissimo']


titels van de deeltjes

  1. Adagio: is een poging tot overreding van zijn vrienden om hem van zijn reis af te houden
  2. Is een uitbeelding van verschillende rampen die hem kunnen overkomen in het buitenland
  3. Adagiosissimo: is een algeheel lamento van de vrienden
  4. Hier verzamelen zich de vrienden, omdat zij zien dat het niet anders kan, en nemen afscheid van hem
  5. Aria di Postiglione, Allegro poco
  6. Fuga all' imitazione di Posta [Fuga die de posthoorn immiteert]

Arnstadt: 5 augustus 1705 ['aangifte' Bach t.a.v. fagotist Geyersbach]


Uit de notulen van het consistorie van Arnstadt

Johann Sebastian Bach, organist alhier in de Nieuwe Kerk, verscheen en verklaarde, dat, toen hij gisteren, vrij laat in de avond, uit de richting van het kasteel naar huis liep en het marktplein bereikte, zes studenten op de "Langenstein" (Lange Steen) zaten, en toen hij het stadhuis passeerde, de student Geyersbach hem met een stok achterna ging en hem ter verantwoording riep: Waarom had hij beledigende opmerkingen over hem gemaakt? Hij antwoordde dat hij hem niet beledigd had, en dat niemand dat kon bewijzen, want hij was heel rustig zijn weg gegaan. Geyersbach antwoordde dat hij hem misschien niet had beledigd, maar dat hij wel ooit zijn fagot had beledigd, en dat wie zijn bezittingen beledigde, hem ook beledigde; hij had zich gedragen als een vuile hond, enzovoort, enzovoort. En hij [Geyersbach] had hem terstond geslagen. Omdat hij daarop niet was voorbereid, had hij op het punt gestaan zijn zwaard te trekken, maar Geyersbach was in zijn armen gevallen, en de twee buitelden heen en weer totdat de rest van de studenten die bij hem hadden gezeten, namelijk Schuttwurfel, Hoffmann - de anderen zouden hen noemen - naar hen toe waren gesneld en hen van elkaar hadden gescheiden, zodat hij zijn weg naar huis kon vervolgen. Hij had Geyersbach recht in zijn gezicht gezegd dat hij dit morgen zou rechtzetten en dat het hem en zijn eer niet zou passen om met hem te duelleren. Omdat hij een dergelijke bejegening niet verdiende en dus niet veilig was op straat, verzocht hij nederig dat Geyersbach naar behoren zou worden gestraft, en dat de anderen hem genoegdoening zouden geven en hem respect zouden betonen, zodat zij hem voortaan zouden laten passeren zonder hem te beledigen of aan te vallen.

Voor te leggen aan het Consistorie. C Z A [scriba].

Arnstadt: 14 augustus 1705 [zaak Bach en fagotist Geyersbach]


Uit de notulen van het consistorie van Arnstadt

Aan de student Geyersbach wordt de verklaring van de organist Bach tegen hem voorgelezen. De beklaagde: ontkent dat hij de eiser Bach heeft aangevallen. Hij was veeleer door de schoenmaker Jahn uitgenodigd voor het doopfeest van diens kind, en terwijl hij een serenade gaf met de meisjes die sponsorden, stak Bach, tabakspijp in de mond, de straat over, waarop Geyersbach hem vroeg of hij toegaf hem een 'Zippel Fagottisa' te hebben genoemd. Omdat hij dit niet kon ontkennen, trok hij, Bach, zijn dolk; hij, Geyersbach, moest zich verdedigen; anders zou hij enig leed hebben geleden. Ontkent dat hij Bach heeft belasterd zoals wordt beweerd, maar het zou kunnen dat hij heeft geslagen toen Bach met zijn degen op hem afkwam. Bach: houdt vol dat het Geyersbach was die begon te beledigen en te slaan, waardoor hij naar zijn degen moest grijpen, omdat hij niets anders had om zich mee te verdedigen. Geyersbach: herinnert zich niet Bach te hebben belasterd. Hoffmann [getuige], gevraagd om de waarheid te zeggen. Hij wist niet hoe de twee elkaar te pakken hadden gekregen. Maar omdat hij zag dat Geyersbach zijn hand uitstak naar Bachs degen, Bach deze echter nog steeds aan de schede vasthield en Geyersbach tijdens hun worsteling was gevallen, zodat er een ongeluk kon gebeuren doordat Geyersbach op de degen zou kunnen zijn gevallen, stapte hij tussen beiden in en drong er bij hen op aan elkaar los te laten en naar huis te gaan. Hierop gaf Geyersbach, die de degen met beide handen had vastgehouden, deze af, zeggende dat hij betere bedoelingen had gehad met Bach, maar er nu anders over dacht, waarop Bach antwoordde dat hij de zaak zou vervolgen. Schuttwurfel [getuige]: hij [Schuttwurfel] moet bij vergissing als getuige zijn opgeroepen, want hij was niet aanwezig maar thuis geweest. Besloten: aanstaande woensdag verslag uit te brengen.

Arnstadt: 19 augustus 1705 [vervolg zaak Bach en fagotist Geyersbach]


Uit de notulen van het consistorie van Arnstadt

De organist Bach wordt meegedeeld dat, omdat de student Geyersbach tijdens de laatste zitting ontkende dat hij het initiatief tot de vechtpartij had genomen en beweerde dat Bach eerst zijn degen trok, hij verplicht zal zijn het bewijs te leveren dat genoemde student de eerste aanleiding had gegeven. Bach: hij zou het bewijs leveren via zijn nicht Bach, op voorwaarde dat haar getuigenis, afkomstig van een vrouwelijk persoon, voldoende wordt geacht. Wij, d.w.z. de leden van het consistorie: hij had zich er heel goed van kunnen onthouden Geyersbach een 'Zippel Fagottist' te noemen; zulke opmerkingen leiden uiteindelijk tot dit soort onaangenaamheden, vooral omdat hij de reputatie had niet goed met de studenten te kunnen opschieten en te beweren dat hij alleen was aangesteld voor eenvoudige koraalmuziek, en niet voor concertstukken, wat onjuist was, want hij moet bij alle muziek maken helpen. Bach: Hij zou niet weigeren, als er maar een director musices was. Wij: Men moet onder onvolmaakten leven; hij moet met de studenten kunnen opschieten, en zij mogen elkander het leven niet zuur maken. Opgelost: De nicht wordt ontboden, en beiden moeten zich aanstaande vrijdag weer melden.

Arnstadt: 21 augustus 1705 [vervolg zaak Bach en fagotist Geyersbach]


Uit de notulen van het consistorie van Arnstadt

Barbara Catharina Bach: meldt, na te zijn gemaand de waarheid te zeggen, dat een paar dagen geleden, toen zij op het punt stond met haar neef het marktplein over te steken, er verscheidene studenten, komende van een doopfeest, op de "Lange Steen" zaten. Geirsbach zag hen, stond onmiddellijk op en stapte voor Bach en vroeg hem waarom hij zijn fagot had belasterd; wie zijn bezittingen belasterde, belasterde hem, en dat is wat een vuile hond enz. zou doen. Waarop Geirsbach Bach in het gezicht sloeg, waarop Bach zijn degen trok, maar hem er niet mee verwondde. Toen tuimelden zij heen en weer, en Geirsbach liet een stok vallen; de andere studenten verzamelden zich, scheidsrechterend, en namen Bach bij de hand, hem aansporend om door te gaan, want als zij wat ruzie met elkaar hadden, dan kon daar een oplossing voor geregeld worden; ook had Bach, voor zover zij wist, geen tabakspijp in zijn mond. Tot zoverre: op grond van het onderzoek van Bach, zoals hierboven vermeld, wordt de student Geyersbach meegedeeld dat daaruit geconcludeerd moet worden dat hij het incident heeft geïnitieerd, aangezien hij niet alleen Bach als eerste heeft aangesproken, maar ook de eerste was om te slaan. Gedaagde: geeft toe dat hij heeft geslagen, maar Bach gebruikte zijn degen tegen hem, terwijl zijn vest nog de gaten vertoont die het gevolg zijn van de prikken. Wij: als hij ruzie had met Bach, had hij dat beter via anderen kunnen regelen en niet in het openbaar op straat. Opgelost: aangezien geen van de predikanten beschikbaar was, zouden de twee voorlopig uit elkaar kunnen gaan. Als er een uitspraak was, zouden ze naar behoren worden ingelicht.

Arnstadt: 21 februari 1706 [berisping voor de te lange afwezigheid a.g.v. de voetreis naar Lübeck, en andere verzakingen]


Uit de notulen van het consistorie van Arnstadt

De organist in de Nieuwe Kerk, Bach, wordt ondervraagd over waar hij de laatste tijd zo lang is geweest en van wie hij verlof heeft gekregen om te gaan. De beklaagde: hij is naar Lübeck geweest om het een en ander over zijn kunst te vernemen, maar had tevoren verlof gevraagd aan de Superintendent. De Eerwaarde Hoofdinspecteur: hij had maar vier weken gevraagd, maar was ongeveer vier keer zo lang gebleven. De beklaagde: hoopte dat het orgelspel zo goed was verzorgd door degene die hij daarvoor had aangetrokken, dat daarover geen klacht kon worden ingediend. Wij [d.w.z. het consistorie]: berisp hem, omdat hij tot nu toe veel merkwaardige variaties in de koralen heeft aangebracht en er veel vreemde tonen in heeft vermengd, en omdat de kerkgemeente erdoor in verwarring is gebracht. Als hij voortaan een tonus peregrinus wilde invoeren, moest hij die aanhouden, en niet te snel op iets anders overgaan of, zoals tot nu toe zijn gewoonte was geweest, zelfs een tonus contrarius spelen. Bovendien was het zeer onaangenaam dat er tot nu toe geen concerterende muziek was uitgevoerd, waarvoor hij verantwoordelijk was, omdat hij niet met de studenten kon opschieten; daarom moest hij verklaren of hij bereid was om zowel concerterende muziek als door de studenten gezongen koralen te spelen. Want een kapelmeester kon niet alleen omwille van zichzelf worden aangesteld. Als hij dat niet wilde, moest hij dat maar duidelijk meedelen, zodat andere regelingen konden worden getroffen en iemand kon worden aangenomen die dat wel wilde. De beklaagde: Als hij een bekwame directeur zou krijgen, zou hij goed genoeg presteren. Besloten: Hij dient zich binnen acht dagen te melden.

Tot zoverre: De student Rambach [de prefect, of koorleider) verschijnt, en hij wordt op gelijke wijze berispt over de wanordelijkheden die tot nu toe in de Nieuwe Kerk hebben plaatsgevonden tussen de studenten en de organist. Rambach: De organist Bach had vroeger wat te lang gespeeld, maar nadat zijn aandacht daarop was gevestigd door de superintendant, was hij meteen in het andere uiterste vervallen en had hij het te kort gemaakt. Wij [het consistorie]: veroordeel hem [Rambach] omdat hij op de laatste voorafgaande zondag tijdens de preek in de wijnkelder is gegaan. Rambach: Had spijt, en het zou niet weer gebeuren, en de geestelijkheid had hem op dat punt al harde blikken toegeworpen. De organist mocht zich niet over hem beklagen voor het dirigeren, daar niet hij maar de jonge Schmidt daarvoor zorgde. Wij: hij zou zich in de toekomst heel anders en beter moeten gedragen dan hij tot nu toe gedaan had, of de gunst die voor hem bestemd was zou worden ingetrokken. Als hij iets tegen de organist te zeggen had, zou hij dat op de juiste plaats moeten melden, en niet het recht in eigen hand nemen, maar zich zo gedragen dat men tevreden over hem kon zijn, wat hij beloofde. Daarop werd de dienaar van de kanselarij opgedragen aan de rector te zeggen dat hij Rambach vier dagen achtereen elke dag twee uur in hechtenis moest laten nemen.

Arnstadt: 11 november 1706 [bevraging o.a. m.b.t. het uitnodiging van een vrouw naar de koorzolder]


Uit de notulen van het consistorie van Arnstadt

De organist Bach wordt erop gewezen, dat hij moet verklaren of hij bereid is met de leerlingen te musiceren, zoals hem reeds is opgedragen, of niet; want indien hij het geen schande acht met de kerk verbonden te zijn en zijn salaris te aanvaarden, moet hij zich ook niet schamen met de hem aangewezen leerlingen te musiceren, totdat hem andere instructies worden gegeven. Want het is de bedoeling, dat de laatsten zullen oefenen, om op een dag beter geschikt te zijn voor de muziek. Gedaagde: zal zich schriftelijk verklaren omtrent deze zaak. Wij: Vraagt hem daarop nader met welk recht hij onlangs het onbekende meisje [frembde Jungfer] op de koorzolder heeft laten uitnodigen en haar daar muziek heeft laten maken. Gedaagde: heeft Magister Uthe daarover verteld.

Mühlhausen: zesde woonplaats (1707-1708)


Nederlandse Tekst

Mühlhausen: 24 mei 1707 [St. Blasius te Mühlhausen heeft een openstaande vacature voor een organist]


Uit de notulen van de consistorie van de St. Blasius te Mühlhausen

Dominus Sen. Dr: Cons. Conrad Meckbach

Men herinnerde zich welke vorm de organistenpost in de kerk van de Heilige Blasius had aangenomen door het noodlottig overlijden van de heer Joh. Georg Ahle, en dat het nu noodzakelijk zou zijn hem te vervangen, en zo werd de volgende vraag gesteld

Zou men niet eerst overwogen moeten worden om de man met de naam Pach te vragen, die hier laatst heeft gespeeld, met Pinksteren?

Conclusum. Een tot tevredenheid stellende overeenkomst zou uitgewerkt moeten worden met hem. Om dat te kunnen doen zou hij hier moeten verschijnen. Dhr. Bellstedt zal deze kwestie worden toevertrouwd.

Mühlhausen: 14 en 15 juni 1707 [sollicitatiegesprek Bach m.b.t. de St. Blasius van Mühlhausen]


Uit de notulen van de consistorie van de St. Blasius te Mühlhausen

14 juni 1707

De heren Gottfried Stiller, A. E. Reiss en J. C. Stephan, afgevaardigden van de parochie van St. Blasius, waren aanwezig: Daar verscheen de heer Joh. Seb. Bach en werd ondervraagd of hij de vacante post van organist van de kerk van St. Blasius wilde overnemen, en wat hij voor de positie zou vragen. De heer Bach vraagt: 85 gulden, die hij in Arnstadt ontving en de beloningen in natura zoals ontvangen door de heer Ahle, te weten: 54 scheppen graan, 2 bossen hout, 1 beuk en 1 andere [boom?], 6 maal zestig takkenbossen, in plaats van het akkerland. Geleverd aan de deur. Onder deze voorwaarden zou hij de baan accepteren. Hoopte bovendien dat hij, om zijn vertrek en verhuizing hierheen te vergemakkelijken, de hulp zou krijgen van een wagen om zijn bezittingen te verplaatsen. Verzoekt tenslotte dat de positie hem schriftelijk wordt aangeboden. Ondertekend door de hierboven genoemde plaatsvervangers, die de vergadering leidden, en 15 anderen.

15 juni 1707

Joh. Dieterich Petersheim bericht, dat dhr. Seb. Vockerodt, dhr. Christian Stüler, dhr. Haserodt zeiden dat ze geen pen of inkt hadden, en zo ontsteld waren over de ramp [een recente brand] dat ze niet aan muziek konden denken - wat de andere heren ook deden, zou hen tevreden stellen.

Mühlhausen: 15 juni 1707 [overeenkomst Bach en de kerk van St. Blasius te Mühlhausen]


Wij, de beëdigde burgemeesters van Mühlhausen, Vrije Stad van het Heilige Rijk, en leden van de Raad van de Parochie van St. Blasius, maken hierbij bekend dat, aangezien de post van organist aldaar vacant is geworden door het overlijden van onze overleden vriend en collega Mr. Georg Ahle, hebben wij ter voorziening in deze vacature de heer Joh. Sebastian Bach van de Bonifatiuskerk te Arnstadt, en hebben hem aangesteld als onze organist in de genoemde kerk van St. Blasius, onder de voorwaarden dat hij bovenal loyaal en trouw is aan de Magistraat van deze stad, niet alleen onze gemeenschappelijke stad verdedigt tegen alle onheil, maar ook werkt voor haar beste belangen, zich bereid toont in de uitvoering van de taken die van hem worden verlangd en te allen tijde beschikbaar is, in het bijzonder trouw en ijverig zijn dienst bijwoont op zondagen, feestdagen en andere heilige dagen, het hem toevertrouwde orgel ten minste in goede staat houden, de aandacht van degenen die te allen tijde als de aangestelde opzichters fungeren vestigen op eventuele gebreken die daarin worden aangetroffen en ijverig toezien op de reparaties en op de muziek, ijverig zijn in het naleven van alle vereisten van een fatsoenlijk en respectabel leven, ook onbetamelijk gezelschap en verdachte samenkomsten vermijden; en net zoals de genoemde dhr. Bach zich door een handdruk verplicht heeft met al het voorgaande in te stemmen en zich daarnaar te gedragen, hebben wij beloofd hem als jaarwedde te geven: 85 gulden in geld en de volgende emolumenten in natura: 54 schepels graan, 2 vadems hout, 1 beuk en 1 eik of espen, 6 maal drie en zestig stuks aanmaakhout aan de deur geleverd ... en hebben dienovereenkomstig de onderhavige akte van benoeming laten opmaken, met het zegel van de Kanselarij erop geplakt.
Parochianen van Mühlhausen, Keizerlijke Vrije Stad van het Heilige Rijk
Gedaan 15 juni 1707

Arnstadt: 29 juni 1707 [Bachs bezoek met het verzoek tot ontslag]


Uit de notulen Consistorie Arnstadt

Dan verschijnt de heer Johann Sebastian Bach, tot nu toe organist van de Nieuwe Kerk, en meldt dat hij als organist naar Mühlhausen is geroepen en dat hij de roeping heeft aanvaard. Daarop betuigt hij aan de Raad zijn meest gehoorzame dank voor zijn vroegere betrekking en verzoekt om zijn ontslag, met de wens om hierbij de sleutels van het orgel terug te geven aan de Raad, van wie hij ze had ontvangen.

Arnstadt: 1 augustus 1707 [Bach wordt uitbetaald als organist]


Uit het stadsarchief van Arnstadt

Ingevolge het decreet door het Hooggrafelijk Consistorie van Schwartzburg alhier uitgevaardigd, wegens de organist in de nieuwe kerk, de heer Johann Sebastian Bach, zijn mij door den administrateur van het hospitaal alhier jaarlijks van augustus 1706 tot 1707 dertig daalders geleverd en betaald voor kost, bed en kamers, waarvan deze kwitantie getuigt, aldus geschied zijnde 1 augustus 1707.

Martin Feldthauß

Arnstadt: 17 oktober 1707 [Maria Barbara en Johann Sebastian gaan trouwen]


Uit het huwelijksregister van Arnstadt

Dhr. Johann Sebastian Bach, benoemd tot organist van de St. Blasiuskerk in de keizerlijke vrijstad Mühlhausen, nog ongehuwd, jongste overlevende zoon en wettige nakomeling van wijlen dhr. Johann Ambrosius Bach, musicus van de Prins van Saksen-Eisenach, en mejuffrouw Maria Barbara, jongste dochter en wettige nakomeling van wijlen meester Johann Michael Bach, organist in Gehren. Zijn in het huwelijk getreden te Dornheim op 17 oktober.

De honoraria werden kwijtgescholden.

Arnstadt: 1708 [overdracht laatste salaris aan zijn neef]


Uit de stadsarchieven van Arnstadt:

Ik meld hierbij aan de secretaris dat dhr. Sebastian Bach, de huidige organist in Mühlhausen, in juli van het vorige jaar 1707 ontslagen is en zijn salaris voor het Crucis Kwartaal [het derde kwartaal van het jaar], dat hem toen toekwam, heeft overgedragen aan zijn neef, de huidige organist van de Nieuwe Kerk, tegen ontvangstbewijs van laatstgenoemde voor hetzelfde, zodat de termijn van de huidige organist van de Nieuwe Kerk moet beginnen met het Luciae Kwartaal van 1707, en zijn salaris, met verlof van Uwe Hoogheid, dienovereenkomstig moet worden geregeld. Dit is hierbij geattesteerd.

MARTIN FELDHAUSS

Mühlhausen: 1708 [titelpagina 'Gott ist mein König' BWV 71]


titelblad

Felicitatiekerkmotet, zoals het werd gegeven bij de Plechtige Kerkdienst in de Hoofdkerk B.M.V. Met Gods zegen werd de Raad op 4 februari in het jaar 1708 gewijzigd en werd de regering van de Keizerlijke Vrijstad Mühlhausen met vreugde toevertrouwd aan de vaderlijke zorg van de nieuwe Raad, namelijk aan de meest nobele, standvastigste, meest geleerde en verstandigste heer, Mr. Adolff Strecker, en de meest nobele, standvastige en wijze heer Georg Adam Steinbach, beide zeer verdienstelijke burgemeesters, evenals de andere zeer gerespecteerde leden, zeer plichtsgetrouw geleverd door Johann Sebastian Bach, organist van de St. Blasius, Muhlhausen.

Gedrukt door Tobias David Bruckner, drukker van een zeer nobele Raad.

[hieronder: 1) gedrukt titelblad (tekst hierboven), 2) - 4) Bachs handschrift van 3 pagina's uit het stuk.]

Mühlhausen, 11 februari 1708 t/m 1710 [betaling voor BWV 71]


Uit het stadskasregister van Mühlhausen

a. 11 febr. [1708] Dhr. Bach voor de compositie van het raadsstuk [de cantate ‘Gott ist mein König’ BWV 71] 3 rthl.

b. 7 febr. [1709] Dhr. Bach uit Weimar voor de compositie van het raadsstuk [verloren gegaan werk van Bach] 4 rthl. Reiskosten. De heer Bach uit Weimar 2 rthl.

c. 20 febr. [1710] Dhr. Bach voor het raadsstuk [ook een verloren gegaan werk van Bach] 9 fl. 3 gr.

d. Aan de drukker Tobias David Bruckner 11 febr. [1708] voor het drukken van het raadsstuk, op rekening 6 f. 2 gr. Op 3 mrt. contant betaald 6 rthl. 9 f. 3 gr. reeds ontvangen 4 rthl. 6 f. 2 gr. Aan de boekbinder op 25 Febr. [1708) voor het bijsnijden van het raadsstuk 8 gr.

e. Aan de drukker Tobias David Brückner op 12 mrt. [1709] voor het drukken van het raadsstuk en het felicitatiegedicht, 11 rthl. 16 f. 16 gr.

f. Aan de drukker Tobias David Bruckner op 27 febr. [1710] voor het gedicht bij het raadsstuk 1 f. 4 pf.

Mühlhausen, 21 februari 1708 [vragen Bach m.b.t. het orgel]


Uit de notulen van een parochievergadering

Dom. Consul Senior Dr. Meckbach: De nieuwe organist, de heer Bach, had verschillende gebreken aan het orgel van de St. Blasiuskerk geconstateerd en schriftelijk een project ingediend om deze te verhelpen en het instrument te vervolmaken. Hij las het voor en vroeg: (1) of het werk moet worden uitgevoerd zoals gepland; (2) of er een commissie moet worden benoemd om de overeenkomst te sluiten; en (3) of de commissie moet worden opgedragen met iemand die heeft aangeboden het kleine orgel op de koorzolder te kopen tot een vergelijk te komen.

Conclusie: ad 1. Het antwoord is bevestigend. ad 2. Aangesteld worden dhr. Bellstedt, dhr. Reiss, dhr. Sebastian Vockerodt, met opdracht om zo dicht mogelijk bij een overeenkomst te komen en, indien nodig, de orgelbouwer het kleine orgel te geven in plaats van 50 thlr., als hij niet akkoord zou gaan met het voltooien van het hele orgel voor 200 thlr.

Mühlhausen: 1708 [rapport m.b.t. reparatie orgel St. Blasius te Mühlhausen]


m.b.t. het orgel in de St. Blasius te Mühlhausen

Dispositie van de renovatie van het orgel van de St. Blasius.

(1) Het gebrek aan winddruk moet worden opgevangen door toevoeging van drie goede nieuwe balgen voor het Oberwerk, het Ruckpositiv, en het nieuwe Brustwerck.

(2) De vier oude balgen die nu aanwezig zijn moeten, met krachtiger winddruk, worden aangepast aan de nieuwe 32-voets Sub-Bass en de overige basregisters.

(3) De oude windladen moeten alle worden uitgenomen en van een zodanige windgeleiding worden voorzien, dat één register alleen en ook alle registers tezamen kunnen worden gebruikt zonder wijziging van de druk, hetgeen in het verleden nooit mogelijk is geweest en toch zeer noodzakelijk is.

(4) Hierop volgt de 32-voets Sub-Bass of z.g. Untersatz [bourdon] van hout, die het gehele orgel het meeste fundament geeft. Dit register moet nu zijn eigen windlade hebben.

(5) De Trombone Bas moet van nieuwe en grotere pijpen worden voorzien, en de mondstukken moeten heel anders worden opgesteld, zodat dit register een veel steviger toon kan voortbrengen.

Het door de parochianen gewenste nieuwe klokkenspel, bestaande uit 26 klokken van 4 voet toon, moet aan het pedaal worden toegevoegd; welke klokken de parochianen op eigen kosten zullen aanschaffen, en de orgelmaker zal ze dan installeren.

(7) Wat het bovenklavier betreft, zal in plaats van de Trompet (die zal worden verwijderd) een Fagotto van 16 voet toon worden geïnstalleerd, die bruikbaar is voor allerlei nieuwe muzikale vindingen en die zeer mooi klinkt in concertmuziek.

(8) Verder komt er in plaats van de Gemshorn (die eveneens zal worden verwijderd) een Viol di Gamba van 8 voet, die uitstekend zal samengaan met de Salicinal van 4 voet die reeds in het Rückpositiv is opgenomen. Item, in plaats van de Quinta van 3 voet (die ook is weggelaten).

(9) zou een Nasat van 3 voet kunnen worden geplaatst. De overige registers die nu in het Bovenmanuaal zijn opgenomen kunnen blijven staan, evenals het gehele Rückpositiv, hoewel deze bij de reparaties toch allemaal opnieuw gestemd moeten worden.

(10) Wat nu het belangrijkste betreft, het nieuwe kleine Brustpositiv, zouden de volgende registers zou de volgende registers kunnen krijgen.

In het front, drie principalen, te weten:

(a) Quinta 3' van goed 14-ons tin;

(b) Octava 2' van goed 14-ons tin;

(c) Schalemoy 8' van goed 14-ons tin;

(d) Mixtuur, drie rijen

(e) Tertia, waarmee men, door een paar andere registers toe te voegen, een fijne en volledige Sesquialtera kan maken;

(f) Fleute douce 4'; en tenslotte een

(g) Stillgedackt 8', die uitstekend bij de concerterende muziek past en, gemaakt van goed hout, veel beter zou moeten klinken dan een metalen Gedackt.

(11) Tussen de manualen van dit Brustpositiv en het Oberwerck moet een koppelstuk komen.

Ten slotte moet, naast een volledige stemming van het gehele orgel, de tremulant zodanig worden afgeregeld, dat hij met de juiste snelheid vibreert.

Weimar: 20 juni 1708 [Bach komt in dienst van Wilhelm Ernst]


van Wilhelm Ernst aan raadsheer Johann Christoph von Hoffmann

Bij de gratie Gods, Wilhelm Ernst, hertog van Saksen, Jülich, Cleve en Berg, ook van Engern en Westfalen enz. Standvastige, dierbare en trouwe raadsheer, overwegende dat wij hebben ingestemd met de benoeming van onze kamermusicus en hoforganist, Johann Sebastian Bach uit Mühlhausen, verordonneren wij tevens voor zijn jaarlijkse bezoldiging en toelagen, naar ons genoegen, honderdvijftig florijnen, in contanten, achttien schepels graan, twaalf schepels gerst, vier bossen hout en dertig vaten bier uit onze kasteelbrouwerij hier, vrij van drankbelasting, te beginnen met het naderende Kwartaal van het Heilige Kruis, en tien florijnen extra voor de verhuiskosten. Dus, mede namens onze geliefde minderjarige neef, verlangen wij dat u met onze vorstelijke schatkist regelt dat dit alles, met name het salaris en de toelage zoals verdeeld in de gebruikelijke kwartalen, aan hem wordt uitgekeerd tegen zijn ontvangstbewijs en dat het naar behoren wordt verantwoord als een uitgave. Dit is onze wil, en wij staan zeer welwillend tegenover u. Getekend te Weimar, aan de Wilhelmsburg, op 20 juni 1708.

WILHELM ERNST

Mühlhausen: 25 juni 1708 [brief: verzoek tot ontslag]


Aan de parochianen van de St. Blasius

Aan de alom geëerde en hoogst gewaardeerde parochianen van de kerk van St. Blasius

Een nederig memoriaal

Uwe Hoogheid, Geëerde en Nobele Heren, Geëerde en Geleerde Heren, Geëerde en Wijze Heren, meest Gracieuze Patronen en Heren!

De wijze waarop u en mijn zeer geëerde beschermheren mijn nederige persoon hebben aangesteld voor het ambt van organist van de St. Blasiuskerk toen deze post een jaar geleden vrijkwam, en uw goedgunstigheid om mij in staat te stellen een beter bestaan te genieten, moet ik voor altijd dankbaar zijn. Ook al zou ik altijd moeten willen werken aan het doel, namelijk een goed geregelde kerkmuziek, tot eer van God en in overeenstemming met uw wensen, en zou ik naar mijn geringe middelen zoveel mogelijk meehelpen aan de kerkmuziek die in bijna elke gemeente opgang maakt, en vaak beter is dan het samenspel dat hier wordt beoefend, en heb daarom van heinde en verre, niet zonder kosten, een goede voorraad van de meest uitgelezen kerkcomposities verworven, zoals ik ook mijn plicht heb vervuld in het aandragen van het project om de gebreken aan het orgel te verhelpen en graag elke andere plicht van mijn ambt had vervuld - toch is het niet mogelijk geweest om dit alles zonder belemmering te volbrengen, en er zijn op dit moment nauwelijks tekenen dat er in de toekomst enige verandering zal plaatsvinden (hoewel het de zielen die tot deze kerk behoren zou verblijden); waaraan ik nederig moet toevoegen dat, hoe eenvoudig mijn manier van leven ook is, ik slechts armzalig kan leven, gezien de huishuur en andere hoogst noodzakelijke uitgaven.

Nu heeft God het laten geschieden, dat zich een onverwachte verandering voor mij aanbood, waarin ik de mogelijkheid zie van een meer adequaat levensonderhoud en het bereiken van mijn doel van een goed geregelde kerkmuziek zonder verdere kwellingen, daar ik de genadige toelating heb ontvangen van Zijne Serene Hoogheid van Saxen-Weimar tot zijn hofkapel en kamermuziek.

Daarom heb ik gemeend mijn voornemen in dezen met gehoorzaam respect ter kennis te moeten brengen aan mijn Hoffelijke Beschermheren, en hun tegelijkertijd te smeken zich voorlopig tevreden te stellen met de bescheiden diensten, die ik aan de Kerk heb bewezen, en mij ten spoedigste van een genadig ontslag te willen voorzien. Als ik nog iets kan bijdragen aan de dienst van Uwe Eerwaarde's Kerk, zal ik dat meer met de daad dan met woorden doen, en voor altijd blijven,

Geachte Heer, Hoogachtbare Beschermheren en Heren, Uwe Edelachtbaren meest gehoorzame dienaar

Mühlhausen, 25 juni, anno 1708

JOH. SEB. BACH

Mühlhausen: 26 juni 1708 [Bach biedt ontslag aan]


Proces-verbaal van een parochievergadering

D. Cons. Dr. Meckbach: De organist Pach ontving een oproep naar Weimar en aanvaardde deze, en diende dienovereenkomstig een schriftelijk verzoek in om hem te ontslaan.

Hij heeft het volgende voorgelegd: Aangezien men hem niet kon dwingen te blijven, moet men ongetwijfeld instemmen met zijn ontslag, maar bij de kennisgeving moet men hem voorstellen mee te werken aan de voltooiing van het project dat was aangevat.

Mühlhausen: 4 juli 1708 [notulen van de St. Blasiuskerk over Bachs opvolger (diens neef)]


Proces-verbaal van een parochievergadering

Actie genomen in de Parochievergadering van 4 juli 1708 Aanwezig: Dom. Cons. Meckbach, Dom. Cons. Stephan, Cons. Grabe, de heer J. H. Bellstedt, de heer A. E. Reiss, de heer Plathner, de heer Vockerodt, de heer Tilesius, de heer Eisenhardt, de heer Volckerodt, de heer Vogeler. Er werd op gewezen dat zich voor de vacante post van organist de neef van de heer Bach, eveneens Bach geheten [Johann Friedrich Bach], een student had gemeld. Er werd gevraagd of hij moest worden aangenomen en tegen welk salaris. Akkoord, maar de onderhandelingen met hem moesten worden gevoerd op basis van de arbeidsovereenkomst met de heer Ahle [die voor een lager salaris in dienst was dan J.S.], en deze taak werd toevertrouwd aan de heer Reiss.

Weimar: zevende woonplaats (1708-1717)


Nederlandse Tekst

Weimar: 14 juli 1708 [welkomstgeschenk in Weimar]


Van de Hertog aan Bach

10 fl. aan de pas aangekomen hoforganist uit Mühlhausen, Johann Sebastian Bach, een welwillende entreevergoeding.

Weimar: 29 december 1708 [doop Catharina Dorothea Bach]


Stadskerkbestuur Weimar, doopboek 1699-1712

[Vader]
Dhr. Joh. Sebastian Bach, F. S. Kamermusicus en Hoforganist alhier.
Een dochter, genaamd Catharina Dorothea, werd gedoopt op 29 dec.
[Peetouders]
1e Dhr. Doct. Georg Christian Eilmar Past: predikant bij de kerk van de Heilige Maagd in Mühlhausen.
2e Mevr. Martha Catharina Lämmerhirt, weduwe van raadslid dhr. Tobias Lemmerhirt te Erfurt.
3e Johanna Dorothea, echtgenote van Christoph Bach, organist te Ohrdruff.

Mühlhausen: 7 februari 1709 [honorarium en reiskosten voor een raadswisselingscantate]


Stadtarchiv Mühlhausen

Geschenken

d. 7 feb. aan de heer Bach van Weimar voor de voorbereiding van het raadsstuk 4 rthl 6 [florijnen] 2 [groschen]...

Reiskosten

d. 7 Feb. Mr. Baachen van Weimar, 2 rthl. 3 [florijnen] 1 [groschen]

Weimar: 13 maart 1709 [constatering dat Bachs familie zich in het huis van Weldigen bevindt]


Uit het belastingregister van het hertogdom Saksen-Weimar

Weimar: 1709-10 [betalingen aan Bach gedaan van 1709-10]


Uit het hertogelijk schatkistregister van 1709-10

Weimar: 1710-1717 [vergoedingen aan Bach uitgekeerd]


Uit de 'Volledige Kamerrekeningen van Michaelmas', hertogelijke archieven voor 1710-17

1710-1711:

Salaris: 150 fl. aan de Hoforganist J. S. Bach.

Toelage hout: 6 fl. 15 gr. aan de Hoforganist Bach, d.w.z. 3 bossen hout t.w.v. 1 rthl. 23 gr.

Voor de Slotkerk: 12 gr. voor kolen om de Hoforganist de winter door te helpen.

1711-1712:

Salaris, Kasteel Capelle: 200 fl. aan de Hoforganist Bach (voorheen slechts 150 fl., wegens de 50 fl. verhoging).

Toelage hout: 8 fl. 12 gr. aan de Hoforganist in plaats van 4 bossen hout.

Prinselijke gift: 2 fl. aan de Hoforganist Bach.

1712-1713:

Salaris, Kasteel Capelle: 203 fl. 15 gr. 9 pf. aan de Kamermusicus en Hoforganist Johann Sebastian Bach. Elk kwartaal 50 fl.; Trinitatis 53 fl. 15 gr. 9 pf., overeenkomstig het bevel van de Prins van 24 februari.

Toelage voor hout: 8 fl. aan de kamermusicus en hoforganist Joh. Sebast. Bach in plaats van 4 bossen hout t.w.v. 2 fl.

Prinselijk geschenk (St. Willem's Dag): 2 fl. aan de Hoforganist Bach.

Hofkapel en Slotkerk: 12 gr. voor kolen voor de organist, 16 dec. 1712.

d. 1713-1714:

De Prinselijke Slotkapel: 232 fl. 10 gr. 6 pf. aan de Concertmeester en Hoforganist Joh. Seb. Bach.

53 fl. 15 gr. 9 pf. voor Crucis, Luciae [dit zijn kwartaal 3 en 4 uit 1713]
62 fl. 10 gr. 6 pf. voor Rem. en Trin. uit 1714

incl. 15 fl. verhoging in overrenstemming met de wil van de prins onder nummers 182-185.

Toelage van hout: 12 fl. aan de Concertmeester etc., in plaats van 6 bossen hout t.w.v. 2 fl., te weten:

2 fl. voor Crucis 2 fl. voor Luciae in 1713
4 fl. voor Rem. en 4 fl. voor Trin. in 1714, incl. 1 bos extra [verhoging].

Geschenken van de prins: 2 fl. aan de hoforganist Bach.

Hof Capelle en Slotkerk: 18 gr. voor kolen voor de Organist, 16 okt. 1714 [recte: 1713?] en 20 febr. 1714.

1714-1715:

Voor Treurige Gelegenheden: 12 fl. aan de Concertmeester en Org. Bach 12 fl.

Prinselijke Slotkapel: aan de Concertmeester en Hoforganist Bach 250 fl. per jaar ofwel 62 fl. en 10 gr. 6 pf. per kwartaal.

Toelage voor hout: 16 fl. 12 gr. aan de Concertmeester en Hof Organist Joh. Sebastian Bach voor 8 bossen hout.

Prinselijke geschenken: voor St. Willem's Dag, 28 mei 1715: 2 fl. aan de Hoforganist Bach.

Hofkapel en Slotkerk: 2 fl. 6 gr. aan de handelaar Johann Christian Hindorff voor 2 snaren, die de Concertmeester op 21 juni 1715 liet bestellen.

Drukwerk: 13 fl. 15 gr. voor 6 riemen schrijfpapier en 12 riemen drukpapier voor de Kerkcantates, 9 juli 1715.

1715-1716:

Salaris, Kasteel Capelle: 250 fl. aan de Concertmeester Bach.

Toelage voor hout: 18 fl. 6 gr. aan de Concertmeester etc. voor 8 bossen hout.

Prinselijke gift: 2 fl. aan de Hoforganist Bach.

Slotkapel: 12 gr. voor kolen voor de organist, 26 nov. 1715.

1716-1717:

Salaris, Slotkapel: 250 fl. aan de Concertmeester Bach.

Toelage voor hout: 18 fl. 6 gr. aan de Concertmeester etc. voor 8 bossen hout.

Gift van de prins: 2 fl. aan de hoforganist Bach.

Kasteelkapel: 12 gr. voor kolen voor de organist, 1 november 1716.

Weimar: 22 november 1710 [doop van zoon Wilhelm Friedemann]


Vermelding in de kerkelijke registers

Aan de vrouw van de heer hoforganist Joh. Sebastian Bach, Maria Barbara, ook née Bach, een zoon geboren op 22 november, gedoopt op de 24e. Naam: Wilhelm Friedemann. De peetouders:
1. Wilhelm Ferdinand Baron von Lyncker, hertogelijk kamerheer alhier.
2. Mevrouw Anna Dorothea Hagedorn, echtgenote van de heer Gottfried Hagedorn, kandidaat in de rechten, uit Mühlhausen.
3. Dhr. Friedemann Meckbach, doctor in de rechten, uit Mühlhausen.

Weimar: 16 februari 1711 [kwitantie orgelreparatie]


Aan Heinrich Trebs, orgelbouwer

Waar dhr. Heinrich Trebs, de toonder, een ervaren orgelbouwer, mij verzoekt hem een verklaring te geven over het werk dat hij in dit vorstendom heeft gedaan, heb ik hem niet kunnen noch willen weigeren, daar hij het te goed verdient; dienovereenkomstig verzeker ik de goedgunstige lezer van deze brief dat hij zijn meest prijzenswaardige nijverheid heeft aangewend voor het werk dat hij in deze streken heeft verricht, en ik, als degene die is aangesteld om dat te inspecteren, heb geconstateerd dat hij zich zowel in de nakoming van het contract als in het daaropvolgende werk een redelijk en consciëntieus man heeft getoond, want hij heeft ons de laagste prijs geboden en hij heeft daarna het werk dat we overeenkwamen met de grootste nijverheid uitgevoerd.

Weimar, 16 februari 1711

JOH. SEBAST. BACH

Hoforganist en kamermusicus

Weimar: 3 juni 1711 [de opdracht van de hertog tot salarisverhoging]


Uit het hertogelijk archief te Weimar

Bij de gratie Gods, Wilhelm Ernst, hertog van Saksen, Jülich, Cleve en Berg, ook van Engern en Westfalen enz. Dierbare en loyale, nadat wij vanaf heden genadiglijk vijftig florijnen hebben toegevoegd aan de jaarwedde, naar ons genoegen, en daarmee een beter inkomen van onze kamermusicus en hoforganist alhier, Johann Sebastian Bach, op zijn nederig verzoek, omdat de wedde en toelage van zijn voorganger, Johann Effler, geheel zal ophouden en terugvloeien in onze vorstelijke schatkist. Aldus verlangen wij hierbij voor ons en ook namens onze geliefde neef, Heer Ernst August, als voogd van onze geliefde neef, Heer Ernst August, Hertog van Saksen, Liebden, etc., dat u hier kennis van wilt nemen en hem, te beginnen met [het] Drievuldigheids [kwartaal], deze allergenadigste verhoging wilt geven, verdeeld in de gebruikelijke kwartalen, altijd met zijn vorige salaris tegen zijn ontvangsten, en naar behoren verantwoord. Dit is onze wens. Getekend te Weimar, aan de Wilhelmsburg, op 3 juni 1711.

Weimar: 28 juli 1711 en 25 februari 1712 [voor het geven van klavierles]


Uit de privé-rekeningenboeken van hertog Ernst August

2 fl. 6 gr. in de vorm van 1 bos hout aan de organist Bach voor instructie door dezelve op het Clavier, 28 juli 1711.

1 fl. 6 gr. in de vorm van 1/2 bos van hetzelfde aan bovengenoemde voor instructie, 25 feb. 1712.

Weimar: 30 april 1712 [leerling Philipp David Kräuter schrijft over zijn les bij Bach aan zijn school]


Uit de dossiers van de Augsburgse Evangelische Scholarchat

HOGE EN EDELE, GENADIGE, MEEST WIJZE EN MEEST ACHTENSWAARDIGE LEDEN VAN HET SCHOLARCHAAT, WELWILLENDE EN GEËERDE HEREN!

Met uw gebruikelijke vriendelijkheid zult u geen bezwaar maken tegen mijn vrijheid u deze regels te sturen om u mijn nederige dank te betuigen voor de 50 florijnen die mij voorafgaand aan mijn reis zijn toegekend; moge God dit rijkelijk vergoeden. Ik zal, overeenkomstig uw vriendelijke instructies, verslag uitbrengen over hoe ik dit geld heb gebruikt en hoe ik naar behoren met mijn nieuwe leraar, de heer Bach in Weimar, heb geregeld dat ik een jaar kost en inwoning krijg. De reiskosten bedroegen tussen de 25 en 26 florijnen, daar de wegen zeer slecht waren en ik de koetsier bijna het dubbele van de normale vergoeding moest geven. Ik gaf 4 florijnen aan de heer Bach voor de helft van de maand april, omdat ik vreesde dat hij de hele maand zou rekenen tot het jaar dat nu met de maand mei zou beginnen. Hij had aanvankelijk 100 thaler gevraagd om het jaar te dekken, maar ik heb het kunnen verlagen tot 80 thlr., waartegenover hij mij kost en inwoning zal aanbieden. Hij is een uitmuntend man, zowel in compositie als in onderwijs op klavier en andere instrumenten. Het is zeker zes uur begeleiding per dag dat ik krijg, voornamelijk in compositie en op het klavier, soms ook op andere instrumenten. De rest van de tijd gebruik ik zelf voor oefening en kopieerwerk, aangezien hij mij alle muziek waar ik om vraag, doorgeeft. Ik heb ook de vrijheid om al zijn stukken door te nemen. Aldus zou niets ontbreken voor mijn project, gewijd aan de glorie van God, indien Mijn Edele en Barmhartige Grootheden en Welwillende Heren zo coulant zouden willen zijn om toe te geven aan mijn hernieuwd verzoek om te voldoen aan Mr. Bach's verzoek, hierboven vermeld, van 80 thaler, waarvan echter 20 florijnen die nog in mijn bezit zijn, zouden kunnen worden afgetrokken. Ik vroeg hem hoe hij wilde dat de betaling zou geschieden, waarop hij antwoordde dat het niet uitmaakte, maar dat het bij voorkeur maandelijks of per kwartaal moest geschieden. Daar ik echter van Uwe Edele en Genadige Heren nog geen definitieve instructies over de wijze van betaling heb ontvangen, maar deze van de heer Federlin als tussenpersoon moet verkrijgen, heb ik de heer Bach tot die tijd om geduld gevraagd. Ondertussen zal ik zelf doen wat ik kan voor verplichtingen, nieuwjaarsgratificatie, en behoeften buiten levensonderhoud voor de tijd die mij gegund is. Daartoe zal ik gaarne - met het oog op de welkome gelegenheid tot goed en grondig leren - mijn spaargeld, hoe klein ook, en mijn harde verdiensten uit het cantoraat en privé-lessen aanwenden, nadat ik de noodzakelijke uitgaven voor kleding, linnengoed, lessen, en huis- en reisbehoeften heb gedaan, in de hoop dat de lieve God mij in goede gezondheid zal houden, zodat ik uiteindelijk de hoge beschermheren van het land in zoverre zal kunnen dienen, dat zij mij in mijn levensonderhoud zullen helpen voorzien. Mijn nederig verzoek is dan ook gericht aan Mijne Edelachtbaren, dat ik, door genadig besluit met betrekking tot mijn toelage en uw beschikkingen, weer deel mag hebben aan de roem van uw vrijgevigheid en welwillendheid. Met Gods hulp zal ik mij op mijn beurt wijden aan een zodanige geleerdheid, dat ik mijne heren ervan kan overtuigen, dat de grootmoedige liefdadigheid niet zou zijn verleend aan iemand, die haar niet waardig is; zal de barmhartigheid Gods afsmeken voor uw blijvende gezondheid, lang leven, voorspoed en zalig bewind; en blijf in levenslange gepaste toewijding Uw Edele Gratiën'.

Weimar, de 30e april in het jaar 1712

Gehoorzaam dienaar PHILIPP DAVID KRÄUTER

Weimar: 27 september 1712, [Bach wordt peetvader van Johann Gottfried Walther jr.]


Uit het Stadtkirchneramt Weimar, doopboek 1699-1712

De vrouw van de heer Johann Gottfried Walther, stadsorganist, genaamd mevrouw Anna Maria, geboren als Drechßler. Een zoontje geboren de 26e juli om 12 uur. Om ongeveer 10 uur gedoopt op de 27e, genaamd Johann Gottfriedt. De peetouders 1. Mevrouw Maria Regina, echtgenote van Joh: Wilhelm Rumpels, Vorstelijk Saksisch Hof- en Lijfarts alhier 2. Heer Landschapscommissaris, Ernst Kromeyer, alhier, 3. Heer Johann Sebastian Bach, Kamermusicus en Hoforganist, ook van hier.

Weimar: 21 en 22 februari 1713 [voor een concert in Weissenfels]


Uit het staatsarchief

De volgende personen die naar de hertogelijke residentiestad zijn geroepen voor een dienst in verband met de verjaardag van Zijne Doorluchtige Hoogheid, worden hier op 21 en 22 februari [1713] ondergebracht. Dhr. Johann Sebastian Bach, hoforganist in Weimar, kosten 16 gr. per dag.

[noot: Bach ontving later de eer om de titel Hofkapelmeester van Weissenfels te mogen dragen]

Weimar: 23 februari 1713 [doop van de tweeling Maria Sophia en Johann Christoph Bach]


Stadtkirchneramt Weimar, doopboek 1699–1712

Dhr. Joh: Sebastian Bachs, Vorstelijk Saksische Hoforganistenvrouw Maria Barbara, née Bach, organistendochter te Gehren, is op 23 februari 's middags omstreeks 10 uur bevallen van een zoon en een dochter, daar de dochter als oudste kind omstreeks 10 uur is geboren. Het zoontje werd omstreeks 12 uur geboren en het dochtertje, omdat zij zeer zwak was, werd door de heer Wöchner, de diaken terplaatse, gedoopt en kreeg de naam Maria Sophia. Het zoontje echter had reeds eerder de nooddoop* ontvangen van de moeder, die de naam Johann Christoph kreeg. De peetouders van de dochter zijn: 1 De echtgenote van dhr. Samuel Heintzens, actuaris en 'amtschreiber' in Suel. 2 De echtgenote van dhr Johann Christoph Hoffmanns, wapenhandelaar in Suel. 3 Dhr. Georg Theod. Reineccius, cantor en leraar van de vierde klas van het plaatselijke Gymnasium van Weimar.

[*noot: was binnen enkele uren komen te overlijden. Het meisje, Maria Sophia, zou enkele weken daarna overlijden].

Weimar: 10 april 1713 [leerling Philipp David Kräuter vraagt om voortzetting van zijn studie bij Bach aan zijn school]


Uit het staatsarchief

Omdat de prins van Weimar hier, die niet alleen een groot liefhebber van muziek is, maar zelf een weergaloos violist, na Pasen uit Holland naar Weimar zal terugkeren en hier de zomer zal doorbrengen, zou ik veel mooie Italiaanse en Franse muziek kunnen horen, die mij bijzonder van pas komt bij het componeren van concerti en ouvertures. Met Pinksteren zal het kasteelorgel hier in een zo goed mogelijke staat zijn; daardoor zou ik mij meer vertrouwd kunnen maken met de opbouw van een orgel, om te kunnen beoordelen of dit of dat voor een orgel bruikbaar zou zijn, indien alle reparaties goed en niet oppervlakkig zouden worden uitgevoerd, en tevens hoeveel ongeveer een of twee ranks pijpen zouden kosten, hetgeen ik allemaal nogal de moeite waard acht. Ook zal de heer Bach, vooral als het nieuwe Weimar-orgel klaar is, er onvergelijkelijke dingen op spelen; zo zal ik veel kunnen zien, horen en kopiëren.

Weimar: 2 augustus 1713 [tekening van een Canon in een Album]


Niet bekend

Dit kleine item* op deze plaats aan de Geëerde Eigenaar bij te dragen in de hoop op vriendelijke herinnering is de wens van

JOH. SEBAST. BACH

Hoforganist en Kamermusicus van Zijne Saksische Hoogheid

Weimar, 2 augustus 1713

[*noot: Canon BWV1073]

Weimar: 6 november 1713 [wijding van de Sint-Jacobskerk]


...

V.

De collegia en de hofstaat, die tevoren waren gelast om bij de processie in Galla te verschijnen, alsmede de plaatselijke gemeenteraad, [...] en burgers, kwamen [...] op de afgesproken tijd bij het hof bijeen, [...] de muziekkapel en andere aanwezigen, met de dienaren van het hof, stonden echter in optocht voor de zogenaamde ingang, [...] voor de processie.

...

IX.

Daarna, en toen zij voor de zogenaamde ingang kwamen, stond de hofvoorman Biedermann als derde maarschalk, en leidde de hofdienaren en hofbedienden, de hofkapel, de stadsmedici, de hofadvocaten, de dienaren van het college, de waardige secretarissen, en de lijfmedici, die aldus in volgorde volgden:

[aantal namen]

44. Bach,

[aantal namen]

...

Weimar: 27 november 1713 [Bach wordt peetvader van Johann Gottfried Trebs]


Stadtkirchneramt Weimar, doopregister (1713-1723)

Heer Heinrich Nicolaus Trebs*, Hoforgelmaker alhier en echtgenote mevrouw Catharina Elisabeth née Auleppin. Een zoon geboren, de 26e november 's nachts om 11 uur, gedoopt op de 27e met de naam Johann Gottfriedt. De peetouders: 1 dhr. Johann Sebastian Bach, Prinselijk Saksisch Kamermusicus en Hoforganist 2 Mevr. Rosina Margaretha, dhr. David Pachtmanns, Prinselijk Saltz Administrateur's echtgenote. 3 Mr. Johann Gottfriedt Walther stadsorganist.

[*noot: gerelateerd aan de brief van 16 februari 1711]

Halle: 14 december 1713 [arbeidsovereenkomst Halle]


Van de Raad van Acht van de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Halle

Wij, de ondergetekenden, paters en leden van de Raad van Acht van de Onze Lieve Vrouwekerk alhier, maken voor onszelf en onze opvolgers in de kerkenraad hierbij bekend en getuigen dat wij hierbij de eerbiedwaardige en geleerde heer Johann Sebastian Bach tot organist van de Onze-Lieve-Vrouwekerk hebben benoemd en aanvaard, op voorwaarde dat hij ons en onze kerk trouw en regelmatig bezoekt, een deugdzaam en voorbeeldig leven nastreeft, bovenal zijn leven lang trouw blijft aan de ongewijzigde Augsburgse Confessie, de Formula Concordiae en andere symbolische geloofsbelijdenissen, ijverig naar het altaar van deze kerk blijft gaan en godvruchtig gehoorzaam is aan het Woord van God, en zo zijn geloofsbelijdenis en christelijk karakter aan de hele congregatie laat zien. Verder is hij, wat de uitoefening van zijn ambt betreft, verplicht: (1) op alle hoog- en feestdagen, en alle andere als zij zich voordoen, en op de vooravonden van zulke dagen, en iedere zondag- en zaterdagmiddag, alsmede bij de gewone catechismusdiensten en openbare bruiloften, het grote orgel te bespelen ter bevordering van de kerkdienst naar beste vermogen en ijver, en op zodanige wijze dat soms ook het kleine orgel en het regaal bespeeld zullen worden, in het bijzonder op hoogfeesten voor de koralen en de concerterende muziek. Hij is ook (2) gewoontegetrouw - op hoogfeesten en andere feesten, alsmede op iedere derde zondag - aanwezig, om met de Cantor en de Koorleerlingen, alsmede met de Stadsmuzikanten en andere instrumentalisten, een aansprekend en goed klinkend geestelijk werk voor te dragen; en bij buitengewone gelegenheden - op de tweede en derde van de drie feestdagen met Kerstmis, Pasen en Pinksteren - korte concerten te geven met de cantor en de leerlingen, en soms ook met violen en andere instrumenten; en om alles op zo'n manier te doen dat de leden van de gemeente des te meer geïnspireerd en verkwikt worden in de eredienst en in hun liefde voor het Woord van God. Maar in het bijzonder is hij (3) verplicht de gekozen teksten en muziek tijdig ter goedkeuring mee te delen aan de hoofdvoorganger van onze kerk, de consistoriaal adviseur, dr. Heinecke, voor welk doel hij hierbij wordt verwezen naar de consistoriaal adviseur. Verder dient hij (4) de gewone koralen en de door de predikant voorgeschreven koralen, voor en na de preken op zon- en feestdagen, alsmede bij het avondmaal en de vespers en op de vooravond van feestdagen, aandachtig te begeleiden, langzaam en zonder ongebruikelijke versieringen, in vier of vijf stemmen, op de prestant [een orgelregister], bij elk couplet van registers te wisselen, ook de vijfde en de rietblazers [ook: orgelregisters] te gebruiken; de gekozen registers, alsmede syncopaties en suspensies, op zodanige wijze dat de congregatie het orgel kan gebruiken als de basis van goed samenspel en gelijkklinkende tonen [unisono], en aldus godvruchtig kan zingen en lof en dank brengen aan de Allerhoogste. (5) Dienovereenkomstig wordt hem bij deze toevertrouwd de grote en kleine orgels, alsmede het kerkregaal en andere instrumenten die de kerk toebehoren, gespecificeerd in een voor hem op te maken inventaris, en wordt hem opgedragen er goed op toe te zien dat de eerste in goede staat worden gehouden wat betreft hun blaasbalgen, pijpen, registers en andere toebehoren, en in goede stemming, zonder dissonanten; en als iets zwak of defect wordt, dit onmiddellijk te melden aan de superintendant of, als het belang ervan het rechtvaardigt, aan de kerkenraad, zodat het kan worden gerepareerd en grotere schade kan worden voorkomen. Maar het regaal, dat uit de kerkkas werd gekocht, evenals de andere muziekinstrumenten, mogen alleen voor de dienst in onze kerk worden gebruikt, en in geen geval aan andere kerken worden uitgeleend, laat staan voor festiviteiten, zonder onze toestemming; en als een ervan door nalatigheid verloren gaat, of stuk gaat, moet de schade door hem worden vergoed. Voor deze inspanningen moet hij jaarlijks uit de kerkelijke ontvangsten een wedde ontvangen van 140 thlr., alsmede 24 thlr. voor zijn huisvesting en 7 thlr. 12 gr. voor hout; ook, voor het componeren van de catechismusmuziek 1 thlr. per keer, en voor elke bruiloftsmuziek 1 thlr. Waartegenover hij belooft, gedurende de tegenwoordige verbintenis geen nevenbetrekking te zullen aanvaarden, maar uitsluitend en ijverig zijne plichten in deze kerk te zullen vervullen, terwijl het hem echter vrij staat, andere inkomsten te zoeken, door het geven van onderwijs of anderszins, zolang hij dit kan doen zonder de genoemde plichten te verwaarlozen. Ten blijke waarvan wij dit Certificaat van Benoeming in tweevoud hebben doen verlijden onder het grootzegel van deze Kerk, beide exemplaren met onze eigen handen hebben ondertekend, zoals [ook] door de organist is gedaan, en hem één exemplaar hebben gegeven en het andere voor de kerkelijke archieven hebben bewaard.

Opgemaakt te Halle, 14 december 1713

Ondertekend [zegel] ANDREAS OCKEL [zegel] AUGUSTUS BECKER [zegel] A. MATTHESIUS, DM. [zegel] FRIDRICH ARNOLD REICHHELM [zegel] CHRISTOPHER SEMLER [zegel] CHRISTIANUS KNAUT [zegel] CT. W. AMSCHEL [ZEGEL] JOHANN GOTTHILF KOST

Halle: 1713-1714 [onkostenvergoeding Bach in Halle]


Uit het rekeningenboek van de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Halle

Hoofdboeking Proceskosten en kopiistengeld voor het contract van de organist, in tweevoud: 12 gr. Algemene uitgaven aan de organist, de heer Bach, voor de uitvoering van de proefmuziek en reiskosten: 12 rthl. Aan de eigenaar van de herberg van de Gouden Ring: 7 rthl. Aan de koerier naar de organist in Weimar, honorarium en wachtgeld: 1 rthl. 12 gr.

Gespecificeerde rekening van de Herberg van de Gouden Ring. Uitgaven die de heer Bach heeft gedaan. Voor voedsel 2 rthl. 16 gr. Voor bier 18 gr. Voor brandewijn 8 gr. Voor warmte 1 rthl. 4 gr. Voor onderdak en licht 2 thlr. voor tabak 4 gr. In totaal 7 rthl. 2 gr.

Halle, 15 december 1713 [kwitantie reiskosten]


Collegio Baetae Mariae Virginis

Twaalf thaler zijn mij, ondergetekende, door het Collegio Baetae Mariae Virginis uitbetaald voor reiskosten, hetgeen hierbij dankbaar wordt vastgelegd.

gedateerd Halle, 15 december 1713

Johann Sebastian Bach

Weimar: 14 januari 1714 [antwoord op uitnodiging voor post in Halle]


Aan kerkbestuurslid A. Becker te Halle

Meest Nobele, Meest Geëerde Heer,

Uw zeer geëerde brief met de roeping in tweevoud heb ik ontvangen. Ik ben u zeer erkentelijk voor het verzenden ervan, en daar ik het als een geluk beschouw dat het gehele Eerbiedwaardige Collegium voor mijn nederige ik heeft willen stemmen, zal ik des te meer geneigd zijn de Goddelijke wenk te volgen die uit deze roeping spreekt; Toch moet ik U verzoeken, Zeer Geëerde Heer, het niet verkeerd op te vatten dat ik u niet onmiddellijk op de hoogte kan brengen van mijn definitieve beslissing, om de redenen, ten eerste, dat ik mijn definitieve ontslag nog niet heb ontvangen en, ten tweede, dat ik in een of ander opzicht enkele wijzigingen zou willen laten aanbrengen, zowel wat het salaris als wat de taken betreft; over dit alles zal ik u in de loop van deze week schriftelijk inlichten. Intussen zend ik u dit afschrift terug, en daar ik mijn definitief ontslag nog niet ontvangen heb, zult gij het niet verkeerd opvatten, mijn Zeer Geëerde Heer, niet bezwaard te zijn door mijn verzoek aan dezen mijn nederigste hoogachting uit te spreken, dat op het ogenblik de tijd mij niet heeft veroorloofd een definitieve beslissing te geven, zowel wegens zekere verplichtingen aan het Hof in verband met de verjaardag van de Prins, als omdat de kerkdiensten op zichzelf zulks niet toelaten; doch die zal deze week formeel en zonder mankeren worden gegeven. Ik aanvaard met alle eerbied wat u mij hebt willen zenden en hoop dat ook het Geëerde Kerkbestuur er behagen in zal scheppen de enkele moeilijkheden die zich nog kunnen voordoen, uit de weg te ruimen. In de hoop op een spoedige en goede afloop, blijf ik,

Meneer Edele, Zeer Geëerde Heer, Uw meest loyale dienaar

JOH. SEBAST. BACH

Weimar, 14 januari 1714

Weimar: 2 maart 1714 [Bach wordt concertmeester te Weimar]


Uit 'Verslagen over het ambt van de vorstelijke hofmaarschalk van Weimar aan de Wilhelmsburg,' door T. B. Bormann, hofsecretaris

Op vrijdag 2 maart 1714 verleende Zijne Doorluchtige Hoogheid de regerende hertog de voormalige hoforganist Bach, op diens nederigst verzoek, de titel van concertmeester, met een officiële rang lager dan die van vice-kapelmeester Drese, waarvoor hij verplicht is maandelijks nieuwe werken uit te voeren. En voor de repetities daarvan zijn de kapelmuzikanten verplicht op zijn verzoek te verschijnen.

Weimar, 10 maart 1714 [geboorte C.Ph.E. Bach]


Inschrijving in de registers van de Stadskerk te Weimar

Een zoontje, geboren 8 maart, gedoopt op de 10e. Naam: Carolus Philippus Immanuel. Peetouders: 1. Dhr. Secretaris Adam Immanuel Weltzig, thans Meester der Pages en Kamermusicus aan het Hof van de Prins van S. Weissenfels. 2. De heer Georg Philipp Telemann, kapelmeester van de keizerlijke vrijstad Frankfurth aan de Mayn. 3. Mevrouw Catharina Dorothea Altmann, weduwe van wijlen de heer Christian Friedrich Altmann, Kamerheer aan het vorstelijk hof van Schwarzburg in Arnstadt.

Weimar: 19 maart 1714 [antwoord op brief m.b.t. een post in Halle]


Aan kerkbestuurslid A. Becker te Halle

Meest Nobele, Meest Hooggeleerde, en Meest Geachte Heer!

Dat het Hooggeëerde Kerkbestuur verbaasd is dat ik de gewenste post van organist, waarnaar ik, zoals u denkt, streefde, heb moeten weigeren, verbaast mij in het geheel niet, daar ik zie dat zij zo weinig over de zaak hebben nagedacht. U zegt dat ik gesolliciteerd heb naar het ambt van organist, maar ik weet daar niets van. Wat ik wel weet, is dat ik mijzelf heb voorgesteld en dat het meest geëerde Collegium zich tot mij heeft gewend; want nadat ik mij had voorgesteld, had ik onmiddellijk moeten vertrekken als het verzoek en de hoffelijke uitnodiging van Dr. Heineccius mij er niet toe hadden gedwongen het stuk te componeren en uit te voeren waarvan u weet. Bovendien mag men niet aannemen, dat men naar een plaats gaat, waar iemands omstandigheid er op achteruit gaat; maar dit kon ik niet nauwkeurig in veertien dagen of drie weken duidelijk krijgen, daar ik geheel en al van mening ben, dat men zelfs na vele jaren niet goed kan weten, hoe men in zijn levensonderhoud voorziet op een plaats, waar men bijkomstige honoraria tot zijn inkomen moet rekenen, laat staan in veertien dagen; en dat is min of meer de reden, waarom ik de benoeming eerst aanvaardde en daarna, op verzoek, op mijn beurt afwees. Maar uit al deze omstandigheden mag geenszins worden afgeleid, dat ik het Vereerd Kerkbestuur zo'n streek zou hebben geleverd om mijn Barmhartigste Meester ertoe te bewegen mijn salaris te verhogen, daar deze reeds zoveel genade jegens mijn dienst en kunst betoont, dat ik naar Halle had moeten reizen om mijn salaris te laten verhogen. Ik betreur het dan ook, dat de verzekering van het Vereerd Kerkbestuur aldus een enigszins onzekere uitkomst heeft gehad, en voeg er het volgende aan toe: Zelfs als ik in Halle een even goed salaris had gekregen als hier, zou ik dan niet verplicht zijn geweest de vorige dienst te verkiezen boven de andere? U, als rechtsgeleerde, kunt dit het beste beoordelen en, als ik u vragen mag, dit als mijn verantwoording voor te leggen aan het kerkbestuur van Halle. Ik blijf, op mijn beurt,

Uwe Eerw.'s gehoorzame

JOH. SEB. BACH

Concertmeester en Hoforganist

Weimar, 19 maart 1714

Weimar: 22 maart 1714 [Bach wordt peetvader van Johann Friedrich Immanuel Weldig]


Ev. kerkgemeenschap Weißenfels-Altstadt, doopregister

De 22e Maart 1714. De Hoogvorstelijke Saksische Pagehofmeester, en kamermusicus, heer Adam Immanuel de Weldig, een zoon. Johann Friedrich Immanuel. 1. Dhr. Licent. Friedrich Zeidler, van de prinselijke Saksisch Merßeburg Consistorisch Protonotarius, en Syndicus van de gezamenlijke Land-Staten. 2. Zijn echtgenote, mevr. Eleonora Sophia Zeidler, née Albertin. 3. Dhr. Johann Sebastian Bach, concertmeester en kamerorganist van de vorstelijke Saksen-Weimar. [Namens hem aanwezig:] plaatsvervangend Dhr. Secr. Eylenberg.

Weimar: 23 maart 1714 [brief aan musici hofkapel]


Aan de musici van de hertogelijke kapel

NB. Het thuis of in de woning repeteren van de muziekstukken werd op 23 maart 1714 veranderd, en er werd uitdrukkelijk bepaald dat dit altijd in de kerkkapel moet gebeuren.

[noot: 2 dagen later zou cantate BWV 182 gepresenteerd worden]

Weimar: 5 oktober 1714 - 16 mei 1716 [betalingen m.b.t. Bach]


Uit het hertogelijk register

2 fl. 6 gr. voor 1 riem [is vaak 500 vel, kostende grofweg 0,32 euro per vel] stevig papier voor de muziek van de concertmeester, 5 oktober 1714.

2 fl. 6 gr. aan de koopman Johann Christian Hindorff voor 2 bundels snaren besteld door concertmeester Bach, 21 juni 1715.

2 fl. 6 gr. voor 1 riem stevig papier voor dhr. concertmeester Bach, 16 mei 1716.

Weimar: 20 maart 1715 [salarisverhoging Bach]


Uit het staatsarchief van Weimar

Op 20 maart 1715 werden de beide kapelmeesters, Drese Senior en Junior, op bevel van Zijne Doorluchtige Hoogheid de regerende Hertog, ervan in kennis gesteld dat de concertmeester Bach voortaan bij de verdeling van privileges en honoraria de bezoldiging van een kapelmeester en slotvoogd Biedermann de bezoldiging van een kamermusicus zullen ontvangen, en dat het nieuwjaarsgeld dat binnenkomt, hen onmiddellijk in die mate zal worden uitbetaald.

Weimar, 4 april 1715 [afrekening voor dichtbundel]


Staatsarchief Weimar, Rekening van de Ontvangst en Besteding van Geld door de Prinselijk-Saksische Particulierenkamer te Weimar van 1715 tot 1716

45 [florijnen] 15 [groschen] aan de Consistoriale Secretaris Francken, Mons: Castelli, Concertmeester Bach, Heer Kamerschijver Schnorrens, beide zonen en de boekdrukker, voor de gepresenteerde bundel, de 4e april 1716 [Nr.] 843.

Weimar: 11 mei 1715 [geboorte Johann Gottfried Bernhard]


Inschrijving in de registers van de Stadskerk

Aan de echtgenote van de heer Johann Sebastian Bach, p. S. Kamermusicus, Concertmeester en Hoforganist, Maria Barbara née Bach, een zoontje geboren op 11 mei, gedoopt op de 12e. Johann Gottfried Bernhard. [Peetouders:]

1. Dhr. Johann Andreas Schanert, Griffier van het Hof van Hohenlohe in Ohrdruf. 2. Dhr. Johann Bernhard Bach, prinselijk Saksisch kamermusicus en tevens hof- en stadsorganist te Eisenach. 3. Mevrouw Dorothea Emmerling, echtgenote van de heer Emmerling, Vorstelijk chef van Schwarzburg in Arnstadt.

Weimar: 22 april 1716 [inspectie van het nieuwe Chr. Cuntzius orgel te Halle]


Zeer nobele, zeer geëerde heer!
Ik ben u zeer erkentelijk voor het uitzonderlijke en zeer genadige vertrouwen van u en uw gehele nobele Collegium; en aangezien het mij altijd een groot genoegen is om u mijn meest onderdanige diensten aan te bieden, zal ik nu des te ijveriger zijn om u op de afgesproken tijd op te wachten en u dan, voor zover het in mij ligt, tevreden te stellen met het gewenste onderzoek. Ik verzoek u dan ook, zonder al te veel moeite te doen, mijn besluit aan het eerbiedwaardige collegium mede te delen en hun tegelijkertijd mijn meest gehoorzame groeten over te brengen en hen te verzekeren van mijn gevoel van eerbiedige verplichting voor hun zeer bijzondere vertrouwen.
Aangezien bovendien Uwe Edelachtbare zo goed bent geweest, voor mij niet alleen in het heden, maar ook in het verleden veel moeite te doen, erken ik dit met gehoorzame dank, en verzeker ik, dat het mij altijd het grootste genoegen zal verschaffen, mij van Uwe Edelachtbare en mijn Zeer Geëerde Heer te mogen noemen
uw meest gehoorzame dienaar
JOH.SEB.BACH
Concertmeester
Weimar, 22 april 1716

Halle, 1 mei 1716 [orgelkeuring]


Aan de OLV-kerk te Halle

Overwegende dat het het Eerbiedwaardige Collegium Marianum van de stad Halle behaagd heeft de ondergetekenden schriftelijk te verzoeken op 29 april jl., eergisteren, te verschijnen en het grote nieuwe orgel in de Onze-Lieve-Vrouwekerk, dat bij de Gratie Gods en tot Zijn Glorie gebouwd is door de orgelbouwer Mr. Christoff Cuncius, en te noteren wat wij er goede of slechte zaken in zouden vinden, en in het algemeen ons oordeel daarover bekend te maken; dienovereenkomstig, in het meest plichtsgetrouwe antwoord op dit genadige verzoek en het vertrouwen dat in onze ervaring en bekwaamheid werd uitgesproken, verschenen wij hier op de afgesproken dag en ondernamen, na de voorname opdracht mondeling aan ons te hebben laten herhalen, in Gods Naam het onderzoek van het nieuwe orgel in de genoemde kerk. Waarin: (1) wij de balgenkamer groot genoeg vonden voor de balgen, en goed beschermd tegen slecht weer; maar hebben ook opgemerkt dat, aangezien het raam naar het westen is gericht, de balgen worden blootgesteld aan buitensporige hitte van de zon, en daarom zal een gordijn of een andere bescherming tegen de zon nodig zijn voor de tijd dat het orgel niet in gebruik is. (2) De blaasbalgen zelf 10 in getal zijn (hoewel de bouwer er in het contract slechts 9 beloofde, misschien omdat hij dacht aan het gezegde 'baat het niet dan schaadt het niet', en dat het even aantal te verkiezen was boven het oneven omwille van de opstelling van de blaasbalgen. De wind zou de vloeistof in de winddrukmeter echter niet tot de 35e of 40e graad opdrijven, die anders in orgels van deze grootte vereist is en die men in andere orgels met een goede windvoorziening aantreft, maar slechts tot de 32e of 33e graad. Het gevolg was, dat bij het bespelen van het Grote Orgel een zekere hapering in de blaasbalg werd waargenomen. Men zou dit kunnen verdragen, indien het 'Ober Werck', op het middenklavier, niet haperde - want dit wordt tot de ernstige gebreken gerekend. (3) Wat echter de windladen betreft, vonden wij geen enkel zichtbaar gebrek, en zij hebben ook de proef doorstaan, waarbij de toetsen van manuaal en pedaal tegelijk werden ingedrukt, zonder dat wij enig lek bemerkten, behalve een beetje in het middelste manuaal; dit wordt echter veroorzaakt door het feit dat de bovenste planken niet al te stevig zijn vastgeschroefd, en kan gemakkelijk worden gecorrigeerd. En onder de ventielen zijn geen dubbele of driedubbele veren geplaatst, zoals slechte bouwers vaak gebruiken om piepen te voorkomen, maar overal enkele. Dit feit zou het klavier vrij gemakkelijk te bespelen moeten maken. Niettemin zal het nodig zijn de toets nog iets lichter te maken, zonder de snelle uitslag van de klavieren (d.w.z. de toetsen) te belemmeren, laat staan dat er een piepend geluid wordt veroorzaakt. De bouwer heeft er dus mee ingestemd de toetsen in deze toestand te brengen. (4) Wat de behuizing van het orgel betreft, zou een grotere ruimte inderdaad wenselijk zijn geweest, zodat alles niet zo dicht bij elkaar had behoeven te staan, en alles gemakkelijker bereikbaar zou zijn geweest. (5) Voor het overige zijn alle in het contract gespecificeerde registers aanwezig, en zijn zij gemaakt van de daar genoemde materialen, behalve dat in plaats van de gespecificeerde metalen 16-voets Gemshorn-Bass een houten 32-voets Untersatz of Sub-Bass is voorzien, waarvan de afmetingen van de pijpen de afwezigheid van het metaal zouden moeten compenseren. Verder zijn de volgende afgewerkte en bruikbare registers boven op het contract geleverd: Spitzflöte 2 voet, Quinta 3 voet, Octava 2 voet, Nachthorn 4 voet, Quinta open 6 voet: dit alles van metaal [een legering van tin en lood). Daarentegen is het volgende weggelaten: De Fagott Bass, van tin, 8 voet, Gedackt, van metaal, 8 voet, Waldflöte, dito, 2 voet, Rohrflöte, dito, 12 voet. Evenzo heeft hij twee Cymbalen van 3 rijen voorzien in plaats van de twee Cymbalen van 2 rijen waar om was gevraagd. (6) En hoewel het niet ter sprake zal komen in welke verhoudingen de metalen zijn gelegeerd, is het gemakkelijk te zien dat (zoals gebruikelijk is) voor de registers die niet in het oog vallen meer tin dan lood is gebruikt; ook had het metaal van de pijpen in dit orgel iets zwaarder kunnen of moeten zijn. De pijpen die het front van het orgel vormen zouden moeten schitteren met een helder licht, en vermoedelijk werd het beste deel van het goede tin ervoor gebruikt; het feit dat zij dus niet schitteren moet niet aan de bouwer worden verweten, maar aan het roet dat erop is gevallen. Aan de andere kant is het zijn schuld als de klank vooral van de grote pijpen niet duidelijk te horen is, omdat er tekortkomingen zijn ten aanzien van de goede intonatie die er zou moeten zijn; welk gebrek is gebleken in verschillende van dergelijke pijpen, onder andere in de 32-voet Sub-Bass en Trombone Bass, evenals in andere rietregisters. Welnu, de heer Cuncius heeft niet alleen beloofd, daar hij de pijpen hier en daar nauwkeuriger zal moeten stemmen, daar wij ze in alle drie de klavieren tamelijk vals hebben bevonden, het systeem van redelijk goede stemming aan te nemen, dat hij ons bij gelegenheid heeft getoond, maar ook, wat de betere intonatie van sommige pijpen betreft, de correctie daarvan te zullen verzorgen. Hoewel het beter zou zijn geweest als hieraan vóór het onderzoek was gewerkt; en als we de onderdelen hadden kunnen inspecteren die nog ontbreken - namelijk de koppeling; twee tremulanten; twee sterren; een beweegbare zon in het Bovenpositief; en de vogelzang. Dit is dus wat wij, ondergetekenden, in gehoorzaamheid aan onze plicht en in het belang van de waarheid moeten melden betreffende dit orgel. Wij mogen daaraan toevoegen, dat wij hopen, dat het altijd met genoegen zal kunnen worden beluisterd en vele jaren gestadig zal blijven bestaan; tot Eer van de Allerhoogste en bijzondere goede naam van onze Edelmoedige Beschermheren, alsmede van de gehele waardige stad, in vrede en rust, tot aanmoediging van de Goddelijke eredienst. Halle, Philippi Jacobi Dag [11 mei 1716 [zegel] JOHANN KUHNAU [zegel] CHRISTIAN FRIEDRICH ROLLE [zegel] JOH. SEBAST. BACH

Halle, 2 mei 1716 [kwitantie reiskostenvergoeding]


Aan dhr. Becker

Zes thlr. samen met een verzegeld pakje zijn waarlijk door de heer Becker, Lic, aan mij ondergetekende betaald voor reiskosten, hetgeen hierbij dankbaar wordt bevestigd. Gedateerd Halle, 2 mei, anno 1716.

JOHANN SEBASTIAN BACH

Prinselijk concertmeester en hoforganist van Saxe-Weimar, etc. etc.

Erfurt, 13 juli 1716 [orgelkeuring]


van Bach en Weise voor orgelbouwer Schröter

Overwegende dat wij, ondergetekenden, het nieuwe orgel, gebouwd door de heer Johann Georg Schröter in de St. Augustinus van Luthers belijden te Erffurth, daartoe aangesteld als keurmeesters, hebben beproefd en na voldoende onderzoek hebben bevonden dat het getrouw is gebouwd en goed, in overeenstemming met het contract; en bovendien heeft de genoemde Mr. Schröter ons verzocht hem een verklaring te geven voor de ijver die hij aan dit werk heeft besteed; daarom hebben wij getracht deze wens hiermee, naar billijkheid, te bevredigen en moeten wij hieraan toevoegen, tot zijn eer, dat hij (zoals reeds is vermeld) getrouwelijk heeft voldaan aan de voorwaarden van het contract dat voor dit werk is opgesteld; bovendien is het niet meer dan terecht dat men hem feliciteert met het feit dat het eerste orgel dat hij als bouwmeester heeft voltooid, zo goed is gelukt, en dat men er bijgevolg niet aan mag twijfelen dat hij, met betrekking tot de verdere werken die hij zal ondernemen, deze even ijverig en onvermoeibaar zal voltooien, gebruik makend van de kennis die God hem heeft geschonken. Dit alles konden noch wilden wij hem weigeren, uit eerbied voor de waarheid.

Gegeven te Erffurth, 13 juli 1716

JOHANN SEBASTIAN BACH

JOHANN ANTON WEISE

Concertmeester en Hoforganist Orgelbouwer, aan de Prins van Saksen-Weimar van Arnstadt

[verwijzing naar Bach in een boek van Johann Mattheson]


Uit 'Das beschützte Orchestre'

Ik heb dingen gezien van de beroemde organist van Weimar, Mr. Joh. Sebastian Bach, zowel voor de kerk als voor de vuist [ofwel: het klavier], die zeker van dien aard zijn dat men de man hoog moet achten.

Weimar: na 12 april 1717 [Bach valt in voor een collega]


Uit het hertogelijke privé-rekeningenboek 1717

12 rthl. aan de concertmeester Bach, op 12 april, kwitantie nr. 13

Weimar: 2 april 1717 [drukwerk voor een Passie]


Van drukker Reyher aan dhr. Witt, vorstelijke Saksische kapelmeester

Op gracieus vorstelijk bevel werden 20 ingebonden boekjes voor de dit jaar op te voeren Passie aan de vorstelijke hofkapel afgeleverd aan de vorstelijke Saksische kapelmeester, dhr. Witt; daar één exemplaar 1 gr.3 pf. kost, kosten deze 20 exemplaren 1 fl. 4 gr.

Gotha, op 2 april 1717

CHRISTOPH REYHER, hofdrukker

Weimar: na 12 april 1717 [drukwerk voor een Passie]


Uit het hertogelijke privé-rekeningenboek 1717

1 fl. 4 gr. voor 20 Passie-boekjes die aan de vorstelijke hofkapel werden geleverd, betaald aan de drukker Christoph Reyher, op 12 april 1717. nr. 2447

Weimar: 6 november - 2 december 1717 [Bach wordt bijna 27 dagen lang opgesloten en oneervol ontslagen]


Uit het verslag van de secretaris van het hof 1717

Op 6 november [1717] werd de voormalig concertmeester en organist Bach opgesloten in de plaats van bewaring van de rechter van het Graafschap wegens te hardnekkig aandringen op zijn ontslag en tenslotte op 2 december vrijgelaten van arrestatie met kennisgeving van zijn oneervol ontslag.

Weimar: 1717 [solicitatie J.L. Bach aan het eind van zijn studie bij J.S.]


solicitatiebrief

...sinds ik een aantal jaren bij de prinselijke concertmeester en kamermusicus in Weimar verbleef, heb ik mij zodanig geoefend en bekwaamd in vocale en instrumentale muziek, dat ik het gewenste cantoraat met welgevallen van mijn superieuren en hun parochie op mij kan nemen...

Weimar: +/- 1717 [Inhoud Orgelbüchlein BWV 599-644]


titelblad

Klein Orgelboek (met 48 gerealiseerde koralen), waarin een beginner op het orgel wordt onderwezen in het ontwikkelen van een koraal op vele verschillende manieren, en tegelijkertijd in het verwerven van vaardigheid in de studie van het pedaal, aangezien de koralen die het bevat het pedaal als geheel obbligato wordt behandeld.
Ter ere van de Almachtige wil
en voor de grotere vaardigheid van mijn naaste
Autore
Joanne Sebast. Bach
Pleno Titulo Capellae Magistro
Serenissimi Principis Regnantis
Anhaltini Cothensiensis

Köthen: achtste woonplaats (1717-1723)


Nederlandse Tekst

Köthen: 29 dec 1717 - 6 mei 1718 [Bach ontvangt salaris]


Uit het verslag van de Prinselijke Kapel

a. 29 dec. [1717]. De nieuw aangekomen Kapelmeester, heer Johann Sebastian Bach ontvangt maandelijks 33 rth. 8 gr. en heeft dat bedrag vanaf 1 augustus [1717] naar behoren ontvangen;

b. 7 augustus. Aan dezelve een allergenadigste schadeloosstelling bij het aanvaarden van de benoeming: 50 thlr.

c. 29 dec. Voor de maanden augustus, sept., okt., nov. en december 1717 tot 1 januari 1718, volgens het register, fol. 1, nr. 245: 166 thlr. 16 gr.

d. 5 febr. [1718] Voor de maand januari: 33 tlr. 8 gr.

e. [februari) 28. Voor de maanden februari en maart, Joh. Seb. Bach: 66 thlr. 16 hr.

f. 2 april. Voor de maand april: 33 thlr. 8 gr.

g. [april] 30. Voor de maand mei: 33 thlr. 8 gr.

h. 6 mei. Voor de maand juni voor de reis naar Karlsbad: 33 thlr. 8 gr.

Leipzig: 17 December 1717 [orgelkeuring]


Aan dhr. Rechenberg

Sinds het verzoek van zijne Meest Nobele Hoogheid Dr. Rechenberg, op dit ogenblik Recor Magnificus van de Hoogwaardigste Academie te Leipzig, heb ik het onderzoek van het orgel in de Pauluskerk, dat gedeeltelijk nieuw gebouwd en gedeeltelijk hersteld is, op mij genomen. Ik heb hetzelve naar mijn beste vermogen volbracht, van alle gebreken nota genomen, en wenste in het algemeen omtrent het gehele orgel de volgende opmerkingen te maken, te weten:

(1) Wat de gehele constructie van het orgel betreft, is het enerzijds niet te ontkennen, dat deze structuur zeer krap is uitgevoerd, en het dus moeilijk zal zijn bij elk deel te komen, voor het geval er te zijner tijd iets te repareren mocht zijn, maar anderzijds is Dhr. Scheibe, als de contractant van genoemd orgel, zich hiervoor verontschuldigd op grond van het feit dat in de eerste plaats de orgelkas niet door hem was gebouwd, en hij dus zo goed als hij kon binnen de gegeven ruimte verder moest, en in de tweede plaats hem niet de extra ruimte werd gegund waarom hij had verzocht om de constructie handiger te kunnen inrichten.

(2) De gebruikelijke hoofdonderdelen van een orgel - namelijk de windladen, balgen, pijpen, wellenborden, en de andere onderdelen - zijn goed en zorgvuldig gemaakt, en er is verder niets over te zeggen, behalve dat de wind overal gelijk moet zijn, om incidentele plotselinge schommelingen in de winddruk te voorkomen. De wellenborden zouden inderdaad in raamwerken moeten worden vastgezet, om bij slecht weer gehuil te voorkomen, maar aangezien de heer Scheibe ze, zoals zijn gewoonte is, met tableaus heeft gemaakt en de verzekering geeft dat deze laatste zullen bereiken wat anders met raamwerken zou moeten worden bereikt, is dit door de vingers gezien.

(3) De in de dispositie, zowel als in alle contracten opgesomde onderdelen zijn zowel in aantal als in soort aanwezig, met uitzondering van twee tongwerken, te weten Schallmey 4 voet en Cornet 2 voet, die ingevolge de aanwijzingen van het Edelachtbare Collegium moesten worden weggelaten, en in hun plaats is de Octaaf 2 voet in het Brustwerck [=borstwerk] en de Hohlflöte 2 voet in het Hinterwerk [=sic nevenwerk, geen rugwerk zoals gebruikelijk] geplaatst.

(4) De bestaande gebreken, die zich ten aanzien van de ongelijke intonatie hebben geopenbaard, moeten en kunnen terstond door den orgelmaker worden verholpen, zodat, in het bijzonder, de laagste pijpen van trombone en trompet-bas niet zo grof en lawaaiig aanspreken, maar een heldere en vaste toon zullen voortbrengen en houden, en de andere pijpen, die ongelijk zijn, zorgvuldig zullen worden gecorrigeerd en geëgaliseerd, hetgeen zeer goed kan geschieden, door het gehele orgel opnieuw grondig te stemmen, en dit bij beter weer dan voorheen.

(5) De aanslag van het orgel zou inderdaad iets lichter moeten zijn, en de toetsen zouden niet zo ver naar beneden moeten gaan, maar aangezien, vanwege de te nauwe constructie, deze toestand niet kon worden veranderd, moet het worden aanvaard zoals het is - het kan echter nog steeds zo worden bespeeld dat men niet bang hoeft te zijn dat men midden in het spel vast zal blijven zitten.

(6) Daar de orgelmaker ook een nieuwe windlade voor het brustwerck heeft moeten maken, boven hetgeen in het contract was voorgeschreven, omdat de oude windlade, die in plaats van de nieuwe dienst had moeten doen, in de eerste plaats een bovenblad [uit één stuk] heeft, en dus verkeerd en onaanvaardbaar is; en in de tweede plaats bevat zij, volgens het oude gebruik, een kort octaaf [het laagste octaaf van het klavier, waar de c, cis, d, dis, fis en gis ontbreken, maar de C staat naast de F, de D op de plek waar de Fis zou moeten zijn, en de E op de plek waar de Gis zou zijn [voor een pianist onbegrijpelijk]] , en de resterende toetsen, die ontbreken, konden niet worden aangebracht om de drie manualen gelijk te maken, maar zouden in plaats daarvan een verminking/vervorming hebben veroorzaakt - daarom was het hoogst noodzakelijk dat een nieuwe windlade zou worden gemaakt, de gebreken zouden worden vermeden die anders hinderlijk zouden zijn geweest, en een mooie conformité zou worden behouden. Daarom, en zonder een herinnering van mijn kant, moet de orgelbouwer worden vergoed en schadeloos gesteld voor de onderdelen die hij boven contract heeft vervaardigd.

Daarnaast heeft de orgelbouwer mij verzocht de Eerw. Raad er op te wijzen, dat men die zaken, die hij niet heeft geoffreerd, zoals het beeldhouwwerk, het verguldsel, ook de honoraria ontvangen door Mr. Vetter voor de inspectie, en mogelijk andere soortgelijke posten, ook niet bij hem in rekening brengt en hem zo op schulden jaagt, wat trouwens zeer ongebruikelijk is (anders zou hij een betere offerte hebben gemaakt) - dus hij bidt zeer nederig dat hij niet op enigerlei wijze op zijn kosten zal worden benadeeld.

Nu, tenslotte, kan het niet onvermeld blijven dat (1) het venster, d.w.z. dat deel ervan dat oprijst aan de achterzijde van het orgel, aan de binnenkant moet worden afgeschermd door een muurtje, of door een zwaar ijzeren plaat, om verdere dreigende schade door het weer te voorkomen.

(2) Het is gebruikelijk en van het grootste belang, dat de orgelbouwer zijn werk gedurende een jaar van een garantie voorziet, om alle verdere gebreken, die zich mochten openbaren, geheel op te lossen, en dit zou hij gaarne doen, indien hem maar de snelste en volledigste vergoeding werd toegekend voor de kosten, die hij heeft gemaakt boven die, welke in het contract zijn voorzien.

Dit is dus wat ik bij het onderzoek van het orgel noodzakelijk vond te rapporteren, de eer hebbende altijd ten dienste te staan van Uwe Edelachtbare Hoogheid Dr. Rechenberg en het gehele Eerbiedwaardige Collegium, en blijf

Uw eerbiedigste en meest toegewijde

JOH. SEB. BACH

Kapelmeester van de Prins van Anhalt-Cöthen, enz.

Leipzig, 17 december, Anno 1717

Köthen: 18 december 1717 [kwitantie voor Bachs inspectiewerk]


Uit het Universiteitsarchief

Dat ik van Zijne Nobele Grootheid, Heer Dr. Rechenberg, thans Rector Magnificus, namens de eerbiedwaardige Universiteit van Leipzig voor het onderzoeken en beproeven van het orgel in de Pauluskerk, en voor het wijzen op eventuele gebreken, 20 rthl., zegge twintig reichsthaler, als vergoeding heb ontvangen, zulks heb ik hierbij willen attesteren en erkennen, benevens gehoorzame erkentelijkheid. Gedateerd Leipzig, 18 december 1717.

JOH. SEB. BACH Kapelmeester, enz.

Köthen: 1 oktober 1718 [Bach ontvangt vergoedingen]


Uit de rekeningboeken van het Hof

1 oktober [1718]. Aan de Kapelmeester Bach, een jaar huur voor de Kapel (Collegium Musicum) van 10 december 1717 tot dezelfde datum 1718, 12 rth.

Köthen: 9 oktober 1718 [avondmaalbezoeken van Bach en zijn echtgenotes]


Protestants parochiekantoor van de Agnuskirche Köthen, communieregisters 1710-1719 en 1719-1728


Dom. XVII Trinitatis. [9.10.1718]
42. Heer kapelmeester Bach.
43. Zijn Echtgenote [Maria Barbara Bach]


Dom. Rogate. [14.5.1719]
55. Heer kapelmeester Bach


Dom. Oculi [3.3.1720]
66. Heer kapelmeester Bach


Dom: XI Trinit: [11.8.1720]
78 Heer kapelmeester


Dom. 1 Trinitatis [15.6.1721]
65 Heer kapelmeester Bach


Dom. Cantate [3.5.1722]
58 Heer kapelmeester Bach
59 Mevr. Bach [Anna Magdalena Bach]


Dom. XIV Trinitat. [6.9.1722]
44. Heer kapelmeester Bach
45. Mevr. Bach


Dom. IV Advent. [20.12.1722]
59. Heer kapelmeester Bach
60. Zijn echtgenote

Köthen: 10 dec. 1718 tot 10 dec. 1719 [repetities en onderhoud klavecimbel]


Uit de rekeningboeken van het Hof

13 oktober [1719]. Aan dezelfde [J. S. Bach], voor de repetities in zijn huis en voor het onderhoud van het klavecimbel, van 10 december 1718 tot 10 dec. 1719. 12 thlr.

Köthen: 20 oktober 1718 tot 24 augustus 1719 [betaling musici]


Uit de rekeningboeken van het Hof

a. 20 oktober [1718]. Aan dezelfde [J. S. Bach], voor het betalen van de discantist uit Rudolstadt die hier optrad 16 [thlr.].

b. [16 december 1718] Voor de baszanger Riemenschneider, die hier enige weken was, 40 [thlr.] . Voor de concertmeester Lienigke van Merseburg, 16 [thlr.]. Voor [de organist Johann Gottfried] Vogler uit Leipzig, 16 [thlr.]. Voor de discantist [Emanuel] Prese, 6 [thlr.]. Aan kapelmeester Bach betaald in aanwezigheid van de geachte raadsleden 78 [thlr.] .

c. [Augustus] 24 [1719] Aan de kapelmeester Bach, voor het betalen van een discantist 20 [thlr.].

Köthen: 17 november 1718 [doop Leopold August Bach]


parochiekantoor van de Jakobskirche Köthen, doopregister van de slotkerk 1608-1814

1718, de 17 November heeft de vorstelijke kapelmeester dhr. Johan Sebastian Bach, met zijn vrouw Maria Barbara een zoon, die den 15 november geboren is, gedoopt in de slotkerk, genaamd: Leopold Augustus. De peetouders waren 1) De Doorluchtige Prins. Dhr. Leopold, regerend Prins van Anhalt. 2) De Doorluchtige Prins, Mr. Augustus Ludwig, Prins van Anhalt. 3.) De Doorluchtige Hertogin, Mevrouw Eleonora Wilhelmina, de getrouwde Hertogin van Sachsen-Weimar, geboren Prinses van Anhalt. 4) De Zeer Wijze Heer Christoph Jost von Zanthier, Privaat Raadslid benoemd door Zijne Doorluchtige Hoogheid de Regerende Prins Leopold 5) De Zeer Wijze Mevrouw Juliana Magdalena, echtgenote van door Zijne Doorluchtige Hoogheid de Regerende Prins Leopold tot Hofmeester benoemde Heer Gottlob von Nostiz.

Köthen: 17 november 1718 [betaling reiskosten en klavecimbel]


Uit de akten van de Slotkerk

Köthen: 1 maart 1719 [betaling reiskosten en klavecimbel]


Uit de rekeningboeken van het Hof

1 maart [1719] Aan Kapelmeester Bach voor het in Berlijn gebouwde klavecimbel en reiskosten 130 [thlr.].

Köthen: 22 januari 1720 [titelblad Clavier-Büchlein für Wilhelm Friedemann Bach]


Clavier-Büchlein für Wilhelm Friedemann Bach

Klein Clavier-Boek voor Wilhelm Friedemann Bach, begonnen in Köthen op 22 januari A[nn]o 1720.

download ornamentaties in eigentijdse opmaak

Köthen: 7 juli 1720 [begrafenisbericht Maria Barbara Bach]


Uit het overlijdensregister van Köthen

7 juli [1720] werd de vrouw van de heer Johann Sebastian Bach, kapelmeester van Zijne Hoogheid de Prins, begraven. De gehele school [koor] betaalde echter slechts 2 thlr. aan de school.

Köthen: 19 december 1720 [Bach solliciteert in Hamburg]


Uit de notulen van de St. Jacobikerk van Hamburg

Anno 1720, 12 september. Heinrich Friese, de organist en klerk van deze kerk, is overleden. Waarop Anno 1720, November 21. De pastoor, met de twee heren van de congregatie, alsmede de vier pedellen namelijk - de heren Bernhard Cropp en Fridericus Wahn, beheerders van de Grafkerk, en de heren Johan Luttas en Johan Caspar Weber, jaarlijkse beheerders - waren samen in de kerkzaal, waar, nadat de formaliteiten waren vervuld, de heer Bernhard Cropp erop wees dat verschillende personen hun namen hadden opgegeven voor de keuze van een organist, die de vier pedellen hierbij presenteerden, te weten: De heer Matthias Christoph Wideburg; De heer Heinrich Zinck, organist te Itzeho; De heer Vincent Lübec Junior; De heer Johann Joachim Heitmann; De heer Johann Sebastian Bach; De heer Frenkel, organist te Ratzeburg; De heer Lüders; De heer Hertzog. Nadat deze namen waren voorgelezen, antwoordde de heer Beckhoff, in naam van de aanwezige heren; hierop werden verschillende punten besproken, namelijk:

(1) Hoeveel van de bovengenoemde acht personen moeten tot het proces worden toegelaten? Conclusum: Alle bekwamen moeten tot het proces worden toegelaten, indien zij daarom verzoeken.

(2) Welke personen moeten hier worden gevraagd om hun oordeel daarover te geven? Conclusum: Het werd noodzakelijk geacht om, naast de Eerbiedwaardige Cantor, drie organisten te vragen om te assisteren bij hetzelfde - namelijk de heer Johann Adam Reinike van de St. Catherinakerk, de heer Andreas Kniller van St. Peterskerk, en de heer Georg Preuss van de [Kerk van de?] Heilige Geest - en alles zou deze keer opnieuw moeten worden gedaan volgens de procedure van 26 november, Anno 1674.

(3) Op welk tijdstip moet het proces plaatsvinden, zodat de bevoegde personen zich daarvoor kunnen aanmelden? Conclusum: Het proces zou het best kunnen plaatsvinden op 28 november, zijnde donderdag, na de gebedsuren.

(4) De vraag werd gesteld of het gewenst was dat er geld zou worden gegeven voor de organistenpost; op dit punt werd besloten dat: Er waren vele redenen om de verkoop van een organistenpost niet in te voeren, omdat het deel uitmaakte van de dienstverlening aan God; daarom moest de keuze vrij zijn, en de capaciteit van de kandidaten moest meer in overweging worden genomen dan het geld. Maar als, nadat de keuze was gemaakt, de gekozen kandidaat uit vrije wil een blijk van zijn dankbaarheid wilde geven, kon dit ten bate van de Kerk en het Heilig Graf worden aanvaard, in de boeken worden ingeschreven en opnieuw worden gebruikt waar het nodig was.

Anno 1720, 19 december. In antwoord op de vriendelijke uitnodiging verschenen in de grote kerkzaal de pastoor, de heren Erdmann Neumeister, Walther Beckhoff en Henning Lochau, de huidige beheerders van onze geliefde congregatie, Bernhard Crop en Friederich Wahn, beheerders van het grafmonument, Johan Luttas en Johann Caspar Weber, jaarlijkse beheerders. Waarop de Senior Trustee van het Graf, na de formaliteiten te hebben vervuld, verklaarde dat het bij allen bekend was hoe op 28 november, na het proces en het verslag van de Cantor en de daarvoor uitgenodigde organisten, de keuze was vastgesteld op 12 december. Maar de heer Luttas had uitstel gevraagd totdat hij een brief zou ontvangen van de heer Johann Sebastian Bach, kapelmeester te Köthen, waarin de pastoor en de heren van de congregatie zich hadden neergelegd. Aangezien de heer Luttas nu een brief had ontvangen, had hij deze reeds aan de Pastoor en Heren van de Gemeente meegedeeld, en deze werd daarop in zijn geheel voorgelezen. Daarop werd in Gods Naam besloten tot de keuze over te gaan, en zo werd Johann Joachim Heitmann met meerderheid van stemmen viva voce gekozen tot organist en klerk van de St. Jacobikerk, hetgeen hem ook door de kerkbode was medegedeeld, en werd hem verzocht in de kerkzaal te verschijnen; intussen namen de Pastoor en de Heren der Gemeente afscheid. Toen hij daarop verscheen, werd hem de genoemde keuze door de pedellen medegedeeld, en hij betuigde van zijn kant zijn dank voor de hem betoonde vriendelijkheid, waarna allen huiswaarts keerden.

Leipzig: 1721-1750 [opvoeringsplaatsen van de diverse Passies]


Dagboek van de koster van de St. Thomas, Johann Christoph Sexton

Op Goede Vrijdag van het jaar 1721 werd in de vesperdienst de Passie voor het eerst in concerterende stijl uitgevoerd. Om kwart voor 2 werden alle klokken geluid, en toen het luiden klaar was, werd de hymne "Da Jesus an dem Creutze stund" gezongen vanaf de koorgalerij. Daarna begon onmiddellijk de Passie in concerterende stijl, waarvan de helft voor de preek werd uitgevoerd. Deze helft werd afgesloten met de hymne "O Lamm Gottes unschuldig," waarbij de voorganger naar de preekstoel opklom. Nadat hij de preekstoel had bereikt, werd "Herr Jesu Christ, dich zu uns wendt" gezongen. Na de preek begon de andere helft van de muziek, en toen die klaar was werd het motet "Ecce quomodo moritur justus" gezongen; daarna werd het lijdensvers gezongen en gebeden; tenslotte werd "Nun danket alle Gott" gezongen. In 1723 werd het op dezelfde manier gedaan. In 1723 werd de vesperdienst voor het eerst gehouden in de St. Nicolaaskerk. De preek ... werd gehouden door Superintend. D. [theol.] Deyling. In 1724 werd in de St. Nicolaas voor het eerst de Passie van de Cantor [Johannes Passion, BWV 245] uitgevoerd; in de St. Thom. werden alleen hymnen gezongen, zoals voorheen gebruikelijk was.
1725. in St. Thom. [Johannes Passion, BWV 245]
1726. in St. Nichol. [Reinhard Keiser, St. Markus Passion]
1727. te St. Thom. [Matthäus Passion, BWV 244]
1728. te St. Nichol. [Johannes Passion, BWV 245]
1729. St. Thomas [Matthäus Passion, BWV 244]
1730. St. Nicolaas [anonieme St. Lucas Passion, BWV 246]
1731. St. Thomas [Marcus-Passion, BWV 247]
1732. St. Nichol.
1733. Was de rouwperiode voor de koning.
1734. St. Thomas
1735. St. Nicholas
1736. St. Thomas, met beide orgels. (Matthäus Passion, BWV 244]
1737. St. Nicol.
1738. St. Thom.
1739. St. Thomas; uitvoering geannuleerd
[1740. St. Nicolaas]
[1741. St. Thomas; Matthäus Passion, BWV 244]
[1742. St. Nicolaas]
[1743. St. Thomas]
[1744. St. Nicolaas]
[1745. St. St. Nicholas]
[1747. St. Thomas]
[1748. St. Nicholas]
[1749. St. Thomas: Johannes Passion, BWV 245]
[1750. St. Nicolaas]

Köthen: 24 maart 1721 [opdracht bij de Brandenburgse Concerten]


Aan de Markgraaf van Brandenburg, Christian Ludwig

Omdat ik een paar jaar geleden het genoegen had voor Uwe Koninklijke Hoogheid te verschijnen, krachtens de bevelen van Uwe Hoogheid, en omdat ik toen bemerkte dat Uwe Hoogheid enig genoegen schepte in de kleine talenten die de Hemel mij voor de muziek heeft geschonken, en omdat bij het afscheid nemen van Uwe Koninklijke Hoogheid, Uwe Hoogheid zich verwaardigde mij te eren met de opdracht Uwe Hoogheid enige stukken van mijn composities toe te zenden: Ik heb toen, in overeenstemming met de meest genadige orders van Uwe Hoogheid, de vrijheid genomen om Uwe Koninklijke Hoogheid mijn meest nederige plicht te bewijzen met de huidige concerto's, die ik heb aangepast aan een keur van instrumenten; ik smeek Uwe Hoogheid zeer nederig om hun onvolmaaktheid niet te beoordelen met de strengheid van de fijne en delicate smaak waarvan de hele wereld weet dat Uwe Hoogheid heeft voor muziekstukken, maar om er veeleer in welwillende overweging het diepe respect en de meest nederige gehoorzaamheid uit af te leiden die ik Uwe Hoogheid daarmee tracht te bewijzen. Voor het overige, Sire, smeek ik Uwe Hoogheid zeer nederig de goedheid te hebben Uwe Hoogheid's gunst jegens mij te continueeren, en verzekerd te zijn, dat niets mij zo na aan het hart ligt als de wens, dat ik mag worden aangewend bij gelegenheden, Uwe Koninklijke Hoogheid en Uwe Hoogheid's dienst meer waardig [dan de hier voorliggende] - ik, die zonder gelijke in ijver ben, Sire, Uwe Koninklijke Hoogheid's nederigste en gehoorzaamste dienaar.

Köthen, 24 maart 1721

Jean Sebastien Bach

Köthen: 6 augustus 1721 [Bachs dienstmeisje als peettante van Johann Christian Kühne]


Uit het doopboek van de slotkerk Köthen 1608-1814

Andreas Kühne, soldaat van de prinselijke wacht alhier, heeft op 4 augustus een zoon gekregen, die in de slotkerk alhier is gedoopt en Johann Christian wordt genoemd.
De peetouders waren,
1.) Christoph Behler, prinselijke stalknecht alhier.
2.) Dienstmeid Anna Elisabeth, in dienst van de heer kapelmeester Bach alhier.
3.) Andreas Müller, wagenknecht alhier.

Schleitz: 7 augustus 1721 [onkostenvergoedingen]


Uit de rekeningboeken van het Hof

16 fl. 18 gr. aan de kapelmeester van Cothen, betaald 7 augustus [1721]. 3 fl. 14 gr. 8 pf. voor de kapelmeester Bach in de herberg van de Blauwe Engel, betaald 11 augustus. 20 gr. passagegeld van hier naar en van Gera, betaald aan de postmeester op 13 augustus.

Köthen: 25 september 1721 [Bach als peetvader van Johann Christian Hahn]


Parochiekantoor van de Agnuskirche Köthen, register van huwelijken, dopen en overlijdens 1718-1737

[Nummer 13], 25 sept.
Heeft Christian Hahn, vorstelijke kelderknecht alhier, met zijn vrouw Maria Elisabeth een zoon die geboren is de 23e september gedoopt, genaamd Johann Christian.
De peetouders waren,
1.) Dhr. Sebastian Bach, prinselijk kapelmeester hier.
2.) Juffrouw Magdalena Wilcke, prinselijke zangeres hier.
3.) Dhr. Christian Bernhard Lünecke, prinselijk kamermusicus hier.
4.) Dhr. Johann Ludwig Özel ...
5.) Mevr. Dorothea Maria...

Köthen: 3 december 1721 [Anna Magdalena en Johann Sebastian trouwen]


Uit het register van de Slotkerk

Op 3 december 1721 trouwden de heer Johann Sebastian Bach, weduwnaar, kapelmeester van Zijne Hoogheid de Prins, en mevrouw Anna Magdalena, de wettige jongste dochter van de heer Johann Caspar Wulcken, hof- en veldtrompettist van de muziek van Zijne Hoogheid de Prins van Saksen-Weissenfels, thuis, op gezag van de Prins.

Köthen: 1721-1723 [salarissen J.S. en Anna Magdalena Bach]


Uit de rekeningen van de Slotkapel

a. Voor 1721-1722: voor Bach weer 400 rth.; daarnaast krijgt zijn vrouw 26 rth. 16 gr. per maand;

b. Voor 1722-1723: zijn vrouw hetzelfde van 10 oktober tot 1 mei, volgens het boek, p. 2, 166 th. 16 gr.

Köthen: 1722 [titelblad 'Das Wohltemperirte Clavier, Boek I']


Das Wohltemperirte Clavier, Boek I

Het Wohltemperierte Clavier, of, preludes en fuga's door alle tonen en halve tonen, zowel wat betreft de tertia majeur of Ut Re Mi als wat betreft de tertia mineur of Re Mi Fa. Voor het gebruik en voordeel van de muzikale jeugd begerig naar het leren, alsmede voor het tijdverdrijf van degenen die reeds bedreven zijn in deze studie, opgesteld en geschreven door Johann Sebastian Bach p.t. Kapelmeester van Zijne Doorluchtige Hoogheid, de Prins van Anhalt-Cothen, etc., en Directeur van Zijn Kamermuziek. Anno 1722.

Köthen: 15 maart 1722 [brief aan de gemeenteraad van Erfurt]


Aan de gemeenteraad van Erfurt

Meest Nobele, Standvastige, Meest Geleerde, ook Wijze Heren, bijzonder Hooggeachte Heren en Patronen!

Het is Uwe Edelachtbaren reeds bekend hoe ik en mijn broer Joh. Jacob Bach (die in de Koninklijke Zweedse dienst is) tot gedeeltelijke erfgenamen zijn gekomen van de Lemmerhirt* nalatenschap. Daar ik nu officieus hoor, dat de andere eervolle mede-erfgenamen genegen zijn een proces over deze nalatenschap te beginnen, en daar dit noch mij noch mijn afwezige broeder zou schikken, daar ik niet genegen ben het Lemmerhirt testament in rechte te betwisten, maar tevreden ben met hetgeen mij daarin is geschonken en toegekend, uit hoofde waarvan ik hierbij voor mijzelf en sub cautione rati in naam van mijn broeder afstand wens te doen en formeel protest aanteken tegen elke gerechtelijke procedure. Nu heb ik het daarom noodzakelijk geacht Uwe Edelachtbaren hiervan gedienstig in kennis te stellen, met het nederigste verzoek, dat U mijn afstand en protest genadig wilt aanvaarden, en mij en mijn broeder de nog verschuldigde quota's uit de nalatenschap, zowel van hetgeen reeds in depot ligt als van hetgeen nog in de toekomst zal worden gedeponeerd, wilt kwijtschelden, welke hoge gunst ik met de meeste gehoorzame dank erken, en daarom blijf ik

Uw meest toegewijde dienaar

JOH. SEB. BACH

Köthen, 15 maart, Anno 1722

Kapellmeister van Zijne Hoogheid de Prins van Anhalt-Cöthen

Köthen: 1722-23 [vergoedingen voor stemmen en reparaties klavecimbels]


Uit de rekeningen van de slotkapel

a. 12 september 1722: aan de kapelmeester Bach voor reparaties aan het klavecimbel van de Prins, zonder de snaren, 1 thlr.

b. 30 december 1722: idem voor het stemmen van de grote klavecimbel, inclusief de [nieuwe?] snaren, 1 thlr. 8 gr.

c. 20 maart 1723: aan de kapelmeester Bach, die het klavecimbel heeft moeten stemmen, 1 thaler.

Köthen: 1722-23 [titelblad Inventies en Sinfonia's]


Inventies en Sinfonia's

Een duidelijke methode, waarin de liefhebbers van het klavier, en vooral zij, die het willen leren, een duidelijke weg wordt gewezen, niet alleen (1) om duidelijk tweestemmig te leren spelen, maar ook, na verdere voortgang, (2) om juist en goed met drie obbligato-partijen om te gaan; voorts om niet alleen goede inventies [thema's] te hebben, maar die ook goed te ontwikkelen en, bovenal, om tot een zingende stijl in het spel te komen en tegelijk een sterke voorsmaak van het componeren te verwerven.

Geproduceerd door

JOH. SEB. BACH

Kapelmeester van Zijne Doorluchtige Hoogheid
de Prins van Anhalt-Cöthen

Anno Christi 1723

Leipzig: na 9 augustus 1722 [vrijkomende vacature Thomascantor te Leipzig]


Uit Johann Salomon Riemer's Kroniek van Leipzig

1722: Op 5 juni overleed de heer Johann Kuhnau, muziekdirecteur in de twee hoofdkerken St. Thomas en St. Nicolaas, en idem in de St. Pauluskerk van de universiteit, en in niet mindere mate was hij cantor aan de St. Thomasschool, in de ouderdom van 62 jaar en 2 maanden, een geleerd man, expert in kunst, die niet alleen een goed begrip had van het Hebreeuws, Grieks en Latijn, maar ook, naast zijn muziek, een volleerd wiskundige was, en niet minder, voordat hij cantor werd, een geleerd jurist. Op 9 augustus legde de heer Telemann het examen voor het cantoraat af. Hoewel hij dit zowel mondeling als schriftelijk had nagestreefd, alsmede het directeurschap aan een eerbiedwaardige universiteit, werd toch, nadat hij in Hamburg een verhoging van een paar honderd thaler had ontvangen, zijn aanvraag ingetrokken.

Köthen: 26 oktober 1722 [Bach als peetvader van Sophia Dorothea Schultze]


Parochiekantoor van de Agnuskirche Köthen, register van huwelijken, dopen en overlijdens 1718-1737

[Nr. 86] de 26e oktober: doop: Sophia Dorothea Schultze, Dhr. Johann Caspar Schultze, dochter van de in dienst van deze Lutherse Kerk zijnde Cantor en zijn echtgenote.
1. Dhr. Joh. Sebastian Bach hoge prinselijke kapelmeester alhier.
2. Mevr. Sophia Elisabeth, echtgenote van Dhr. Philipp Jacob Mylü, hoogvorstelijk rechtsambtenaar en consistoriaal registrator alhier.
3. Mevr. Dorothea, echtgenote van dhr. Valentin Erdmann ... uit Dresden.

Leipzig: 21 december 1722 [sollicitatie Leipzig]


Uit de beraadslagingen van de gemeenteraad

21 december 1722: degenen die aan een examen voor het cantoraat moesten worden onderworpen, waren onlangs genoemd; anderen hadden zich gemeld, namelijk Kapelmeister Graupner uit Darmstadt en Bach uit Köthen; [Johann Friedrich] Fasch verklaarde daarentegen dat hij niet kon lesgeven, naast zijn andere taken, en de kandidaat uit Merseburg verzocht opnieuw om hem tot het examen toe te laten. Besloten: Rolle, Kaufmann, en ook Schott moeten tot het examen worden toegelaten, vooral wat het onderwijs betreft.

1722 [Clavier-Büchlein Anna Magdalena Bach]


Klein Klavierboek voor Anna Magdalena Bach. Anno 1722.

Leipzig: 15 januari 1723 [overweging om Bach tot de tests toe te laten]


Uit de beraadslagingen van de gemeenteraad

15 januari 1723: Hofraadsheer en burgemeester Dr. Lange verklaarde dat de kapelmeester van Darmstadt, de heer Graupner, zich had gemeld en zondag auditie zou doen; hij had overal een goede naam, zoals uit verschillende brieven bleek, maar er moest voor worden gewaakt dat hij ontslag kon krijgen van zijn Hof. Zijn aandacht was hierop gevestigd, maar hij had verklaard dat hij geen harde verplichting had en had uitgelegd wat hem tot deze verandering had bewogen. De vraag was nu alleen of, als zijn proefspel goed zou verlopen, hem het Cantoraat zou worden verleend, en of Zijne Eerwaarde de Landgraaf niet van te voren zou moeten worden aangeschreven. . . . Bisschoppelijk raadslid Dr. Born: omdat de heer Graupner zo'n goede naam had, dat Kauffmann hem zelfs beter vond dan hijzelf, neigde ook hij naar Graupner en stelde hij voor te overwegen of de leerlingen van de Thomasschool niet verplicht zouden moeten worden zich aan te bieden voor het geval ze nodig waren, waar ze zich ook bevonden. . . . Dr. Hazel: Van Rolle werd gezegd dat hij Telemann overtrof, en hij zou ook gehoord kunnen worden; hij steunde de stem van Bisschoppelijk Raadslid Dr. Born en was geneigd Graupner te bevoordelen. Commissaris Wagner: Stemde, op de aangegeven gronden, voor Graupner, met de toegevoegde voorwaarden dat hij de vraag ter overweging gaf of Rolle en Bach ook tot het examen moesten worden toegelaten.

Leipzig: na 2 februari 1723 [krantenbericht over Bachs geslaagde auditie voor de post van cantor]


Uit nieuwsblad ‘Hamburg Relationscourier’

Op zondag j.l. 's morgens heeft de eerwaarde kapelmeester van Köthen, de heer Bach, hier in de Thomaskerk zijn proeve afgelegd voor het tot nu toe vacante cantoraat, waarbij de muziek van de heer Bach bij die gelegenheid door alle goed geïnformeerde personen ruimschoots werd geprezen. Ook de heer Schott, directeur van het Collegium Musicum alhier, heeft op het Feest der Zuivering [2 februari] in de Nieuwe Kerk zijn proeve afgelegd, en de bovenbedoelde vacante plaats zal thans zeer spoedig door de Eerwaarde en Wijze Raad worden ingevuld.

Leipzig: 7 februari 1723 [Bach slaagt op 2 febr. voor tests m.b.t. de vacature van Thomascantor]


Uit Johann Salomon Riemer's Kroniek van Leipzig

1723: Op 7 februari, Sacramentszondag, slaagde de heer Sebastian Bach, toen kapelmeester te Köthen, voor het ambt van Cantorij, dat door het overlijden van wijlen de heer Kuhnau vacant was geworden. Enige tijd daarvoor hadden vier anderen hun test afgelegd, namelijk (1) de kapelmeester van Altenburg , (2) de heer Graupner, kapelmeester van Darmstadt, en (3) de heer Georg Balthasar Schott, Dir. Musices in de Nieuwe Kerk [en als vierde had G.F. Kauffmann uit Merseburg hierbij moeten staan].

Leipzig: 9 april 1723 [sollicitatie Leipzig]


Uit de beraadslagingen van de gemeenteraad

9 april 1723: De man die de voorkeur had gekregen voor het Cantoraat, namelijk Graupner, kon zijn ontslag niet voor elkaar krijgen - de Landgraaf van Hessen-Darmstadt wilde hem eenvoudigweg niet ontslaan. De anderen die in aanmerking kwamen waren de Kapelmeester uit Köthen, Bach; Kauffmann uit Merseburg; en Schott hier, maar geen van de drie zou ook les kunnen geven, en in het geval van Telemann was al een verdeling [van de taken] overwogen. Bezwaar van raadslid Plaz: deze laatste suggestie achtte hij om verschillende redenen enigszins aanvechtbaar; daar de besten niet te krijgen waren, zouden middelmatige moeten worden aangenomen. Over een man te Pirna waren ooit veel goede dingen gezegd.

Köthen: 13 april 1723 [ontslagbrief met aanbeveling Köthen]


Bij de gratie Gods maken wij, Leopold, Prins van Anhalt, enz., hierbij aan een ieder bekend op welke wijze wij de eerbiedwaardige en geleerde Johann Sebastian Bach, sinds 5 augustus 1717, als kapelmeester en directeur van onze kamermuziek in onze dienst en onder onze hoede hebben gehad. Overwegende, dat Wij te allen tijde tevreden zijn geweest met de wijze waarop hij zijn ambt heeft uitgeoefend, doch dat voornoemde Bach, die thans zijn fortuin elders wenst te zoeken, Ons dienovereenkomstig zeer nederig heeft verzocht hem een allergenadigst ontslag te verlenen, en dat het Ons derhalve behaagd heeft hem ditzelfde te verlenen en hem de hoogste aanbeveling te doen om elders in dienst te treden. Ten blijke waarvan Wij dit ontslag met Onze eigen handtekening hebben bekrachtigd en er Ons Vorstelijk zegel op hebben laten aanbrengen. Gedaan te Köthen, 13 april 1723.

Leipzig: 19 april 1723 [brief aan de gemeenteraad van Leipzig]


Aan de gemeenteraad van Leipzig

Waar ik, ondergetekende, aan de Edele en Wijze Raad van de stad Leipzig mijn kandidatuur heb voorgelegd voor de vacante post van Cantor aan de St. Thomasschool in die plaats, en met eerbied heb verzocht dat ik in dit verband in consideratie zou worden genomen, nu dan, beloof ik hierbij, dat indien mijn verzoek wordt ingewilligd en mij de genoemde post wordt toevertrouwd, ik mij niet alleen binnen drie of hoogstens vier weken na deze datum mijn ontslag aan het Hof van de Prijs van Anhalt-Cöthen zal aanbieden en de ontvangen ontslagverklaring aan de Raad van Bestuur overhandigen, maar ook, wanneer ik de functie van Cantor daadwerkelijk op mij neem, mij zal gedragen volgens het geldende of nog in te voeren schoolreglement; en in het bijzonder zal ik de tot de school toegelaten jongens onderrichten, niet alleen in de daartoe ingestelde gewone lessen, maar ook, zonder bijzondere vergoeding, in privé-zanglessen. Ook zal ik getrouw al het andere doen, waartoe ik verplicht ben, en voorts, doch niet zonder voorkennis en toestemming van een Nobele en Wijze Raad, indien iemand nodig mocht zijn om mij te assisteren bij het onderwijs in de Latijnse taal, zal ik die persoon getrouw en zonder omhaal uit eigen middelen schadeloos stellen, zonder iets te verlangen van een Nobele en Wijze Raad of anderszins. Ten blijke waarvan ik deze belofte onder mijn hand en zegel heb afgelegd*.

JOHANN SEBASTIAN BACH

Kapelmeester van de Prins van Anhalt-Cöthen, enz.

Gedaan te Leipzig, 19 april 1723

*noot: Contracten kunnen worden gesloten onder zegel (ondertekend door de partijen, met getuigenverklaring en vooral met de vermelding dat het om een akte gaat - zie hierna) of onder handtekening (een "gewoon contract" dat alleen door de partijen wordt ondertekend).

Leipzig: tussen 20 april en 5 mei 1723 [notulen van de drie Raden van Leipzig over Bachs verkiezing]


Aan de gemeenteraad van Leipzig

Dominus Consul Regens Dr. Lange verhaalde, in gemeenschappelijke vergadering van alle drie de Raden, dat het bekend was dat voor de positie van Cantor van de St. Thomas aan de heer Telemann was gedacht, en dat deze beloofd had alles te zullen doen, maar zijn belofte niet was nagekomen. Daarop was de aandacht, zij het slechts in besloten kring, gevestigd op de heer Graupner, kapelmeester te Darmstadt, die echter had bericht dat hij zijn ontslag niet kon verkrijgen. Daarop hebben Bach, Hoffman en Schott zich gemeld. Bach was kapelmeester in Köthen en blonk uit op het klavier. Naast de muziek had hij de pedagogische uitrusting; en de cantor moest onderricht geven in de Colloquia Corderi [een leerboek over vroomheid, taal en gedrag] en in grammatica, wat hij bereid was te doen. Hij had zich er formeel toe verbonden niet alleen openbaar, maar ook privé-onderricht te geven. Indien Bach zou worden gekozen, zou Telemann, gezien zijn gedrag, in de vergetelheid kunnen raken. Dominus Consul Dr. Platz: omdat de vacature al zo lang bestond, was er reden om tot verkiezing over te gaan. Het was te hopen dat de derde [kandidaat] de juiste zou zijn. Hij moet zich toeleggen op het onderricht van de jeugd. Bach was daartoe geschikt en bereid, en daarom bracht hij zijn stem op hem uit. Dominus Consul Dr. Steger: bedankte hem voor de zorgvuldige procedure, en had uitgelegd hoe de vertraging was ontstaan en waarom de heer Bach moest worden gekozen. Bach was net zo'n persoon als Graupner. Hij had zich bereid verklaard zijn trouw te bewijzen, niet alleen als Cantor maar ook als instructeur in de St. Thomasschool. Als Vierde Instructeur was hij bereid afspraken te maken met de andere leerkrachten die hem [zo nodig] zouden vervangen. Hij stemde voor Bach, die composities zou moeten maken die niet theatraal waren. De andere raadsleden brachten eveneens hun stem uit op Bach. Dominus Consul Regens: het was noodzakelijk om zeker te zijn van een beroemd man, om de studenten te inspireren. Bach zou zijn ontslag moeten vragen, en hij hoopte dat het goed zou aflopen; waarop deze vergadering ten einde was.

Leipzig: negende woonplaats (1723-1750)


Nederlandse Tekst

Leipzig: 5 mei 1723 [Bachs verschijnt op uitnodiging en hoort dat hij is gekozen]


Uit de archieven van de Thomasschool

Toen verscheen de heer Johann Sebastian Bach, tot dan toe kapelmeester aan het hof van de Prins van Anhalt-Köthen, in de raadszaal, en nadat hij achter de stoelen had plaatsgenomen, verklaarde Dominus Consul Regens dr. Lange dat zich verschillende kandidaten hadden gemeld voor de functie van cantor van de Thomasschool; maar omdat hij voor deze functie het meest geschikt werd geacht, was hij unaniem verkozen en moest hij door de superintendant worden voorgesteld, waarbij hem hetzelfde moest worden gegeven als de overleden heer Kuhnau had gekregen.

Ille [Bach]: betuigde zijn meest gehoorzame dank voor het feit dat er aan hem gedacht was, en beloofde zijn volledige loyaliteit en ijver. Voorts: In opdracht van de Eerbiedwaardige en Geleerde Raad werd de Eerbiedwaardige Superintendant Dr. Deyling er door mij van in kennis gesteld dat de voormalige Kapelmeester uit Anhalt-Köthen, de heer Johann Sebastian Bach, met algemene stemmen was verkozen tot de functie van Cantor aan de St. Thomas School alhier, van welk feit het noodzakelijk werd geacht hem in kennis te stellen, opdat hij de goedheid zou hebben alles in verband met de presentatie en dergelijke bij te wonen.

Ille [Bach]: Drukte zijn dank uit voor de genoemde kennisgeving, en hij zou niet nalaten de presentatie bij te wonen en alles wat nodig was.

Verder: evenzo heb ik de Eerw. Pastoor van St. Thomas, Licentiaat Weise, in kennis gesteld van de verkiezing van de heer Johann Sebastian Bach tot Cantor van de St. Thomas School; hij betuigde zijne meest gehoorzame dank voor de kennisgeving en riep Gods zegen over de keuze in.

Leipzig: 5 mei 1723 [Bachs brief na verkozen te zijn tot nieuwe Cantor]


Aan de gemeenteraad van Leipzig

De Geachte en Wijze raad van deze stad Leipzig mij heeft aangesteld als cantor van de St. Thomasschool en van mij een toezegging heeft verlangd met betrekking tot de volgende punten, te weten:

(1) Dat ik de jongens een lichtend voorbeeld zal geven van een eerlijk, sober leven, de school ijverig zal dienen, en de jongens gewetensvol zal opleiden;

(2) De muziek in de beide hoofdkerken van deze stad naar mijn beste vermogen in goede staat te brengen;

(3) De Geachte en Meest Wijze Raad alle gepaste eerbied en gehoorzaamheid te betonen, en haar eer en reputatie overal zo goed mogelijk te beschermen en te bevorderen; evenzo, indien een Heer van de Raad de jongens wenst voor een muzikale gelegenheid, hem dit zonder twijfel te verschaffen, maar hen anders nooit toe te staan de stad uit te gaan naar begrafenissen of bruiloften zonder voorafgaande kennis en toestemming van de Burgemeester en Geachte Bestuurders van de school die thans in functie zijn;

(4) Gehoorzaam te zijn aan de Geachte Inspecteurs en Directeuren van de school in elke instructie die zij zullen uitvaardigen in naam van de Geachte en Zeer Wijze Raad;

(5) Geen jongens in de school te nemen, die niet reeds een grondslag in de muziek hebben gelegd, of niet ten minste geschikt zijn om daarin onderwezen te worden, noch hetzelfde te doen zonder voorafgaande kennis van de Eerbare Inspecteurs en Directeuren;

(6) Opdat de kerken niet onnodig op kosten worden gejaagd, de jongens niet alleen in de vocale, maar ook in de instrumentale muziek getrouw te onderwijzen;

(7) Om de goede orde in de kerken te bewaren, de muziek zo regelen, dat zij niet te lang duurt, en van dien aard is, dat zij geen opera-achtige indruk maakt, maar de toehoorders eerder tot devotie aanzet;

(8) Voorzie de Nieuwe Kerk van goede leerlingen;

(9) Behandel de jongens vriendelijk en met voorzichtigheid, maar, indien zij niet willen gehoorzamen, straf hen met mate of rapporteer hen aan de juiste instantie;

(10) Zet mij getrouw in voor het onderwijs in de school en doe alles wat mij betaamt te doen;

(11) En als ik dit niet zelf kan doen, zorg er dan voor dat het door een ander bekwaam persoon wordt gedaan zonder kosten voor de Geachte en Wijze Raad of voor de school;

(12) Niet buiten de stad gaan zonder de toestemming van de Geachte Burgemeester die thans in functie is;

(13) Altijd voor zover mogelijk met de jongens meelopen bij begrafenissen, zoals gebruikelijk is;

(14) En zal geen ambt in de universiteit aanvaarden of wensen te aanvaarden zonder toestemming van de Eerbiedwaardige en Geleerde Raad.

Nu, daarom, verbind en beloof ik mij getrouwelijk aan al de genoemde vereisten te voldoen, en op straffe van verlies van mijn ambt niet in strijd daarmee te handelen, ten blijke waarvan ik mijn hand en zegel op deze overeenkomst heb gezet*.

Ondertekend te Leipzig, 5 mei 1723

JOHANN SEBASTIAN BACH

[*noot: Contracten kunnen worden gesloten onder zegel (ondertekend door de partijen, met getuigenverklaring en vooral met de vermelding dat het om een akte gaat - zie hierna) of onder handtekening (een "gewoon contract" dat alleen door de partijen wordt ondertekend).]

Leipzig: 8 mei 1723 [verzoek om bevestiging van Bachs verkiezing tot Thomaskantor]


Staatsarchief Dresden, Acta die Besetzung des Cantoramts bei der Schule zu St. Thomä zu Leipzig betr. 1677-1844

Meest Eerwaarde Magnifici, Meest Edelachtbare, Nobele en Zeer Geëerde, Meest Geëerde Heren en Beschermheren!

De Nobele en Eerbiedwaardige Hoogwijze Raad van deze stad heeft mij op de hoogte gesteld van de wijze waarin de heer Johann Sebastian Bach, voormalig vorstelijk kapelmeester te Köthen, door u is gekozen voor het ambt van cantor aan de St. Thomas alhier. Indien het echter noodzakelijk is dat hij door het Hoog Consistorie in dit ambt wordt bevestigd, heb ik de heer Bach bij dezen aan mijn zeer geëerde beschermheer voorgesteld om dit te doen. Blijvend

Uwe Hoogheid en de Edelmoedige en ook Meest Eerbiedwaardige Heren Biddend en Zeer Toegewijd
D. Salomon Deyling
Leipzig, 8 mei 1723.

Leipzig: 8 mei 1723 [getuigschrift m.b.t. test van Bachs theologische kennis]


Uit het archief van de St. Thomasschool

Dhr. Jo. Sebastian Bach antwoordt op de door mij gestelde vragen op zodanige wijze dat ik van mening ben dat de genoemde persoon kan worden toegelaten tot de functie van Cantor in de St. Thomasschool.

Dr. Jo. Schmid, examinator

Dr. Salomon Deyling, superintendent.

Leipzig: 29 mei 1723 [de familie Bach verhuist naar Leipzig en komt op de 22e mei aan]


Uit de Hamburgse 'Staats- und Gelehrte Zeitung'

Afgelopen zaterdag om 12 uur arriveerden hier uit Köthen vier wagens volgeladen met huisraad; ze behoorden toe aan de voormalige Prinselijke Kapelmeester aldaar, die nu als Cantor Figuralis naar Leipzig is geroepen. Hijzelf arriveerde met zijn gezin op 2 wagens om 2 uur en nam zijn intrek in het pas gerenoveerde appartement in de St. Thomasschool.

Leipzig: 30 mei 1723 [verslag van Bachs eerste muziekuitvoering in Leipzig]


Uit 'Acta Lipsiensium Academica'

Op 30 mei, de eerste zondag na Drievuldigheid, heeft de nieuwe cantor en directeur van het Collegium Musicum, de heer Johann Sebastian Bach, die hierheen is gekomen van het hof van de prins in Köthen, hier zijn eerste muziek gemaakt, met groot succes.

Leipzig: 30 mei [recte: 1 juni] 1723 [Bach neemt ambt van Thomascantor op zich]


Uit Johann Salomon Riemer's Kroniek van Leipzig

Op 30 mei nam de heer Johann Sebastian Bach, voorheen kapelmeester te Köthen, het cantoraat op zich, dat hem [eerder] was toegekend.

Leipzig: vanaf juni 1723 tot 1749 [uitkeringen uit legaat van Anna Justine Meyer]


Uit het Stadtarchiv Leipzig, Jahres Rechnung des Raths der Stadt Leipzig über Einnahme und Ausgabe vom 30. Augusti 1722. bis 28. dito 1723

4 [Thaler] 9 [Groschen]. Een jaar rente, van 87 thlr, 12. gr. Kapitaal, dat Mevr. Justina, de weduwe van D. Johann Ulrich Meyer heeft nagelaten op zodanige wijze dat 5 gr. daarvan onder de Cantori [inwonende leerlingen van de St. Thomasschool] moeten worden verdeeld, en 2 1/2 gr. aan elke jongen voor zover het volstaat wegens het zingen van een overlijdenslied, in opdracht van de Cantor dhr. Johann Sebastian Bach.

Leipzig: 1 juni 1723 [benoeming tot Thomascantor]


Uit de handelingen van het stadsbestuur van Leipzig

Een Nobele en Meest Wijze Raad van deze Stad liet de nieuwe Cantor in de St. Thomas School, de heer Johann Sebastian Bach, presenteren en introduceren op de gebruikelijke manier, en gaf daartoe opdracht aan Commissaris Gottfried Conrad Lehmann, als Directeur van de genoemde School, en mij, de Hoofd-Stadssecretaris, om er heen te gaan, waar we beneden werden ontvangen door de Rector, Magister Ernesti, en naar de bovenste aula werden geleid, waarin de Pastoor van de St. Thomas, Licentiaat Weiss, reeds aanwezig was en ons mededeelde, dat de Superintendent, Dr. Deyling, hem het besluit van het Consistorie in dit verband had doen toekomen en hem zijn taken had opgedragen. Daarop verzamelden alle leraren van de school zich in de genoemde kamer, en wij namen allen plaats op de stoelen die voor ons waren klaargezet, zodat Licentiaat Weiss bovenaan zat, en naast hem Commissaris Lehmann en ik, en tegenover ons de genoemde leraren van de school in volgorde.

De studenten voerden een stuk op voor de deur, en na afloop kwamen ze allemaal de aula binnen. Daarop gaf ik het ambt [van Thomascantor] als volgt: overwegende dat het de Almachtige God behaagd heeft de voor deze school aangewezen leraar en cantor, de heer Johann Kuhnau, uit deze wereld te roepen, en dat in zijn plaats een Nobele en Wijze Raad de heer Johann Sebastian Bach, voorheen kapelmeester aan het hof van Zijne Hoogheid de Prins van Anhalt-Köthen, gekozen, zodat niets anders overbleef dan dat de genoemde persoon op de juiste wijze in het genoemde ambt zou worden geïntroduceerd en geïnstalleerd, hetgeen bij deze dan ook is gebeurd, in de naam van de Heilige Drievuldigheid, door voornoemde Raad als de beschermheer van deze School; en de nieuwe Cantor werd vermaand trouw en ijverig de plichten van zijn ambt te vervullen, de autoriteiten en zijn superieuren de nodige eerbied en bereidwilligheid te tonen, goede betrekkingen en vriendschap met zijn collega's te onderhouden, de jeugd gewetensvol te onderrichten in de vreze Gods en andere nuttige studies, en aldus de School in goede naam te houden. De inwonende studenten en de anderen die de School bezoeken werden eveneens vermaand gehoorzaamheid en eerbied te betonen aan de nieuwe Cantor, en de toespraak werd besloten met een goede wens voor het welzijn van de School. Nu had, volgens de gebruikelijke gewoonte, de Cantor hierop moeten antwoorden, maar Lic. Weiss nam het woord dat een besluit was uitgevaardigd door het Consistorie, dat hij hierbij vertoonde, aan de Superintendent, op grond waarvan de nieuwe Cantor naar de School zou worden voorgezonden en geïnstalleerd, en hij voegde er een oproep aan de Cantor aan toe om zijn ambt getrouw uit te oefenen, en een goede wens.

Commissaris Lehmann, die de nieuwe Cantor gelukwenste, wees er meteen op dat deze wijze van benoemen door het Consistorie, of door iemand die daartoe door het Consistorie was aangewezen, nog niet eerder had plaatsgevonden, en dat het een vernieuwing was, die onder de aandacht van een Nobele Raad moest worden gebracht, waarmee ik vervolgens ook instemde. Maar voornoemde Lic. Weiss rechtvaardigde zich door te zeggen dat hij dit niet had geweten en dat hij in dit verband alleen had gedaan wat hem was opgedragen. Voordat deze opmerkingen waren gemaakt, betuigde de nieuwe cantor zijn meest dankbare dank aan een Edele en Meest Wijze Raad, omdat het hem zeer genadig was geweest aan hem te denken bij het toekennen van dit ambt, met de belofte dat hij dezelfde met alle trouw en ijver zou dienen, het gepaste respect zou tonen voor zijn superieuren, en zich in het algemeen zo zou gedragen dat zijn grootste toewijding altijd in acht zou worden genomen. Daarop feliciteerden de andere instructeurs van de school hem, en werd de gelegenheid besloten met nog een muziekstuk. Toen wij vervolgens in de Raadszaal aankwamen en daar verslag uitbrachten van hetgeen zich had afgespeeld, achtte men het noodzakelijk hierover met de Superintendent te spreken, en mij werd opgedragen dit te doen, hetgeen ik op de middag van dezelfde dag deed, toen deze te kennen gaf, dat de uitdrukkelijke inhoud van het besluit, dat hij had ontvangen, was geweest, dat de nieuwe Cantor door hem moest worden geïnstalleerd en voorgesteld, en daar hij verhinderd was dit te doen, had hij Lic. Weiss opgedragen dit te doen en hij hoopte, dat deze niet van zijn tekst was afgeweken. Hij was niet van plan ook maar de minste inbreuk te maken op de rechten van een Edele en Wijze Raad, maar hij moest ook gehoorzamen aan het besluit van het Consistorie; daarom zou hij het morgen op de zitting aan de orde stellen, en een andere keer moest er een specifieke afspraak over dit punt worden gemaakt. Indien een Edele Raad in soortgelijke gevallen een andere gewoonte had gehad, kon hem niet worden verweten daaraan vast te willen houden.

Carl Friedrich Menser, Hoofdgemeentesecretaris, ondertekend met zijn eigen handtekening

Noot. Toen Lic. Weiss ons onmiddellijk na onze intrede meldde hoe de hoofdopzichter hem had belast met de installatie van de nieuwe cantor, en wij hem erop wezen hoe anders de gewoonte was, zei hij dat hij het daarbij zou laten; en toch werd de hierboven beschreven actie door hem ondernomen.

Leipzig: 10 juni 1723 [verslag van Bachs muziekuitvoering van Cantate BWV 75 in Leipzig]


Uit nieuwsblad de 'Hamburg Relationscourier'

Afgelopen zondag heeft de vorstelijke kapelmeester, de heer Bach, die door de edelachtbare en wijze raad van deze stad uit Köthen hierheen was geroepen om de vacante post van de heer Kuhnau, Directoris Chori Musici, die hier vorig jaar overleed, in te vullen, bij zijn ambtsaanvaarding zijn muziek voor en na de preek gepresenteerd.

Leipzig: 14 juni 1723 [Wilhelm Friedemann an C.Ph.E. Bach schrijven zich in voor de St.Thomasschool]


Uit het schoolregister

14 juni: Wilhelm Friedrich Bach, uit Weimar, vader dhr. Joh. Sebastian Bach, de cantor hier, 12 jaar oud, en gaat naar de derde klas.

ditto: Carl Phillip Emanuel Bach, geboren in dezelfde plaats en die dezelfde vader heeft, gaat naar de vijfde klas.

Leipzig: 28 september 1723 - 1735 [betalingen uit de kerkkas van St. Nikolai voor het onderhoud van muziekinstrumenten]


Uit de rekeningboeken van de St. Nikolai

1723/24: 2 [thalers], 19 [groschen], 6 [pfennigs] aan Mr. Joh. Sebastian Bach, Cantor, voor het onderhoud en de reparatie van de kerkinstrumenten, 28 september 1723.

1732/33: 5 [thalers], 21 [groschen], 9 [pfennigs] "... van Michael. 1731. tot Pasen 1732..."

"Van Pasen tot Michaelmas 1732 is er niets betaald voor de instrumenten omdat hij [Bach] er geen opdracht voor heeft gekregen".

1733/34: "Er is niets betaald voor het onderhoud en de reparatie van de kerkinstrumenten, omdat de cantor geen opdracht daartoe heeft ontvangen".

1734/35: 3 [Taler] Johann Sebastian Bach, voor het klavicimbel van Pasen tot Mich. 1732. Overeen te komen volgens de verordening van de Eerbiedwaardige Hooggeachte Raad sub No. 105.

Leipzig: 28 september 1723 [betalingen uit de kerkkas van St. Thomas voor het onderhoud van muziekinstrumenten]


Uit de rekeningboeken van de St. Thomas

2 [thalers], 19 [groschen], 6 [pfennigs] aan de cantor, Joh. Sebastian Bach, voor het onderhoud en de reparatie van de kerkinstrumenten, 28 september 1723.

Leipzig: 20 november 1723 [aanbevelingsbrief voor leerling]


Voor zijn leerling Johann Gottlieb Wagner

Aangezien de geadresseerde van deze, de heer Johann Gottlieb Wagner, student in de theologie, mij, ondergetekende, om een attest van zijn bekwaamheden in de muziek heeft verzocht, heb ik dit niet willen weigeren, te meer daar zulks voor zijn verdere vooruitgang nodig zal zijn. Ik verklaar dan ook, dat genoemde heer Johann Gottlieb Wagner zich niet alleen heeft geperfectioneerd in de beoefening van verschillende instrumenten als clavier, viool enz., maar zich ook heeft onderscheiden in de kunst van het componeren, waarvan hij in beide opzichten reeds een goed en prijzenswaardig bewijs heeft geleverd. Ik acht het onnodig verdere verklaringen af te leggen en twijfel er niet aan dat de heer Wagner, in de gelegenheid gesteld zich te presenteren, voor mijn korte attestatie de beste verificatie zal kunnen geven.

Geschreven te Leipzig,

November 20, 1723

J S BACH

Kapelmeester van het vorstendom Anhalt-Cöthen, Dir. Musices, en Cantor aan de School van St. Thomas.

Leipzig: 28 november 1723 (eerste adventszondag) [orde van dienst]


Aantekeningen op achterkant titelpagina Cantate BWV 61

Orde van dienst in Leipzig
Voor de ochtenddienst van de eerste adventszondag.
(1) Preluderen (2) Motet (3) Preluderen op het Kyrie, in concerterende stijl (4) Intoneren voor het altaar. (5) Brieven van de apostelen worden gelezen. (6) De Litanie wordt gezongen. (7) Preluderen over het koraal. (8) Evangelie gelezen, (9) Preluderen op de voornaamste muziek. (10) Geloof gezongen. (11) De preek (12) Na de preek, zoals gebruikelijk, enkele verzen gezongen uit een hymne. (13) Kanselzegen (14) Preluderen over de muziek. En daarna afwisselend preluderen op de gezongen koralen, totdat de Communie voorbij is & sic porrò [betekent: etc.].

Leipzig: 1723-1750 [Bachs salaris in Leipzig]


Uit de Leipziger rekeningboeken over Bachs salaris

(Voor het eerste kwartaal, 1723). Aan de heer Johann Sebastian Bach, Cantor 21 thlr. 21 gr.

(Voor het tweede kwartaal, 1723). Aan de heer Johann Sebastian Bach, Cantor 21 thlr. 21 gr.

(Voor het derde kwartaal, 1723). Aan de heer Johann Sebastian Bach, Cantor 21 thlr. 21 gr.

(Voor het vierde kwartaal, 1723). Aan de heer Johann Sebastian Bach, Cantor 21 thlr. 21 gr.

*[noot: Bach ontving aanvullende honoraria en gratis huisvesting. In zijn brief aan Georg Erdmann, van 28 oktober 1730, noemt hij het bedrag van 700 thaler per jaar, hetgeen vandaag de dag zo'n 72.000 euro zou zijn].

Leipzig: 1723-1724 [reparaties aan instrumenten van de Thomaskirche en van het studentenkoor]


Rekeningboeken van de St. Thomas 1723 en 1724

2 rh. 19 gr. 6 pf. Aan de Cantor, Joh. Sebastian Bach, voor het onderhoud en de reparatie van de instrumenten behorend tot de kerk.

Leipzig: 1723-1724 [bijdragen voor de muziek in de Hospitaalkerk St. Johannis]


Rekeningboeken van de St. Thomas 1723 en 1724

13 [rl.] 3 [gr.] - [Pfennige] Zijn betaald door het Ziekenhuis van de St. Johannis alhier voor de 3e tafels der leerlingen door dezelve vooraf gevoed, en de koeken aan hen gegeven, waarvoor de leerlingen op de feestdagen in de St. Johanniskerk de muziek moeten maken.

Leipzig: 20 februari 1724 [superintendent Salomon Deyling's verslag over Bach aan het consistorie]


UWE HOOGHEDEN, ZEER WAARDIGE EN ZEER GELEERDE, VOORAL ZEER GEWAARDEERDE HEREN EN BESCHERMHEREN!

Overwegende dat ik Uwe Edelachtbaren onder de datum van 29 juni j.l. bericht heb, dat de nieuwe Thomascantor alhier, de heer Joh. Seb. Bach, geen (niet-muzikaal) onderricht wilde geven, maar de derde collega had overgehaald om tegen een zekere vergoeding het schoolwerk in zijn plaats op zich te nemen, heb ik na verloop van tijd nadere inlichtingen ingewonnen en geconstateerd dat de genoemde derde collega in feite niet alleen het aan de Cantor opgedragen schoolwerk heeft overgenomen, maar dat de Cantor Bach in gevallen waarin de derde collega wegens ziekte of andere belemmeringen afwezig moet zijn geweest, ook de klas heeft bezocht en de jongens een oefening heeft gedicteerd waaraan zij moesten werken. Dit heb ik onder Uw aandacht willen brengen, Hooggeachte Heren en Patroons, steeds blijvende, Uwe Edele Grootheden, zowel als Zeer Eerwaarde Heren,

Uw biddende en meest gehoorzame

DR. DEYLING Leipzig, 20 februari 1724, Ondertekend met zijn eigen hand

Leipzig: 22 maart 1724 [antwoord aan Superintendent Salomon Deyling's verslag]


Van de bevoegde leden van het electoraal consistorie van Leipzig

Aan Dr. Salomon Deyling, Professor P[ublicus], Pastoor, en Superintendent alhier te Leipzig, enz.

Wij hebben kennis genomen van het rapport dat adressant ons zond betreffende de Cantor van de St. Thomasschool alhier, Johann Sebastian Bach. Daar de beëdiging en introductie van genoemde nieuwe Cantor, door hem door bemiddeling van de Pastoor van de Thomaskerk, Lic. Christian Weiss, in overeenstemming is met de Saksische kerkelijke reglementen, moet het hierbij blijven. Tenslotte zijn wij het erover eens dat, overeenkomstig het gedane voorstel, de onderwijstaken van deze vooralsnog aan de derde collega kunnen worden overgelaten, en wij verzoeken deze hierbij in naam van Zijne Doorluchtige Hoogheid, etc., zich dienovereenkomstig te gedragen.

Gegeven te Leipzig,

De Geordineerde Leden van het Electorale Consistorie van 22 Maart 1724 van die Plaats.

Leipzig: 24 maart 1724 [besluit van het Consistorie aan de Raad van de stad Leipzig]


Stadsarchief Leipzig

Onze vriendelijke dienstbaarheid aan U, Eervolle Standvastige, Hoog en Weledelgestrenge, Hoog en Welwijze en bijzonder Gunstige Heren en Goede Vrienden,

Wat wij hebben verordend aan de Superintendent van deze plaats betreffende de cantor van St. Thomas, Johann Sebastian Bach, geven wij u te zien in het afschrift van de bijlage, en verzoeken, in de naam van de Meest Doorluchtige, Meest Grootmachtige Prins en Heer, Frederik Augustus, Koning in Polen enz. Hertog van Saksen, Jülich, Kleef, Berg, Engern en Westfalen, van het Heilige Roomse Rijk, Maarschalk van de Schatkist en Prins Chur, Landgraaf van Thüringen, Markgraaf van Meissen, ook van Boven- en Beneden-Lausitz, Burggraaf van Maagdenburg, Graaf van Henneberg, Graaf van de Marcks, Ravensberg en Barby, Heer van Ravenstein, enz. onze meest genadige heer, hierbij aan u, opdat u het ook in uw plaats zult respecteren...
Datum Leipzig, 24 maart 1724.

De afgevaardigden van de keurvorstelijke en vorstelijke Saxische Consistorie aldaar.

Aan de Eerbare, Hoge en Wijze, Hoog en Welwijze, Heer de burgemeester en de Raad hier in Leipzig, onze bijzonder gunstige Heren en goede Vrienden.

Leipzig: 3 april 1724 [beslissing Raad m.b.t. zaken rondom de Passiemuziek voor Goede Vrijdag]


Uit de handelingen van de Raad

De heer Johann Sebastian Bach, Cantor van de St. Thomasschool, was op de hoogte van het besluit dat eerder door de Geëerde en Geleerde Raad was genomen dat de Passiemuziek voor Goede Vrijdag afwisselend in de St. Nicolaaskerk en in de St.Thomaskerk moest worden gegeven. Maar aangezien uit de titel van de muziek die dit jaar werd rondgezonden, bleek dat het weer in de St. Thomas zou plaatsvinden, en aangezien de superintendent van de Nikolaaskerk de Geëerde en Geleerde Raad had verzocht dat de bovengenoemde Passiemuziek dit keer in de St. Nicolaas zou worden gegeven, moest de Cantor van zijn kant dienovereenkomstig handelen.

Hic: Hij zou daaraan voldoen, maar wees erop, dat het boekje reeds gedrukt was, dat er geen ruimte beschikbaar was, en dat het klavecimbel enige reparatie behoefde, die echter alle tegen geringe kosten konden worden verzorgd; maar hij verzocht in elk geval, dat op de koorzolder een weinig extra ruimte zou worden verschaft, opdat hij de voor de muziek benodigde personen zou kunnen plaatsen, en dat het klavecimbel zou worden gerepareerd.

Senatus: De Cantor moet op kosten van de Geëerde en Wijze Raad een aankondiging laten drukken, dat de muziek deze keer in de St. Nicolaas zal plaatsvinden, met behulp van de koster de nodige voorzieningen op de koorzolder laten treffen en het klavecimbel laten repareren.

Leipzig: 7 april 1724 - 4 april 1738 [opvoeringsplaatsen van de Passies van 1721 - 1738]


In het jaar 1721 werd op Goede Vrijdag tijdens de vespers, de Passie voor het eerst uitgevoerd; om kwart over twee werd met de hele gemeente gezongen. Daarna, werd in het koor het lied 'Da Jesus an den Creütze stund' enz. gezongen en daarna begon uitvoering van de Passie, en werd voor de preek de eerste helft afgesloten met het vers, 'O Lam Gods onschuldig', waarmee de priester op de kansel ging. Op de kansel werd ook gezongen 'Herr Jesu Christ dich zu uns wend'. Na de preek begon het tweede deel van de muziek, en toen die afgelopen was, werd de mote 'Ecce qvomodo moritur justus' enz. gezongen, daarna werd het Passievers geïntoneerd en Collecte gehouden, en daarna werd 'Nun dancket alle Gott' gezongen. In 1723. Precies zo.
In 1723 werden de eerste vespers gehouden in St. Nicolai, de preek werd gehouden door de superintendent, de heer D. Deyling...
Anno 1724 werd de Passie gezongen in de St. Nikolaas voor de eerste maal gebracht, enz. In de St. Thom. maar er werden alleen liederen gezongen zoals daarvoor gebruikelijk was.
1725 In de Thomaskerk
1726 In de Nicolaaskerk
1727 In de Thomaskerk
1728 In de Nicolaaskerk
1729 In de Thomaskerk
1730 In de Nicolaaskerk
1731 In de Thomaskerk
1732 In de Nicolaaskerk
1733 Was de tijd van rouw; van de koning.
1734 In de Thomaskerk
1735 In de Nicolaaskerk
1736 In de Thomaskerk met beide orgels.
1737 In de Nicolaaskerk
1738 In de Thomaskerk

Leipzig: 1724-28 [Bach en Anna Magdalena geven gastoptredens aan het hof van Köthen i.v.m. nieuwjaarsvieringen, verjaardagen e.d.]


Rekeningboeken van het Hof van Köthen

a. 1724, 18 juli. Aan de directeur Musices Bach en zijn vrouw, die optraden, in overeenstemming: rthl. 60 .

b. 1725, 15 dec. Aan de Leipziger Cantor Bach en zijn vrouw, die hier een aantal uitvoeringen gaven: rthl. 30.

c. 1728, 5 jan. Aan de Leipziger Cantor Bach, in overeenstemming: rthl. 24

[kritiek op Cantata, met verwijzing naar BWV 21]


Door Johann Mattheson

Opdat de goede oude Zachau gezelschap heeft, en niet zo alleen is, laten we naast hem een overigens uitstekend praktiserend musicus van vandaag zetten, die lange tijd niets anders doet dan herhalen: "Ik, ik, ik, ik had veel verdriet, ik had veel verdriet, in mijn hart, in mijn hart. Ik had veel verdriet, etc., in mijn hart, etc., etc., Ik had veel verdriet, etc., in mijn hart, etc., Ik had veel verdriet, etc., in mijn hart, etc., etc., etc. Ik had veel verdriet, enz., in mijn hart, enz., enz." Dan weer: "Zuchten, tranen, smart, angst (rust), zuchten, tranen, angstig verlangen, angst en dood (rust) knagen aan mijn beklemd hart, enz." Ook: "Kom, mijn Jezus, en verkwik (rust) en verblijd met Uw blik (rust), kom, mijn Jezus (rust), kom, mijn Jezus, en verkwik en verblijd ... met Uw blik deze ziel, enz."

Leipzig: 14 september 1725 [1e brief aan de Koning (Frederik Augustus) m.b.t. honoraria]


Aan de Koning’

Uwe Doorluchtige Hoogheid, Meest Machtige Koning en Keurvorst, Meest Genadige Meester!

Mag ik Uwe Koninklijke Majesteit en Soevereine Keurvorstelijke Hoogheid zich er met de meeste nederige gehoorzaamheid veroorloven erop te wijzen, dat het Directoraat der Muziek van de Oude en Nieuwe Kerkdienst aan een Weledele Universiteit te Leipzig, met de vergoeding en bijkomende honoraria daarvan, altijd verbonden is geweest aan de cantorij van de St. Thomas hier, zelfs tijdens het leven van mijn voorganger, maar tijdens de vacature die volgde op het overlijden van laatstgenoemde werd het gegeven aan de organist van de St. Nicolaas, Görner, en bij mijn intrede in mijn nieuwe functie werd het directeurschap van de z.g. Oude Dienst wederom aan mij overgelaten, doch de vergoeding daarvoor werd later ingetrokken en met het directeurschap van de Nieuwe Dienst aan bovengenoemde organist van de St. Nicolaas gegeven; en hoewel ik mij naar behoren tot de Hooggeachte Universiteit heb gewend, en een verzoek heb ingediend om de oude regeling intact te laten, toch is het beste wat ik heb kunnen verkrijgen een aanbod van de helft van het salaris, 12 gulden.

Waarom, echter, Meest Gracieuze Koning en Keurvorst, een Godvruchtige Universiteit uitdrukkelijk heeft verlangd dat ik de muziek voor de Oude Dienst verzorg, en mij daarvoor heeft aangenomen, en ik dit ambt tot op heden heb uitgeoefend; overwegende dat het salaris dat aan het directeurschap van de Nieuwe Dienst is verbonden, nooit eerder aan deze laatste verbonden is geweest, maar specifiek aan de Oude Dienst; en overwegende dat, hoewel ik het directeurschap van de Nieuwe Dienst niet heb willen betwisten met de organist van de St. Nicolaas, maar dat het intrekken van het salaris, dat in feite altijd aan de Oude Dienst heeft toebehoord, zelfs voordat de Nieuwe Dienst werd ingesteld, mij diep verontrust en denigreert: en overwegende dat het niet de gewoonte is van kerkpatrones om de bestemming van de reguliere vergoeding, bestemd en voorzien voor een dienaar van de kerk, te wijzigen, hetzij door deze geheel in te trekken, hetzij door deze te verlagen, ondanks het feit dat ik mijn ambt met betrekking tot de voornoemde Oude Dienst reeds meer dan twee jaar zonder vergoeding heb moeten uitoefenen - daarom richt ik mijn meest gehoorzame gebed en smeekbede tot Uwe Koninklijke Majesteit en Soevereine Electorale Hoogheid, dat Uwe Majesteit de meest genadige bevelen mag uitvaardigen dat een Godvruchtige Universiteit te Leipzig de regeling zoals deze voorheen was, zal laten voortbestaan, en mij het directeurschap van de Nieuwe Dienst zal toekennen naast het directeurschap van de Oude, en in het bijzonder de volledige vergoeding voor de Oude Dienst en de incidentele honoraria voortvloeiend uit beide. Voor deze Hoge en Koninklijke Gunst, zal ik mijn leven lang blijven

Uwe Koninklijke Majesteits en Uwe Doorluchtige Electorale Hoogheid's meest nederige en gehoorzame dienaar

JOHANN SEBASTIAN BACH

Leipzig, 14 september 1725

Leipzig: 27 september 1725 [Bach geeft twee orgelconcerten in de St. Sophiakerk te Dresden]


Verslag in de ‘Hamburg Relationscourier

Dresden, 21 september 1725. Toen de Kapel-Direkteur uit Leipzig, de heer Bach, onlangs hier kwam, werd hij door de plaatselijke virtuozen aan het hof en in de stad zeer goed ontvangen, daar hij door allen zeer bewonderd wordt om zijn muzikale behendigheid en kunst. Gisteren en eergisteren heeft hij, in tegenwoordigheid van dezen, gedurende meer dan een uur op het nieuwe orgel in de St. Sophia's kerk preludes en verschillende concerti uitgevoerd, met tussendoor zachte instrumentale muziek in alle toonsoorten.

Leipzig: 3 november 1725 [2e brief aan de Koning m.b.t. honoraria]


Aan de Koning

Meest Doorluchtige Hoogheid, Meest Machtige Koning en Keurvorst, Meest Genadige Meester!

Omdat op het meest genadige bevel van Uwe Koninklijke Hoogheid - na mijn meest nederige smeekbede in de zaak waarin ik de klager was en de Universiteit van deze plaats de gedaagde - de genoemde Universiteit het meest nederige verslag heeft ingediend dat van haar werd verlangd en mij naar behoren in kennis heeft gesteld van de indiening, en ik het aan de andere kant noodzakelijk acht mijn toekomstige positie te beschermen; dienovereenkomstig gaat mijn nederigste en gehoorzaamste verzoek uit naar Uwe Koninklijke Majesteit en Soevereine Electorale Hoogheid, dat U mij een afschrift van het genoemde rapport in deze zaak doet toekomen en Uwe Majesteit's Hoogste Besluit wilt onthouden totdat ik de meest noodzakelijke commentaren erop heb gegeven; ik zal niet nalaten dit zo veel mogelijk te bespoedigen, en mijn leven lang in diepste onderdanigheid te blijven

Uwe Koninklijke Majesteit en Uwe Doorluchtige Electorale Hoogheid's meest nederige en gehoorzame dienaar

Leipzig, 3 november 1725

JOHANN SEBASTIAN BACH

Leipzig: 31 december 1725 [3e brief aan de Koning m.b.t. honoraria]


Aan de Koning

Meest Serene Hoogheid, Meest Machtige Koning en Keurvorst, Genadige Meester!

Dat Uwe Koninklijke Hoogheid en Uwe Doorluchtige Electorale Hoogheid zich zeer genadig heeft verwaardigd mij een afschrift te doen toekomen van het antwoord van de Universiteit alhier op mijn klacht tegen hen met betrekking tot de leiding over de Muziek van de Oude en de Nieuwe Dienst in de St. Paul's Kerk en het salaris behorende bij de eerstgenoemde, tot dusver ingehouden - dit erken ik met de meeste nederige dank. Hoewel ik dacht dat de Universiteit onmiddellijk de nodige stappen zou ondernemen om aan mijn eisen te voldoen, en mijn volledig gerechtvaardigd verzoek zonder verdere omhaal zou inwilligen, bemerk ik dat zij integendeel veel moeite heeft gedaan om verschillende uitzonderingen op hetzelfde te maken, en zich te verontschuldigen door te zeggen dat:

(1) Ik zonder grond had beweerd, dat het regisseren van de muziek van de Oude en Nieuwe Dienst noodzakelijk verbonden was met het ambt van Cantor van de St. Thomas, en de Universiteit een vanzelfsprekende vrijheid zou hebben voor wat betreft het verlenen van voornoemd ambt, hoewel zij mijn recht op het leiden van de Oude Dienst niet betwistte, noch het feit ontkende, dat zij mij krachtens een gevestigd gebruik daarvoor een honorarium had uitbetaald. Voorts dat

(2) mijn bewering, dat ik mijn werk tot nu toe voor niets heb moeten doen, vreemd was, daar uit de Rectorale Rekening duidelijk bleek, dat mij bij alle Quartal-Orationes [driemaandelijkse oraties ofwel inaugurele toespraken], alsmede bij de drie hoogfeesten en bij het feest der Hervorming een bijzonder en ruim honorarium, van 13 thrl. 10 gr., aan was geboden en ik tot nu toe altijd hetzelfde had ontvangen. Verder,

(3) dat ik tot nu toe vaak de driemaandelijkse oraties niet persoonlijk had bijgewoond, maar, volgens het overgelegde verslag van deze gelegenheden, het zingen van de motetten had laten leiden door de prefect. Evenzo

(4) dat de cantor van de St. Thomaskerk, wegens zijn officiele verplichtingen op zon- en feestdagen, geenszins in staat was zonder schade en wanorde de leiding van de muziek in de Universiteitskerk over te nemen, daar hij bijna gelijktijdig de muziek in de St. Thomas- en St. Nikolaaskerk moest leiden; vooral

(5) was het zeer zorgvuldig aanwijsbaar, dat mijn voorganger voor het leiden van de muziek van de Nieuwe Dienst een vrij nieuwe en extra gratificatie van 12 fl. ontving; voorts

waren er zoveel moeilijkheden gerezen, door de Raad veroorzaakt met betrekking tot de leerlingen der St. Thomasschool en de Stad- en Beroepsmusici, dat de Vereniging zich genoodzaakt zag van haar eigen studenten gebruik te maken en een andere persoon te vinden, die zonder belemmering de leiding der studenten op zich kon nemen, die weigerden de Cantor zonder vergoeding ter zijde te staan; daarbij kwam nog het feit dat

(7) tijdens de lange [onvervuldheid van de] vacature van het ambt na het overlijden van de vorige Cantor, de Universiteit de muzikale leiding voor de Nieuwe Dienst toevertrouwde aan Johann Gottlieb Görner en hem het nieuwe salaris van 12 fl. toewees voor zijn post, welk salaris geen verband hield met de vroegere leiding van de Oude Dienst, maar nieuw was ingesteld.

Uiteindelijk, Meest Gracieuze Koning, Keurvorst en Meester, zullen deze door de Universiteit gemaakte uitzonderingen echter geen stand houden en zijn gemakkelijk tegen te werpen. Want, om te beginnen

(1) wat betreft de verbinding van de Nieuwe Dienst met de Oude, was het niet mijn stelling dat een dergelijke verbinding noodzakelijk was, maar alleen dat de leiding over de muziek van de laatste altijd was gecombineerd met de eerste; en net zoals de macht en vrijheid om de twee te verbinden of te scheiden niet aan mij is om in twijfel te trekken, maar kan worden overgelaten aan de juiste autoriteiten, zo accepteer ik, aan de andere kant, het feit dat de leiding van de Oude Kerkdienst, volgens gevestigd gebruik, wordt toegekend en aan mij wordt toevertrouwd in het [genoemde] meest nederige verslag. Indien dit echter juist is, kan mij de leiding van de muziek bij de uitreiking van doctorale graden en andere plechtige universitaire gelegenheden in de Paulinerkirche, tezamen met de honorering daarvan, niet worden ontzegd, daar dit alles, vóór de instelling van de Nieuwe Dienst, onbetwistbaar, althans wat de muziek betreft, tot de Oude Dienst behoorde, en de gangbare praktijk was. Volgende

Ik ben niet in het minst verbaasd dat de Universiteit het waagt te verwijzen naar een ruim honorarium van 13 thrl. 10 gr. die men mij zou hebben toegekend, en mij tegenspreekt door te ontkennen dat ik het werk tot nu toe voor niets heb gedaan, aangezien het honorarium iets is dat los staat van het salaris van 12 gr., en een gratificatie het salaris niet uitsluit. In werkelijkheid echter betreft mijn klacht niet het honorarium, maar het salaris, dat altijd gebruikelijk was en tot de Oude Dienst behoorde, maar dat mij tot nu toe onthouden is, ten bedrage van 12 fl. Inderdaad is, zoals uit de door de Universiteit aangehaalde rectoraatsrekeningen zelf blijkt, zelfs dit honorarium, dat 13 thlr.10gr. zou hebben bedragen, niet volledig aan mij is betaald, maar in plaats daarvan door de twee pedellen, zoals zij onder ede zullen kunnen getuigen, elk kwartaal niet meer dan 16 gr. 6 pf. is betaald, in plaats van de 20 gr. 6pf. die in de rekeningen van de rector wordt vermeld, en op de drie hoogfeesten, alsmede op het feest van de reformatie, telkens niet meer dan 1 thlr., in plaats van 2 thlr. 12 gr. wat een totaal maakt van slechts 6 thlr. 18gr. in plaats van 13 thlr. 12gr. per jaar. Evenmin hebben mijn voorgangers, Schelle en Kuhnau (zoals uit de beëdigde verklaringen van hun weduwen, hierbij als Bijlage A en B, zal blijken) meer ontvangen voor de kwartaal- en feesdagmuziek, of kwitanties voor meer getekend, en toch is in het uittreksel van de rekeningen van de rector over hen een veel hoger bedrag vastgelegd. Het feit dat ik de driemaandelijkse oraties dikwijls niet in persoon heb bijgewoond, en dat uit het proces-verbaal van 25 oktober 1725, zoveel blijkt, zal van weinig betekenis zijn; Want zoals uit de maand en datum blijkt, dat het proces-verbaal pas is opgemaakt, nadat ik mij over de universiteit beklaagd had, terwijl er voor die tijd niets tegen mij te noteren viel, zo zal blijken, dat een dergelijke afwezigheid mij niet meer dan één of twee keer is overkomen, en wel om legitieme redenen, omdat ik weg moest, en vooral bij die ene keer, dat ik in Dresden iets te doen had. Bovendien zijn de prefecten belast met de genoemde driemaandelijkse plechtigheden, zodat deze laatste nooit door mijn voorgangers Schelle en kuhnau zelf zijn verzorgd, maar het zingen van de motetten altijd door de prefecten is verzorgd en geleid. Nog minder kan nog minder de verdienste zijn van het argument van de universiteit dat het niet mogelijk is dat de muziek in de kerken aan beide zijden door één persoon wordt verzorgd; want volgens dit argument, een verwijzing naar de organist van de St. Nicolaas, Görner, nog belangrijker worden gevonden, en de leiding van de muziek in beide kerken voor hem nog minder mogelijk, omdat de organist niet alleen in de H. Nicolaas en in de H. Paulus tegelijk het einde van de concerterende muziek voor en na de preek moet afwachten, maar ook tot en met de laatste lofzang het orgel moet bespelen, terwijl de cantor kan vertrekken nadat hij de concerterende muziek heeft verzorgd en niet bij de lofzangen tot het einde van de dienst aanwezig hoeft te zijn; en zo heeft wijlen Kuhnau in zijn tijd beide heel goed verzorgd zonder schade of verwarring; bovendien, in de kerk waar geen musica formalis moet worden voorzien, kan het gewone heel goed worden geleid door vicarissen en prefecten. Nu, in het bijzonder

(5) wat betreft de betwiste 12 fl., zal de Universiteit nooit op goede gronden kunnen beweren, dat zij deze 12 fl. aan mijn voorganger Kuhnau gaf voor de leiding van de muziek als een nieuwe, toegevoegde gratificatie. de waarheid van de zaak is, dat deze 12 fl. van oudsher het salaris was voor het verzorgen van de muziek voor de Oude Dienst, en mijn voorganger, om nadelige gevolgen te voorkomen die te vrezen waren van een scheiding van deze leidinggevende functies, de muziek voor de Nieuwe Dienst voor niets heeft verzorgd, en er nooit een cent voor heeft gevraagd, noch zich zelfs maar verheugd heeft over een vermeende nieuwe gratificatie van 12 fl. Inderdaad werden de kwitanties voor deze 12 fl. regelmatig getekend, niet alleen door Kuhnau, maar ook door Schelle en zelfs nog eerder, voordat iemand ooit aan de Nieuwe Dienst had gedacht. En daar in de beëdigde verklaringen van de weduwe Schelle en Kuhnau, bijlage A en B, duidelijk staat vermeld dat de 12 fl. steeds het salaris was voor het verzorgen van de muziek voor de Oude Dienst, zal de Universiteit dus niet kunnen weigeren deze kwitanties openbaar te maken. Evenzo

(6) kan de vraag of er geen goede verstandhouding tussen de studenten en de leiding van de Nieuwe Dienst, en zij niet voor niets hun hulp aan de cantor wilden verlenen, geen afbreuk doen aan het salaris dat aan de muziek van de Oude Dienst verbonden is; Want daar men dit noch wil toegeven, noch ontkennen, en het bekend is, dat studenten, die liefhebbers van muziek zijn, zich altijd gaarne en met genoegen presenteren, zo is er mijnerzijds nooit enige narigheid met de studenten geweest, en zij nemen geregeld en zonder aarzelen deel aan zowel de vocale als de instrumentale muziek onder mijn leiding, en tot op heden om niet en zonder vergoeding. Bovendien

(7) id de leiding over de muziek voor de Nieuwe Dienst vooralsnog, wat Görner betreft, in statu quo moet blijven, en al wil niemand in twijfel trekken dat voor deze nieuwe regeling een nieuw salaris kon worden vastgesteld, toch is het salaris van 12 fl. hem tot dusver toegekend, volstrekt niet een nieuw ingevoerd punt, of als iets nieuws voor dit nieuwe directoraat bedoeld, maar integendeel hetzelve werd aan de muzikale leiding van den ouden dienst onttrokken en eerst later, toen het Cantoraat van St. Thomas vacant was, bij de benoeming van Görner in het nieuwe Directorium, aan dit nieuwe Directorium toegekend

Dit is al eerder gezegd, en inderdaad, onder hen die tot nu toe aan beide zijden met de muziek in de kerken te maken hebben gehad, is dit alles bekend, en het kan bovendien door hun getuigenis worden bevestigd en nog wijder bekend worden gemaakt. Ik ben echter genoodzaakt er nog deze bijzondere omstandigheid aan toe te voegen; dat twee jaar geleden, toen ik met de Rector Magnificus van de juni-termijn over het Directorium sprak, omdat hij mijn punt van een handgeschreven rekeningboek, dat vermoedelijk een boek was van de rekeningen van de rector, wilde weerleggen, het gebeurde dat op de bladzijde waarop het boek werd opengeslagen mijn oog moest vallen op de aantekening en de duidelijk geschreven woorden die vertelden over de betaling van 12 fl. salaris aan Schelle pro Directorio Musices, en ik toonde het terstond aan den rector magnificus van van de juni-termijn, en wees hem daarop.

Uiteindelijk heeft de Universiteit het toegegeven en mij bij monde van Dr. Ludovici, die de vorige zomer de post van Rector bekleedde, de helft van het salaris van 12 fl. aangeboden, en dit zou zij zeker niet gedaan hebben, indien zij niet overtuigd was geweest dat de zaak goed gegrond was. Dienovereenkomstig treft de verandering mij des te harder, wanneer zij nu van geen salaris in het geheel iets wenst te horen, en het mij geheel wil ontnemen; ook, nadat ik in mijn Nederigste Memorie het feit van dit aanbod uitdrukkelijk had vermeld, is de Universiteit in haar antwoord aan dit punt voorbijgegaan en heeft zij er geen antwoord op gegeven, en aldus worden door dit stilzwijgen de grondslag van mijn eis en de redelijkheid van mijn zaak door de Universiteit opnieuw bevestigd en, naar zij zelf overtuigd is, stilzwijgend voor waar aangenomen.

Omdat dus de Universiteit, door hare eigen erkentenis en door de door haar onder de punten x en y aangehaalde rekeningen van de Rector, mij 3 thlr. 10 gr. jaarlijks voor de driemaandelijkse oraties, en een speciaal honorarium van 10 gr. jaarlijks voor de drie hoogfeesten en het feest der reformatie, zijnde in totaal 13 drs. 10 gr., krachtens gevestigd gebruik;

Dus zou ik, van de aanvang van mijn universitaire functies op Pinksterzondag 1723 tot het einde van het jaar 1725 (dus in twee en driekwart jaar), in totaal 36 thlr. 18 gr. 6pf. moeten hebben ontvangen, doch heb niet zoveel ontvangen, en daarvoor in de plaats slechts 11 thlr. voor muziek op even zovele feestdagen, en 7 thlr. 13 gr. 6pf. voor driemaandelijkse oraties, zijnde een totaal van 18 thlr. 13 gr. 6pf. en aan mij is dienovereenkomstig nog verschuldigd 18 thlr. 5 gr.;

Ook is mij nog verschuldigd de gewone jaarwedde van 12 fl. over een tijdvak van twee en driekwart jaar, zijnde 33 fl.;

En daar de Universiteit over de bezoldiging tot overeenstemming heeft willen komen en reeds de helft heeft aangeboden, en dus eo ipso mijn eis niet onrechtvaardig of ongegrond heeft geacht, maar integendeel heeft ingewilligd, en daar zij over dit laatste punt in stilzwijgen is heengegaan, in haar nederigst verslag, en dus nogmaals stilzwijgend heeft toegegeven, en voor het overige niet in staat is geweest ook maar het geringste antwoord van enig belang te geven;

Daarom richt ik mij tot Uwe Koninklijke Majesteit en Soevereine Hoogheid met de meest genadige bede, de universiteit niet alleen te bevelen de regeling zo te laten, als zij was, en mij in de toekomst het volle salaris van 12 fl. voor de Oude Dienst toe te kennen, met de bijkomstige honoraria voor de Promotiones Doctorales en andere Actus Solemnes, die daaraan vroeger verbonden waren, maar ook mij het nog verschuldigde honorarium van 18 thrl. 5 gr. en het resterende gewone salaris van 33 fl. uit te betalen, en alle onkosten die ik in dit verband heb gehad te vergoeden; of, indien de Universiteit niet overtuigd mocht worden door hetgeen tot nu toe is aangevoerd, mijn kwitanties openbaar te maken, die door Schelle en Kuhnau zowel voor het bijzondere honorarium als voor het gewone salaris zijn vrijgemaakt. Deze hoge gunst zal ik mijn leven lang met de meest nederige dankbaarheid erkennen en blijven

Uwe Koninklijke Majesteit en Uwe Doorluchtige Electorale Hoogheid's meest nederige en gehoorzame dienaar

Leipzig, 31 december 1725

JOHANN SEBASTIAN BACH

Leipzig: 1726 [Bach publiceert zijn eerste werk]


Titelblad

Clavier-Übung, Deel I, BWV 825: titelblad Klavieroefeningen, bestaande uit preludes, allemandes, courantes, sara-bandes, gigues, menuetten, en andere galanterieën, gecomponeerd voor muziekliefhebbers, ter verkwikking van hun gemoed, door Johann Sebastian Bach, Huidig Kapelmeester van Zijne Hoogheid de Prins van Anhalt-Köthen en Directore Chori Musici Lipsiensis. Partita I. Uitgegeven door de Auteur. 1726.

Dresden: 21 januari 1726 [het besluit van de koning, als antwoord op Bachs brieven]


Door Koning August II

Bij de gratie Gods, Frederik Augustus, Koning van Polen, Hertog van Saksen, Jillich, Cleves, Berg, Engern, en Westfalen, Keurvorst.

WAARDIGEN EN MEEST GELEERDEN, DIERBARE GETROUWEN EN GELOVIGEN! Wij hebben kennis genomen van hetgeen u ons op 29 oktober van het afgelopen jaar, overeenkomstig ons bevel van 17 september van hetzelfde jaar, hebt medegedeeld over het nederige verzoek van de cantor van de Thomaskerk in Leipzig, Johann Sebastian Bach, met betrekking tot het Directorium der Muziek van de zogenaamde Oude en Nieuwe Diensten in de Pauluskerk van die plaats. Maar hierbij ontvangt U wat de genoemde Cantor, na een afschrift van het genoemde rapport te hebben ontvangen, verder heeft voorgesteld en verzocht. Daar Wij nu zien, dat het Directorium Musices van de Oude Dienst een oude zaak is en geen betrekking heeft op de Nieuwe Dienst, laten Wij de zaak daarbij rusten, en, daar gij ook hebt aangeboden het Directorium aan hem over te laten, wat de Oude Dienst betreft, en hem regelmatig de daarvoor bestemde vergoedingen te betalen, berusten Wij daarin en, niet ten onrechte, in de bijzondere regelingen die gij hebt getroffen betreffende de Nieuwe Dienst. En zo is het Onze wens dat u uw aanbod gestand doet, maar voor het overige, onder de gegeven omstandigheden, het verzoek van genoemde cantor afwijst. Dit is Onze Wil.

Gegeven te Dresden, 21 januari 1726

Leipzig: 20 juli 1726 [aanbevelingsbrief voor leerling Jacob Ernst Hübner]


Voor Jacob Ernst Hübner

Omdat op speciaal verzoek de geadresseerde hiervan, de heer Jacob Ernst Hübner uit Löbau, ondergetekende heeft verzocht hem een schriftelijk attest te doen toekomen betreffende zijn bekwaamheid in de muziek, in het bijzonder op het klavier, heb ik dit verzoek niet willen afwijzen, maar in alle eerlijkheid willen verklaren dat hij de grondbeginselen (die in het bijzonder vereist zijn) voor de dienst van organist goed beheerst. De proeve van bekwaamheid, die hij mij heeft getoond, waren geheel bevredigend. Ongetwijfeld zal hij bij zijn eventuele toekomstige vorderingen, met verder werk aan het orgel, zijn bekwaamheid tot nieuw profijt tonen en aantonen dat het huidige attest niets dan de waarheid vertegenwoordigt. Geschreven te Lepizig, 20 juli 1726.

JOHANN SEBASTIAN BACH

Prinselijk Kapelmeester van Anhalt-Cöthen, ook Direct. Chori Musici te Leipzig, en Cantor aan St.Thomas

Leipzig: 28 juli 1726 [brief aan zijn jeugdvriend Georg Erdmann]


Aan Georg Erdmann

Nobele en zeer geëerde heer en (indien nog toegestaan) geachte heer Broeder

Bij deze gunstige gelegenheid is het mijn plicht naar het welzijn van uw zeer edelachtbare persoon te informeren en u daarvan van harte een blijvende voortzetting toe te wensen. Het korte mondelinge bericht van de ontvanger van deze regels heeft mij zo'n genoegen verschaft dat ik het brandend verlangen heb uitgebreidere details te ontvangen betreffende de recente omstandigheden die terecht tot uw verworvenheid zijn gaan behoren. Ik voel mij dan ook geroepen om aan u voor te leggen in hoeverre mijn nieuwsgierigheid voldaan mag worden. Als u daarom bereid bent om een toegewijde vroegere school- en reisgenoot deze eer te verlenen en zijn nederig verzoek in te willigen, zal het de nederige dienaar van Uwe Edelachtbare tot dankbaarheid verplichten.

Leipzig, 28 juli, 1726

Joh: Sebast: Bach

Leipzig: 14 september 1726 [1e brief aan aan de gemeenteraad van Plauen m.b.t. het vinden van een geschikte kandidaat]


n.b.

Meest Nobele, Standvastige, en Zeer Geleerde, ook Zeer Wijze Heren, Zeer Genadige Patronen!

Het bijzondere en allergenadigste vertrouwen waarvan uw edelachtbaren zo vriendelijk zijn geweest mij blijk te geven in de brief die mij is overhandigd, maakt het tot mijn plicht niet alleen hierbij mijn nederigste verplichting te uiten, maar ook alles in het werk te stellen om door daden te laten blijken hoezeer het mij behaagt, Edele en Meest Wijze Heren, om hierbij mijn toewijding te betuigen. Maar aangezien dit een zaak is die niet in één keer in gang kan worden gezet, omdat het enige tijd zal vergen om een kandidaat met de vereiste kwaliteiten te kiezen. Het zal Uwe Edelachtbaren zeer welgevallig zijn de vervulling van de Cantor's post uit te stellen tot een geschikte kandidaat is gevonden. Ik van mijn kant zal niet nalaten al het mogelijke te doen om, enerzijds, het in mij gestelde vertrouwen zo goed mogelijk te rechtvaardigen en, anderzijds, ervoor te zorgen dat deze vacature zo spoedig mogelijk wordt vervuld, zodat alle anders te vrezen ongemakken en nalatigheden worden vermeden. Dienovereenkomstig, betuig ik u mijn meest gehoorzame respect en blijf, met alle respect,

dienaar van U, Meest Nobele, Standvastige, en Meest Geleerde, ook Wijze Heren, U, Meest Nobele en Wijze Edelachtbaren.

Leipzig, 14 september, anno 1726

JOH. SEBAST. BACH

Leipzig: ergens na 12 september 1726 [gedicht voor de pasgeboren Emanuel Ludewig, zoon van prins Leopold, geboren op 12 september 1726


Opgedragen aan de pasgeboren zoon van Prins Leopold van Anhalt-Köthen

Aan Zijne Meest Serene Hoogheid, Prins en Heer, Emanuel Ludewig, Erfgenaam van de Prins van Anhalt, Hertog van Saksen, Engern en Westfalen, Graaf van Ascania, Heer van Bernburg en Zerbst, etc., is dit bescheiden muzikale begin* opgedragen uit de meest nederige toewijding van Johann Sebastian Bach

Serene en Genadige Prins, hoewel wiegbekledingen u bedekken,
Toch toont uw prinselijke blik u meer dan volgroeid.
Vergeef me, naar ik bid, als ik u uit uw sluimering wek.
Terwijl mijn speelse bladzijde u hulde brengt.

Het is de eerste vrucht van mijn snaren die in muziek weerklinken.
U, de eerste zoon om wie de armen van Uw Prinses zijn gelegd
Het zal voor U en voor Uw Eer weerklinken,
Want Gij zijt, evenals deze bladzijde, een eersteling in deze wereld.

De wijze mannen van onze tijd maken ons vaak bang door te zeggen
Dat wij in deze wereld met gehuil en geweeklaag komen,
Alsof wij reeds spoedig de bitterheid van het verblijf zouden leren kennen
En deze korte tijd in moeizaam zouden zwoegen hier beneden.

Maar dit draai ik om, doorvoor in de plaats te verkondigen
Dat uw zoet kinderlijk huilen lieflijk, helder en zuiver is;
Zo zal uw ganse leven met blijdschap vol zijn -
En zeker van een harmonie vol vreugden en genot.

Zo zal ik, Prins van al onze hoop, U ooit vermaken,
Al worden uw geneugten duizendvoudig keer zoveel,
Maar laat, naar ik bid, het gevoel me altijd bijstaan
Om, Serene Prins, Uw nederigste dienaar te zijn

BACH

[*noot: Het origineel is in rijm. De schrijver is niet bekend, maar aan het taalgebruik en de vele muzikale termen zou het heel goed van Bach zelf kunnen zijn. Dat het een nieuw geschreven gedicht is zou ook af te leiden kunnen zijn uit de zin uit gedicht: 'Want Gij zijt, evenals deze bladzijde, een eersteling in deze wereld'. De verwevenheid van Bachs eigen vocabulair met dit gedicht lijkt het ook zeer onaannemelijk te maken dat het van een ander is. De zinsnedes 'om wie de armen van Uw Prinses zijn gelegd' en het ietwat beredeneerde 'Maar dit draai ik om' is wellicht een aanduiding dat het om een mannelijke dichter gaat. Ook voor de zinssnede 'Zo zal ik, Prins van al onze hoop, U ooit vermaken,' zou Bach diep in de boeken moeten duiken om een gedicht te vinden die zo precies zijn verhouding met deze adelijke familie, zo op maat gesneden, weergeeft. De verwevenheid van het gedicht met aanduidingen als 'Serene en Genadige' en een einde wat erg op zijn brieven lijkt, maakt het zeer onaannemelijk lijkt dat het niet van Bach zelf is. Uit de brief aan zijn jeugdvriend Georg Erdmann uit 1730 blijkt dat hij erg gesteld was op zijn oud werkgever. De brief uit 1726, dus een een paar maanden eerder zou ook al een aanwijzing kunnen zijn dat er toen al een wens was om uit Leipzig weg te gaan. Wellicht heeft die positieve herinnering aan de tijd in Köthen ook een rol gespeeld in het geluid wat in dit gedicht weerklinkt. Een externe bron die het bevestigt is er echter niet. ]

Leipzig: 26 september 1726 [2e brief aan aan de gemeenteraad van Plauen m.b.t. het vinden van een geschikte kandidaat]


Aan de gemeenteraad van Plauen

Geëerde en Meest Nobele, Geëerde en Meest Geleerde, Standvastige, en ook Geëerde en Meest Wijze Heren, Geëerde en Meest Gracieuze Patronen!

In overeenstemming met mijn recente aan u, meest Edele en Wijze Heren, heb ik gezocht naar een geschikte kandidaat, en heb een persoon gevonden die goed thuis is in zowel humanioribus als in het bijzonder in musicis. Om u een klein voorproefje te geven: hij is grondig thuis in de compositie en heeft hier met goed succes verschillende voorbeelden van zijn werk gegeven. Verder bespeelt hij goed orgel en klavier, is bedreven op de viool, de violoncello en andere instrumenten, zingt een bas die, hoewel niet te streng, heel beschaafd is, en zijn kwaliteiten in het algemeen zijn van dien aard dat ik geloof dat hij goed inzetbaar zou kunnen zijn voor de vacante post. Het hangt dus volledig van uw edelmoedig oordeel af, Edele en Wijze Heren, wanneer en hoe de Edelachtbaren zich zullen verwaardigen de genoemde persoon tot het examen toe te laten. Ik wacht dienovereenkomstig op uw onmiddellijke orders, zodat ik met het grootste genoegen kan laten zien hoe ik leef in het serieuze streven om uw Meest Nobele en Wijze Heren in deze zaak van dienst te zijn en met die eerbied, Meest Gewaardeerde, Meest Nobele, Geëerde en Meest Geleerde, Standvastige en ook Geëerde en Meest Wijze Heren, uwer Edelachtbaren gehoorzame dienaar te blijven

Leipzig, 26 september, anno 1726

JOH. SEBAST. BACH

Leipzig: 21 oktober 1726 [3e brief aan aan de gemeenteraad van Plauen]


Aan de gemeenteraad van Plauen

Eerwaarde en Meest Nobele, Standvastige, Geëerde en Meest Geleerde, ook Geëerde en Meest Wijze heren, Geëerde en Meest Genadige Patronen!

Veronderstelbaar is de door mij voorgestelde persoon, Georg Gottfried Wagner van naam (oudste zoon van de nog levende cantor van Wurtzen), die van zijn vroegste jaren tot heden voornamelijk in Leipzig heeft gewoond, en dat op respectabele wijze, en de grondslag heeft gelegd voor zijn humane studie als student in onze St. Thomas School alhier, en zich ook hier in hogere studies heeft begeven door ijverig de universitaire colleges bij te wonen, waarom ik niet zonder reden veronderstel dat hij daarin zijn aandeel heeft geleverd, zal uwe Hoogachtbaren inmiddels met een zeer gehoorzaam schrijven hebben benaderd.

Want, Geachte en Zeer Wijze Heren, het is geheel aan u om te bepalen hoe en op welke wijze u zich barmhartig kunt veroorloven om dhr. Wagner tot de examens toe te laten, wacht ik in dezen uw zeer genadige kennisgeving af, ten einde in daden blijk te kunnen geven van mijn belangstelling en mijn verlangen van dienst te zijn, en dienovereenkomstig betuig ik nogmaals mijn respect, en blijf met alle toewijding,

Geëerde en Meest nobele, standvastige, Geëerde en Meest Geleerde, ook Meest Geëerde en Meest Wijze Heren, Geëerde en Meest Genadige Beschermheren, uw meest gehoorzame dienaar

Leipzig, 21 oktober 1726

JOH. SEB. BACH

P.S. Genoemde heer Wagner is nog alleenstaand en ongehuwd.

Leipzig: 2 november 1726 [renovatie Bachs appartement]


Stadtarchiv Leipzig, Jahres Rechnung des Raths der Stadt Leipzig über Einnahme und Ausgabe vom 25. Augusti 1726 bis 23. dito 1727

Aan de timmerman 5 [Thaler], 20 [Groschen], - [Pfennig] aan dezelfde [= Johann Christian Schmied] voor het werk in het appartement van de heer D. Weisen en de cantor in de Thomasschool, de 29e maart.

4 [Thaler], 16 [Groschen], - [Pfennig] aan dezelve voor hetzelfde in de schoolwoning van de heer Cantori en op de Nikolaastoren, 5 april.

Aan de metselaar, - Thaler], 21 [Groschen], - [Pfennig] [Adam Jacon, voor het werk in] de woning van de cantor aan de Thomasschool, 2 nov. [1726].

6 [Thaler], 4 [Groschen], - [Pfennig] [aan dezelve voor hetzelfde] aldaar, namelijk in de appartementen van de rector [Ernesti, die aan de andere kant van het gebouw woonde] en de Cantori's, de 12e april.

6 [Thaler], 11 [Groschen], 3 [Pfennige] aan Heinrich Ludwig Schmiedehammern, voor een ijzeroven van 21/4 centners [een centner is 100 pond] en 14 [ponden] in de woning van de heer cantor van de St. Thomas, de 10e April 1727.

Leipzig: 15 november 1726 [4e brief aan aan de gemeenteraad van Plauen]


Aan de gemeenteraad van Plauen

Geëerde en Meest Nobele, Standvastige, Geëerde en Meest Geleerde, ook Geëerde en Meest Wijze Heren, Geëerde en Meest Genadige Patronen!

De in deze brief besprokene, heer Wagner, heeft, overeenkomstig de beschikking van Uwe Edelachtbaren, zich hierbij zeer nederig aan U willen voorstellen, en mondeling om onder Uwer Edelachtbaren verdere patronage te dienen in verband met het komende examen. En daar ik er niet aan twijfel, dat hij zich zal trachten te onderscheiden, dat u, geachte en edele heren, ten volle tevreden zult zijn, en mijn nederige ik daardoor hoog zal worden gehouden, hoop ik, dat u, Geachte en Nobele Heren, hem vóór ieder ander de meest genadige overweging zult geven. Het aanbod dat mij gedaan is om Uwe Hoogheid's meest genadige gunst aan mij of mijn familie te bewijzen, wanneer de gelegenheid zich voordoet, erken ik met de nederigste en meest dankbare toewijding, en ik zal niet nalaten altijd te onthouden om, wanneer de gelegenheid zich voordoet, mijn meest nederige verzoek aan Uwe Hoogheid en Achtbare Hoogheid te doen. Met hartelijke wensen voor een goede afloop van de aanstaande selectie van een nieuwe Cantor, blijf ik voor altijd,

Geëerde en Meest Nobele, Standvastige, Geëerde en Meest Geleerde, ook Geëerde en Meest Wijze Heren, Mijn Zeer Gewaardeerde Patronen, immer Uw meest gehoorzame en bereidwillige dienaar

Leipzig, 15 november 1726

JOH. SEBAST. BACH

1727 [positieve kritiek op Bachs klavierspel]


Door Georg Ludwig Heinrich Schwanenberger

Ik zou wensen dat u de heer Bach eens op het orgel zou horen, want noch u, noch iemand anders in Braunschweig zou uw hoofd voor hem kunnen houden; ik heb nog nooit zoiets gehoord, en ik moet mijn hele speelstijl volledig omgooien, want het is niets waard. En ook de basso continuo. Ik zal, als het God behaagt en mij gezond houdt, ongewoon ijverig zijn, want ik wil zijn stijl graag leren.

1727 [lofprijzingen Bachs spel tijdens de Paasbeurs van 1729 door tijdgenoot]


Door Martin Heinrich Fuhrmann

Toen ik onlangs op de Paasbeurs in Leipzig was had ik het geluk de wereldberoemde heer Bach te horen. Ik dacht dat de Italiaan Frescobaldi de kunst van het klavierspel helemaal zelf had opgepoetst, en ook Carissimi was een zeer gewaardeerde en geliefde organist. Maar als men de twee Italianen met hun kunst aan de ene kant van de toonladder zou zetten en de Duitser Bach aan de andere kant, dan zou de laatste hen ver overtreffen, en zouden zij recht de lucht in worden getild. Later hoorde ik in Halle de bekende heer Kirchhof orgel spelen, en zijn vingers beheersten de charmes van de muziek zo goed, dat ik uitriep: "Wat jammer dat de handen van deze twee klavierspelers in Leipzig en Halle op een dag tot stof moeten vergaan!”…We hebben het geleerde muzikale klaverblad in B, bestaande uit drie onvergelijkbare virtuozen wier familienamen een B op hun schilden dragen: Buxtehude, Bachhelbel, en Bach in Leipzig; deze mannen betekenen evenveel voor mij als Cicero voor de Romeinen.

27 februari 1727 [Bachs aanbevelingsbrief voor C.G.Wecker]


Van J.S. Bach

GEËERDE EN MEEST NOBELE, GEËERDE EN MEEST GELEERDE, GEËERDE EN MEEST WIJZE HEREN, IN HET BIJZONDER ZEER GEWAARDEERDE PATRONEN!

Daar het bericht is ontvangen dat de cantor, die tot nu toe in dienst was van Uwe Edelachtbaren, een verandering wil bewerkstelligen, en Uwe Edelachtbaren ongetwijfeld reeds uw meest wijze gedachten hebben laten gaan over de vraag of de vacante post moet worden opgevuld door een capabel persoon, ben ik bijna bang dat ik te laat zal komen met mijn meest nederige verzoek aan Uwe Edelachtbaren. Maar indien, naar ik hoop, de zaak nog steeds in status quo is, en Uwe Edelachtbaren nog niet zijn voorzien van een ander bekwaam persoon, dan richt ik tot U, Hoogachtbaren, een zeer nederig verzoekschrift, dat U zich zeer genadig zult willen verwaardigen om de drager van deze brief, de heer Christoph Gottlob Wecker, de door hem gevraagde hoorzitting toe te staan en hem, naar gelang van de resultaten van die hoorzitting, zeer genadig uw zeer genadige beschermheerschap te verlenen. Indien Uwe Edelachtbaren mij in staat achten Uwe Edelachtbaren met mijn dienst te verblijden, smeek ik slechts Uw bevelen te ontvangen; ik zal niet nalaten, met het grootste plaisir te tonen, dat ik de eer heb, de Edelste Heren en Mijn Hoogst Achtbare Beschermheren, ooit Uw meest gehoorzame dienaar te zijn
JOH. SEBAST. BACH
Kapelmeester van de Prins van Anhalt-Köthen en Directeur Chori Musici Lipsiensis en Cantor van de St. Thomas School
Leipzig, 26 februari 1727

Leipzig: 12 mei 1727 [de muziek voor BWV Anh.9 (verloren gegaan) wordt gespeeld en aangeboden aan de Koning]


Fragmenten uit Christoph Ernst Sicul's 'Das frohlockende Leipzig'

Daar de algemene dag van vreugde het niet toeliet, dat het verheugde volk van Leipzig zich bij de bovenbeschreven plechtigheden neerlegde; zo namen verschillende particulieren, alsmede alle koninklijke musici en inwonende studenten de moeite, op verschillende wijzen hun meest nederige vreugde te betuigen. Want de musici voerden na acht uur 's avonds, toen zij van de Hofbode te horen kregen dat het nu tijd was, een muziekstuk op dat gecomponeerd was door de kapelmeester en stadscantor, de heer Johann Sebastian Bach, en dat deze laatste persoonlijk had gedirigeerd. Bij deze gelegenheid was de volgende tekst gekozen voor het Drama musicum [= wereldlijke cantate in dialoogvorm]. Aria tutti Entfernet euch, ihr heitren Sterne, &c. Het hoofd-exemplaar ervan, dat aan Zijne Koninklijke Majesteit moest worden aangeboden, hadden de artiesten laten binden in diep scharlaken fluweel, met vergulde kwasten en gouden franje, maar gedrukt op wit satijn, en het werd door de Orator van hetzelfde, genaamd Haupt, die door het lot was gekozen, op een zilveren schotel gedragen. De stoet zelf was in de volgende volgorde opgesteld: (1) de senioren van de 15 tafels in de refter en een 16e daarnaast, met wasfakkels; (2) twee maarschalken met maarschalksstokken; (3) genoemde Haupt met het afschrift op een zilveren vat, vergezeld van twee anderen; (4) de tafelgenoten van 4 tafels met brandende fakkels; (5) het Chorus Musicus, dat zich tijdens het marcheren liet horen met trompetten en pauken, benevens andere instrumenten; (6) de rest van de artiesten, eveneens met fakkels. Toen zij dan in deze volgorde voor Zijne Koninklijke Majesteit op het marktplein waren aangekomen, werden de brengers van de gedichten door de twee maarschalken naar de voorzijde van de Voorkamer geleid, en de Orator moest zijn complimenten maken en overhandigen aan Zijne Excellentie de Opperbekerdrager, Von Seiffert; door wie Zijne Koninklijke Majesteit hun Zijn meest genadige dank betuigde voor de meest nederige toewijding die zij van plan waren te tonen door een serenade voor Zijne Hoge Verjaardag, en hen verzekerde van Zijn Koninklijke Gunst bij elke gelegenheid. Tijdens deze ceremonie, en vóór de terugkeer van degenen die voor dit doel waren afgevaardigd, was alles in gereedheid gebracht voor de muziek, die vervolgens tot Zijne Gracieuze Tevredenheid ten gehore werd gebracht, te midden van een grote menigte mensen, achter een afdoende versperring gevormd door de soldaten die Zijne Koninklijke Majesteit bijwoonden. Waarop alle artiesten, als de brengers van de genoemde avondmuziek, terugkeerden in de voornoemde volgorde, door de Catherstraat, vervolgens door het Menke huis, en na inspectie van de verlichting op die plaats, teruggingen naar het Collegium Paulinton - (de Universiteit), waar zij hun plechtigheid afsloten met het branden van de resten van hun fakkels op het plein van het Collegium, en veel geroep van "Vivat!"

[*noot: Het stuk is gereconstrueerd vanuit de Mis in B mineur. Het werd gecomponeerd ter ere van de verjaardag van Koning Augustus II en het werd uitgevoerd op de marktplaats van Leipzig.]

Leipzig: 18 mei 1727 [aanbevelingsbrief voor leerling]


Voor F.G. Wild

Daar Mr. Friedrich Gottlieb Wild, kandidaat jurist, en vermaard musicus, de ondergetekende heeft verzocht hem een aanbevelingsbrief te willen geven betreffende zijn verdiensten in zijn studies zowel als betreffende de nobele kunst der muziek,

heb ik het niet meer dan mijn christelijke plicht geacht te getuigen, dat Mr. Wild, gedurende de vier jaren, dat hij hier aan de Universiteit heeft gestudeerd, steeds blijk heeft gegeven van scherpzinnigheid en vlijt, en wel op zulk een wijze, dat hij niet alleen onze kerkmuziek heeft helpen verfraaien met zijn welgeleerde bekwaamheden op traverso en klavecimbel, maar ook van mij speciaal onderricht heeft gekregen in het klavier, de volgbas, en de daarop gebaseerde grondregels van de compositie, zodat hij bij elke gelegenheid door musici van niveau met bijzondere goedkeuring kan worden aangehoord. Ik acht hem, door zijn optreden in deze en andere opzichten, alle aanmoediging waard, en wens dat deze oprechte en gewetensvolle getuigenis hem van nut zal zijn bij het verkrijgen van de vooruitgang die hij verdient.

Leipzig, 18 mei 1727

JOH SEBAST. BACH

Kapelmeester van de Prins van Anhalt-Cöthen en Directeur Chori Musici Lipsiensis

Leipzig: vóór 18 augustus 1727 [canon voor Houdemann]


Voor Houdemann

Canon voor vier stemmen, BWV 1074, opgedragen aan Mons. Houdemann en gecomponeerd door J. S. Bach.

Leipzig: 19 september 1727 [advertentie voor de 2e en 3e Partita's]


Uit de 'Nouvelles, week 38'

Dat de 2e en 3e Partita's van Bach's Clavier-Übung nu ook gereed zijn, wordt aan de liefhebbers van het klavier bekend gemaakt, en tevens medegedeeld dat deze niet alleen bij de auteur verkrijgbaar zijn, maar ook 1) bij de heer Petzolden, Koninklijke Poolse en Keurvorstelijke Saksische Kamerorganist in Dresden; 2) bij dhr. Ziegler, Director [Musices] van de Ulrichskirche in Halle; 3) bij de heer Böhm, organist van de St. Johannes in Lüneburg; 4) bij de heer Schwaneberg, Vorstelijk Braunschweigische Kamermusicus in Wolfenbüttel; 5) bij de heer Fischer, Stad- en Raadsmusicus in Nürnberg, en vervolgens 6) bij de heer Roth, Stad- en Raadsmusicus in Augspurg. Ze zullen tijdens alle volgende markten te verkrijgen zijn.

Leipzig: 9 oktober 1727 [collega Görner beklaagd zich over derving van inkomsten m.b.t. een door een student georganiseerde herdenkingsdienst]


Universiteitsarchief Leipzig

Nu is het voorgevallen dat de heer von Kirchbach in memoriam van de allerzaligste overleden koningin en keurvorstin, toestemming heeft gekregen een oratie te houden in de Pauluskerk, en dat hij de uit te voeren muziek niet aan mij, maar aan de Cantor van de Thomasschool, de heer Bach, zou hebben toevertrouwd en wil mij passeren en uitsluiten van de gevolgen hiervan, tot niet geringe schade van mijn aanstelling en inkomsten; Uwe Eerwaarde Hoogheden, Uwe Eerwaarde en Edele Majesteiten kunnen dit niet [als zodanig] in behandeling nemen, en ik verzoek U zeer gehoorzaam er bij de genoemde Heer von Kirchbach op aan te dringen de muziek die bij deze akte moet worden uitgevoerd door mij te laten componeren en uit te voeren, of, in het uiterste geval, indien er bezwaar mocht bestaan wegens tijdgebrek of iets anders, een gepaste genoegdoening te geven voor het ingetrokken honorarium.

Leipzig: 11 oktober 1727 [een verklaring die Bach weigerde te ondertekenen m.b.t. Cantate BWV 198]


Overwegende dat een Edelachtbare Universiteit te Leipzig niet heeft willen toestaan dat de rouwmuziek die de heer von Kirchbach [een student die een herdenkingsdienst had geinitieerd] bij mij bestelde voor de herdenkingsrede [geschreven door J.C. Gottsched] van dezelfde in St. Paul's ter gelegenheid van het recente overlijden van Hare Koninklijke Majesteit in Polen en Keurvorstelijke Hoogheid in Saksen, onze geliefde vorstin [koningin Christiane Eberhardine], maar heeft uiteindelijk ingestemd onder de volgende voorwaarden: dat de heer von Kirchbach een regeling treft met de Director Chori Musici van een keurvorstelijke universiteit in de genoemde kerk [dit was organist en componist Görner], en dat ik een belofte onderteken. Nu erken ik dus dat dit louter een gunst is, en stem er bij deze mee in dat deze geen precedent schept (en dat ik een document zal sturen waarin ik dit bevestig), en dat ik nooit enige aanspraak zal maken op het directeurschap van de muziek in de genoemde St. Paul's, laat staan met iemand een contract zal sluiten voor muziek voor dergelijke plechtigheden of anderszins zonder de toestemming en toestemming van een Weledele Universiteit hier, maar me daarentegen altijd zal gedragen overeenkomstig het allergenadigste bevel dat in Leipzig is uitgevaardigd onder datum van 21 januari 1726.

Leipzig, 11 oktober 1727

[noot 1: Bachs formulering moet gezien worden tegen het licht van de inhoud van dat contract. Hij erkent dat het gaat om een project waar geen precedentwerking van uit mag gaan, en het niet inhoud dat hij hier bepaalde rechten aan ontleent die aan Görner toebehoren, maar verder behoort deze opdracht hem toe, met verwijzing naar het bevel van 21-01-1726.]

[noot 2: collega Görner liet de Universiteit weten dat hij het recht dacht te hebben om voor deze gelegenheid muziek te schrijven en men probeerde Bach dit contract te laten ondertekenen. Dit gebeurde niet en de muziek werd uitgevoerd.]

Leipzig: 17 oktober 1727 [een verslag van de opvoering van Cantate BWV 198]


Uit Christoph Ernst Sicul's ‘Das thränende Leipzig’

In plechtige processie, terwijl de klokken luidden, betraden de stadsbestuurders en de rector en hoogleraren van de universiteit de Pauluskerk, waar vele anderen aanwezig waren, namelijk vorstelijke en andere personen van rang, alsmede niet alleen Saksische maar ook buitenlandse ministers, hof- en andere chevaliers, samen met vele dames.

Nadat iedereen zijn plaats had ingenomen, er een improvisatie op het orgel had plaatsgevonden en de Ode van de Rouw, geschreven door Magister Johann Christoph Gottsched, lid van het Collegium Marianum, door de pedellen onder de aanwezigen was rondgedeeld, klonk dadelijk de Muziek van de Rouw, die ditmaal door kapelmeester Johann Sebastian Bach in Italiaanse stijl was gecomponeerd, met Clave di Cembalo [klavecimbel], die dhr. Bach zelf bespeelde, orgel, gambas, luiten, violen, blokfluiten, dwarsfluiten, enz., de helft voor en de helft na de lof- en rouwzang.

Leipzig: 5 januari 1728 [honorarium voor gastoptredens van Johann Sebastian Bach]


Landesarchiv Dessau, Cammer-Rechnung Köthen, 1727/28

1728 de 5e [Jan:] Aan de Cantor Bach van Leipzig voor het feest: Nr.404: 24 [reichsthaler].

Leipzig: 11 augustus 1728 [Bach als peetvader van Leopold Spiess]


Parochiebureau van de Jakobskirche Köthen, Doopregister van de Slotkerk 1608-1814

Op 11 augustus kregen dhr. Joseph Spiess, vorstelijk kamermusicus alhier, en zijn vrouw Susanna Christina Appeliin, een zoon, geboren op 8 augustus, gedoopt, genaamd Leopold. De peetouders.
1.) Dhr. Johann Heinrich Dildey, prinselijke stalmeester hier.
2.) Dhr. Johann Sebastian Bach, prinselijke kapelmeester hier.
3.) Mevr. Regina, echtgenote van dhr. von Schnurbein ...

Leipzig: 8 sept 1728 [brief m.b.t. een klacht aangaande Bachs wens de liederen van de kerkdienst te kiezen]


Van het consistorie aan superintendent Deyling

Begroeting: MEEST EERWAARDE, MEEST GELEERDE, BIJZONDER GELIEFDE COLLEGA, GRACIEUZE HEER EN GOEDE VRIEND!

Overwegende, dat de plaatsvervangende diaken van de St. Nicolaaskerk van deze plaats bijgaande klacht heeft ingediend over de Cantor van de St. Thomasschool, Johann Sebastian Bach, betreffende het zingen van de hymnen bij de vesper-preken; Nu, daarom, in naam van de meest Serene en Machtige Prins en Heer, Frederik Augustus, Koning in Polen, etc., Hertog in Saksen, Jilich, Kleef, Berg, Engern en Westfalen, Aartshertog en Keurvorst van het Heilige Roomse Rijk, Landgraaf in Thüringen, Markgraaf van Meissen, ook Boven- en Neder-Lausitz, Burggraaf van Maagdenburg, Prins en Graaf van Henneberg, Graaf van de Mark, van Ravensberg en Barbey, Heer van Ravenstein, Onze Barmhartige Heer, eisen wij van hem [Deyling] dat hij de Cantor meedeelt dat wanneer de predikanten aankondigen dat er voor of na de preek bepaalde gezangen gezongen moeten worden, hij zich daarnaar zal richten en die ook zal laten zingen. Op dit punt hebben wij niet willen zwijgen, en zijn bereid hem van dienst te zijn. De leden van het Consistorie van de Keurvorst en Prins van Saksen in deze plaats

Gegeven te Leipzig, 8 september 1728

Leipzig: 20 sept 1728 [brief aan de gemeenteraad van Leipzig m.b.t. kiezen van Hymnen]


Aan de gemeenteraad van Leipzig

Uwe Hoogheden, Meest Nobele, Meest Voorname, Standvastige, Vereerde en Meest Geleerde, tevens Meest Wijze, Meest Hooggeachte Heren en Patronen!

Uwe Hoogheden en U, Edele en Zeer Achtenswaardige Heren, zult u zich genadig willen herinneren hoe ik, ter gelegenheid van mijn aanvaarding van de roeping tot het Cantoraat van de St. Thomas School hier, die mij is toevertrouwd, door Uwe Verhevenheid en U, Meest Nobele en Meest Voorname Heren, werd opgedragen mij in alle dingen strikt te houden aan de tot nu toe gevolgde gebruiken bij de openbare k erkdienst, en geen vernieuwingen aan te brengen; en hoe mij genadig werd verzekerd dat U mij in deze zaak zou begunstigen met Uw Hoge Bescherming. Tot deze gebruiken en gewoonten behoorde de ordening van de gezangen voor en na de preken, die altijd uitsluitend aan mij en mijn voorgangers in de Cantorij werd overgelaten om te regelen, in overeenstemming met de Evangeliën en het daarop gebaseerde Dresdner Gesangbuch, zoals passend voor het seizoen en de omstandigheden, en, zoals de eerbiedwaardige dienst kan getuigen, is hierover nooit een conflict ontstaan. In tegenstelling tot deze praktijk, echter, heeft de subdiaken van St. Nickolaaskerk, Magister Gottlieb Gaudlitz, het op zich genomen om een vernieuwing door te voeren en heeft getracht om in plaats van de gezangen die volgens het gevestigde gebruik waren gekozen, andere in te voeren, en toen ik aarzelde om, vanwege de mogelijk te vrezen gevolgen, hieraan gehoor te geven, diende hij een klacht tegen mij in bij de Meest Eerbiedwaardige Consistorie, en werkte een bevel tegen mij uit op grond waarvan ik de gezangen had moeten laten zingen die de voorganger zou kiezen. Welnu, het lijkt mij des te minder gepast om een dergelijke regeling uit te voeren zonder voorafgaande kennis van Uwe Hoogheden en U, Edelachtbare en Zeer Geëerde Heren, als de Hoge Beschermheren van de kerken in deze stad, daar de ordening van de gezangen tot nu toe zo lang ongestoord een functie van de Cantorij is gebleven, en de genoemde heer Gaudlitz zelf toegeeft, in het document dat door hem aan het Allerheiligst Consistorie is gericht en waarvan een kopie als Bewijsstuk A is bijgevoegd, dat bij de enkele gelegenheden dat hij zijn zin kreeg, mij als Cantor om mijn goedkeuring is gevraagd. Hieraan kan worden toegevoegd, dat wanneer naast de concerterende muziek zeer lange gezangen worden gezongen, de dienst wordt opgehouden en men met allerlei wanordelijkheden rekening zou moeten houden; nog afgezien van het feit, dat niet één van de geestelijken, behalve Magister Gaudlitz, de subdiaken, deze vernieuwing wil invoeren. Ik heb het nodig gevonden deze zaak gehoorzaam onder de aandacht te brengen van Uwe Hoogheden en U, Edelachtbare en Zeer Geachte Heren, met het nederige verzoek dat U mij beschermt met betrekking tot de oude gebruiken betreffende de gezangen en hun ordening.

Daarom zal ik mijn leven lang blijven,

Uwe Hoogheden en Edelachtbare Heren,

Uw meest gehoorzame

JOHANN SEBASTIAN BACH

Leipzig, 20 september 1728

1728 [Mattheson over Bachs auditie voor de post van organist bij de St. Jacobi in Hamburg]


'Der Musicalische Patriot'

Ik herinner mij, en een hele grote gemeente zal zich dat waarschijnlijk ook herinneren, dat een paar jaar geleden een zekere grote virtuoos, wiens verdiensten hem sindsdien een fraai cantoraat hebben opgeleverd, zich kandidaat stelde voor de post van organist in een stad van niet geringe omvang, zijn spel op de meest uiteenlopende en grootste orgels tentoonspreidde, en alom bewondering wekte voor zijn bekwaamheid; maar er diende zich tegelijkertijd, tussen andere ongeschoolde ambachtslieden, de zoon van een welgestelde ambachtsman aan, die beter kon preluderen met zijn 'thalers dan met zijn vingers en hij kreeg de post, zoals men gemakkelijk kan vermoeden, ondanks het feit dat bijna iedereen er kwaad over was. Dit gebeurde juist in de Kersttijd, en de welsprekende hoofdprediker, die zich niet had aangesloten bij de Simoniaanse beraadslagingen, zette op de prachtigste wijze het evangelie uiteen van de muziek van de engelen bij de geboorte van Christus, waarbij het recente voorval van de afgewezen kunstenaar hem heel natuurlijk de gelegenheid gaf zijn gedachten te openbaren, en zijn preek af te sluiten met zoiets als de volgende uitspraak: hij was er vast van overtuigd dat zelfs als een van de engelen van Bethlehem uit de hemel zou neerdalen, iemand die goddelijk speelde en organist van St. Jacobi wilde worden, maar geen geld had, hij net zo goed weer weg kon vliegen.

Leipzig: 20 maart 1729 [aanbevelingsbrief leerling]


Aanbevelingsbrief leerling Christoph Gottlob Wecker

De houder dezes, de heer Christoph Gottlob Wecker, LL. Candidatus zowel als in Musicis Peritus, heeft mij, ondergetekende, verzocht hem een attest te willen overhandigen betreffende enerzijds zijn gedrag in deze plaats en anderzijds zijn kennis van muziek. Daar ik dus omtrent hem het volgende kan getuigen: dat zijn gedrag van dien aard is geweest, dat het volle voldoening geeft; en inzonderheid dat zijn kennis in de muziek hem overal tot een welkome gast heeft gemaakt, te meer daar hij verschillende instrumenten even goed beheerst en het zich niet minder veroorlooft zich vocaliter te doen horen, en hij evenzeer in staat is geweest verdienstelijke bijstand te verlenen in mijn kerk- en andere muziek; daarom heb ik dit getuigenis met mijn eigen hand opgesteld, en de rest aan hem overgelaten om aan u te bewijzen.

JOH. SEBAST. BACH

Kapelmeester van den Prins van Saksen-Weissenfels zowel als van den Prins van Anhalt-Cöthen, Directeur Chori Musices Lipsiensis en Cantor aan St. Thomas alhier

Leipzig, 20 maart, 1729

Leipzig: 20 maart 1729 [brief aan C.G. Wecker]


Aan Christoph Gottlob Wecker

Monsieur, Mon Tres Honoré Amy,

U zult het niet verkeerd opvatten dat een afwezigheid van drie weken mij heeft belet uw vriendelijke brief eerder te beantwoorden. Uit de brief maak ik op dat de goede God uw voetstappen lijkt te leiden in de richting van een positie. Daarin wens ik u een goddelijk fiat toe, en het zou mij verheugen, indien mijn bescheiden getuigenis, dat u hierbij wordt aangeboden, daartoe iets zou bijdragen. Met de door U gevraagde passiemuziek zou ik U gaarne van dienst zijn, indien ik die zelf dit jaar niet nodig zou hebben. Verder ben ik u erkentelijk voor de moeite die u zich getroost hebt in verband met de Hauckwitz-schuld, die mij nog tegoed staat, en zoek daarom elke gelegenheid (vooral als het tot daadwerkelijke betaling zou komen) om mijzelf oprecht dankbaar te tonen. Als u nog iets vindt, waarin ik u van dienst kan zijn, smeek ik u mij dat mede te delen; ik zal met alle vaardigheid laten zien, dat ik altijd te op te roepen ben,

Monsieur, mon tres honoré Amy, votre tres sedié serviteur

JOH. SEB. BACH

Leipzig, 20 maart 1729

P.S. Het laatste bericht is dat de lieve Heer nu ook voor de integere heer Schott heeft gezorgd, en hem de post van Cantor in Gotha heeft geschonken; daarom zal hij volgende week afscheid nemen, daar ik bereid ben zijn Collegium over te nemen.

Leipzig: 23 en 24 maart 1729 [verzorgen begravenismuziek (BWV 244.1) bij de Prins van Anhalt-Köthen]


Uit de hofrekeningen van Köthen

Aan kapelmeester Bach, zijn vrouw en zoon uit Leipzig, hierheen geroepen, ook aan de musici uit Halle, Merseburg, Zerbst, Dessau en Gusten, die hebben geholpen bij het verzorgen van de begrafenismuziek voor Zijne Wijlen Doorluchtige Hoogheid, Prins Leopold, ter gelegenheid van de teraardebestelling, 23 maart 1729, en de begrafenisrede, 24 maart 1729, als afrekening inclusief kostgeld, 230 thlr.

Leipzig: 18 april 1729 [Bach adverteert voor publicaties]


Uit de Leipziger Post-Zeitungen

De muzikale amateurs worden geïnformeerd dat de onlangs gepubliceerde verhandeling van heer kapelmeester Heinichen uit Dresden, getiteld 'Der General-Bass in der Composition', op instigatie van goede vrienden op de volgende plaatsen in Duitsland in opdracht te vinden zal zijn, namelijk: in Hamburg bij dhr. Kapelmeester Mattheson; in Hessen-Darmstadt van de heer kapelmeester Graupner; in Wolfenbuttel van de heer Concertmeester Simonetti; in Berlijn van de koninklijke kamermusicus, de heer Glosch; in Leipzig van de heer kapelmeester Bach; in Freiberg van de organist en mathematicus de heer Lindner; en in Dresden van de auteur van het boek. Omdat deze echter op hoge kosten het vervoer van de exemplaren naar de genoemde buitenlandse plaatsen heeft moeten regelen, zullen de heren amateurs het goedvinden om boven de zeer nette prijs van 2 rthl. voor elk exemplaar nog eens 2, 4, en afhankelijk van de afstand tot 6 gr. extra aan portokosten te betalen. NB. Van bovengenoemde kapelmeester Bach kan ook verkregen worden dhr. Johann Gottfried Walther's Musicalisches Lexicon, Litera A [eerste aflevering], voor 2 gr.

Leipzig: vóór 18 mei 1729 [verdeling van het Thomaskoor in 4 koren]


In de St.Nikolaaskerk tot het eerste koor behoren:

3 Discanten 3 Altisten 3 Tenors 3 Bassen

In de St.Thomaskerk tot het tweede koor behoren:

3 Discanten 3 Altisten 3 Tenors 3 Bassen

In de Nieuwe Kerk tot het derde koor behoren:

3 Discanten 3 Altisten 3 Tenors 3 Bassen

Tot het vierde koor behoren:

2 Sopranen 2 Altisten 2 Tenors 2 Bassen

En dit laatste koor moet ook de Petruskerk bemannen. etc.

Leipzig: 18 mei 1729 [voorstel aan de gemeenteraad van Leipzig m.b.t. toelating leerlingen tot de St. Thomas]


Van C.L. Stieglitz (voorzitter) Aan de gemeenteraad van Leipzig

Door vertrek uit het verleden zijn er negen plaatsen voor alumni aan de school van de St. Thomas vrijgekomen, waarvoor schriftelijk aanvragen zijn ingediend, opgesomd in de bijgevoegde specificaties [die hierna volgende brieven van J.S. Bach], sub A. nr. 1, deels met verklaringen van de heer rector of co-rector, alsmede sub nr. 2, die niet schriftelijk, gebaseerd op de suggestie van de heer Kapelmeester en Cantor Bach. Wat betreft de mondeling waargenomen mening van de heer Bach, m.b.t. graad B. en C., zijn de genoemden bekwaam in het zingen; voor de overigen is een dergelijke dispositie niet gevonden. In bijlage sub D. neemt hij echter de gelegenheid te baat om erop te wijzen dat er, wat het zingen in de diensten van alle vijf kerken betreft, behoefte is aan 44 jongens. Aangezien velen van hen die tot nu toe ingezet zijn de school verlaten hebben en de kerken op geen enkele wijze bediend kunnen worden door de huidige oud-leerlingen, verzoekt dezelfde de heer rector om, voor zover mogelijk, de onvermijdelijke noodzaak te overwegen om zich te bezinnen op personen die bekwaam zijn in muziek en zang, om de vrijgekomen plaatsen te vullen. Hierna legde de heer rector zijn cijfer, sub E en F, over, hoe hij de jongens, die aan zijn examen waren onderworpen, had beoordeeld. Om een duidelijker onderscheid te maken, werden de namen van de jongens die in beide graden het bekwaamst werden bevonden, voorafgegaan door dubbele strepen in het rood. Een wijze Raad zal zo vriendelijk zijn te besluiten wie van hen allen als oud-leerling zal worden aangenomen.

Leipzig, 18 mei 1729.

DR. CHRISTIAN LUDWIG STIEGLITZ als voorzitter

Leipzig: 18 mei 1729 [voorstel aan de gemeenteraad van Leipzig m.b.t. toelating leerlingen tot de St. Thomas]


Aan de gemeenteraad van Leipzig

De jongens die toegelaten willen worden om in de huidige vacatures in de school van St. Thomas te voorzien als inwonende studenten zijn als volgt:

1. Zij die voor de muziek kunnen worden ingezet:

Sopranen

(1)Christoph Friedrich Meissner, van Weissenfels, 13 jaar oud, heeft een goede stem en een fijne bekwaamheid.

(2)Johann Tobias Krebs, van Buttstädt, 13 jaar oud, heeft een goede sterke stem en een prima bekwaamheid.

(3)Samuel Kittler, van Bellgern, 13 jaar, heeft een tamelijk sterke stem en een goede bekwaamheid.

(4)Johann Heinrich Hillmeyer, van Gehrings Walde, 13 jaar oud, heeft een sterke stem en een goede bekwaamheid.

(5)Johann August Landvoigt, van Gaschwitz, 13 jaar oud, heeft een redelijke stem; zijn bedrevenheid is redelijk.

(6)Johann Andreas Köpping, van Grossboden, 14 jaar oud, heeft een tamelijk sterke stem; zijn bekwaamheid is middelmatig.

(7)Johann Gottlieb Krause, van Grossdeuben, 14 jaar, heeft een enigszins zwakke stem en een middelmatige bekwaamheid.

(8)Johann Georg Leg, van Leipzig, 13 jaar, wiens stem ietwat zwak is en zijn bekwaamheid gering.

Alten

(9)Johann Gottfried Neucke, van Grima, 14 jaar oud, heeft een sterke stem en een vrij goede bekwaamheid.

(10) Gottfried Christof Hofmann, van Nebra, 16 jaar oud, heeft een behoorlijke altstem, maar zijn bekwaamheid is nog tamelijk gering.

2. Zij die geen muzikale scholing hebben gehad:

(1) Johann Tobias Dieze

(2) Gottlob Michael Wintzer

(3) Johann David Bauer

(4) Johanna Margarethe Pfeil's zoon

(5) Gottlob Ernst Hausius

(6) Wilhelm Ludewigs zoon Friedrich Wilhelm

(7) Johann Gottlieb Zeymer

(8) Johann Gottfried Berger

(9) Johann Gottfried Eschner

(10) Salomon Gottfried Reülich

(11) Michael Henrich Kittler van Prettin

JOH. SEBAST. BACH

Direct. Musicus en Cantor van de St. Thomas

Leipzig: 18 mei 1729 [aanvulling bij vorige voorstel aan de gemeenteraad van Leipzig m.b.t. toelating leerlingen tot de St. Thomas]


Aan de gemeenteraad van Leipzig

Gottwald Pezold uit Aurich, 14 jaar oud, heeft een fijne stem en zijn vaardigheid is voldoende.

Johann Christoph Schmid uit Bendlebn, 19 jaar oud, heeft een tamelijk sterke tenorstem en raakt de noten heel mooi.

Leipzig: 18 mei 1729 [2e aanvulling bij vorige voorstel aan de gemeenteraad van Leipzig m.b.t. toelating leerlingen tot de St. Thomas]


Aan de gemeenteraad van Leipzig

Voor de St. Nikolaaskerk

heeft het 1e koor nodig:

3 Sopranen

3 Altos

3 Tenoren

3 Bassen

Voor de St. Thomaskerk

heeft het 3e koor nodig:

3 Sopranen

3 Altos

3 Tenoren

3 Bassen

Voor de Nieuwe Kerk

heeft het 3e koor nodig:

3 Sopranen

3 Altos

3 Tenoren

3 Bassen

Het 4e koor:

2 Sopranen

2 Altos

2 Tenoren

2 Bassen

En dit laatste koor moet ook de St. Pieter verzorgen

Leipzig: 21 mei 1729 [3e aanvulling op voornoemde rapporten]


Aan de gemeenteraad van Leipzig

a. Carolus Heinrich Scharff, 14 jaar oud, heeft een goede altstem, en matige bekwaamheid in muziek.

Mei 21, 1729

J.S. BACH,

Cantor etc.

Leipzig: juni 1729 [nieuwe instrumenten voor de St. Thomas en een slot daarvoor]


Dokumente zur Geschichte des Leipziger Thomaskantorats

1729 Juni. De koster heeft een nieuw slot laten maken op het koor van de leerlingen, waarin de nieuw verworven kerkinstrumenten worden bewaard. [...] NB. In dit jaar kocht de Geëerde Hofraad [Burgemeester] Johann Gottfried Lange 2 nieuwe violen, 1. Praatsche en violon Schello [waarschijnlijk een 'Bratsche', een Duits woord voor altviool, en een violoncello].

Leipzig: 3 juni 1729 [4e aanvulling op voornoemde rapporten]


Aan de gemeenteraad van Leipzig

De hierboven genoemde Wünzer heeft een ietwat zwakke stem, en nog weinig vaardigheid, maar hij zal (als men ijverig privé-oefeningen houdt) mettertijd inzetbaar worden.

J.S. BACH,

Cantor enz.

Leipzig, 3 juni 1729

Leipzig: 2 augustus 1729 [Bach krijgt bestelling voor het componeren van een cantate voor de raad]


Van de stadsscribent

Heb bij de heer superintendent, D. Deyling, de preek besteld voor de inhuldiging van de nieuwen raad, op aanstaande maandag; ook heeft de portier de muziek besteld bij de cantor.

Leipzig: 12 september 1729 [aanbevelingsbrief voor leerling]


Voor J.G. Grahl

Omdat de houder hiervan, de heer Johann Gottlieb Grahl, student in de theologie en zeer bedreven in de muziek, de ondergetekende heeft verzocht hem een paar regels te schrijven betreffende zijn optreden hier en zijn ijver en daaruit voortvloeiende bekwaamheid in de muziek, wil ik ter voldoening verklaren, dat het niet gemakkelijk zal zijn iemand te vinden die het niet met mij volkomen eens zal zijn dat deze volledig tot tevredenheid stemt, en dat zijn bekwaamheid in de muziekkunst zelf het beste bewijs zal geven. Leipzig, 12 september 1729

JOH: SEBAST: BACH

Kapelmeester van de keurvorst van Saxen-Weissenfels en Directeur Chori Musici Lipsiensis

Leipzig: 25 december 1729 [Bachs leerling Joh. Caspar Vogler vergelijkt zichzelf met Bach]


Uit een sollicitatiebrief voor een organistenpost in Gorlitz

Hierbij meld ik dat ik een leerling ben geweest van de beroemde heer Bach, die nu muziekdirecteur in Leipzig is en die, zoals hij mij zelf vertelde, nog niet persoonlijk in Gorlitz is geweest, maar wiens reputatie daar wellicht bekend is. Wat deugdzaamheid op het orgel en snelheid van handen en voeten betreft, kom ik hier in Saksen het dichtst bij hem in de buurt, wat het best kan worden aangetoond door een feitelijke presentatie.

1729 [over Bachs relatie met Gottfried Walther]


Nu moet ik daaraan toevoegen dat wat betreft het werk van Duitse organisten, met name de beroemde Buxtehude en Bach, ik de connoisseur op de reeds genoemde wijze van dienst kan zijn, aangezien ik veel, in feite meer dan in totaal 200 stukken, van beiden bezit. Die van de eerstgenoemde heb ik voornamelijk gekregen van wijlen de heer Werckmeister, in de hand van de heer Buxtehude zelf en in Duitse tabulatuur; die van de laatstgenoemde echter van de auteur zelf, die hier negen jaar lang hoforganist was, en die mijn neef en een beschermheer was, samen met mij, als peetvader.

1729-1737 [nieuwe instrumenten voor de St.Thomas]


Stadsarchief Leipzig

2. Nieuwe, fijn aan de binnenrand ingelegde, violen.
1. Zo'n fijne altviool met strijkstok van Indiaas hout.
1. Soortgelijke fijne violoncello met strijkstok van pernambuco [hout].
Deze 4 instrumenten werden gekocht in 1729, bevinden zich in het koor waarvan de cantor de sleutel heeft [...]

1. boek: 'Responsoria en Motetten' Anno 1732 door Dhr. Rector M. Geßner.
1. boek: 'Florilegium' genoemd door Dhr. Cantor Bach Anno 1737.

Leipzig: 14 januari 1730 [aanbevelingsbrief voor leerling]


Voor J.C. Weyrauch

Daar de drager, de heer Johann Christian Weyrauch, kandidaat jurist in kerkelijk en civiel recht, mij, ondergetekende, verzocht hem een officiele getuigenis te geven betreffende zijne kennis in de muziek, heb ik het mijn plicht gevoeld niet na te laten aan zijne wens dienaangaande te voldoen, in aanmerking nemende dat hij alleen niet verschillende instrumenten beheerst maar zich ook goed vocaal kan laten horen, vele voorbeelden van zijne bekwaamheid heeft gegeven, en ook op verzoek kan tonen wat hij in de kunst van het componeren heeft volbracht. Ik twijfel er niet aan, dat hij de juistheid van dit alles persoonlijk zal kunnen bewijzen.

Leipzig, 14 januari 1730

JOH. SEBAST. BACH

Kapelmeester van de keurvorst van S.-W en Directeur Chori Musici Lipsiensis

Leipzig: 16 februari 1730 [brief van het consistorie aan Dr. Deyling m.b.t. het gebruik van onbekende hymnen]


Van het consistorie aan superintendent Deyling

MEEST EERWAARDE, MEEST GELEERDE, BIJZONDER GELIEFDE COL-LEAGUE, GRACIEUZE HEER EN GOEDE VRIEND! Overwegende dat de aandacht is gevestigd op het feit dat in de openbare diensten gedurende de afgelopen adventstijd het reciteren van de Geloofsbelijdenis van Nicea is weggelaten en dat men nieuwe, tot nu toe onbekende gezangen wilde zingen en introduceren, maar dat een dergelijke arbitraire procedure niet kan worden getolereerd, Nu, daarom, in de Naam van de Meest Serene en Machtige Prins en Heer, Frederik Augustus, Koning in Polen, etc., Hertog in Saksen, Julich, Kleef, Berg, Engern en Westfalen, Aartshertog en Keurvorst van het Heilige Roomse Rijk, Landgraaf in Thüringen, Markgraaf van Meissen, ook van Boven- en Neder-Lausitz, Burggraaf van Maagdenburg, Prins en Graaf van Henneberg, Graaf van de Mark, van Ravensberg en Barbey, Heer van Ravenstein, Onze Barmhartige Heer, wij eisen van hem [Bach] dat hij ervoor zorgt dat ook in de kerken van deze stad de zaken dienovereenkomstig worden geregeld en dat nieuwe gezangen, die tot nu toe niet gebruikelijk waren, niet zonder zijn, of desnoods onze, voorkennis en goedkeuring in openbare diensten worden gebruikt. Op dit punt hebben wij niet willen zwijgen.
De leden van het Consistorie van de keurvorst en prins van Saksen,
Gegeven te Leipzig, 16 februari 1730 in die plaats

[noot: het is niet bekend wie of wat de oorzaak was van deze respons van het consistorie]

Leipzig: 2 augustus 1730 [de raad bespreekt klachten over Bachs functioneren]


Uit de notulen van de Leipziger Raad

De St. Thomasschool was dikwijls onderwerp van discussie geweest en de plannen en projecten lagen voor het grijpen, maar zij moesten nog nader worden onderzocht. In dit verband zij eraan herinnerd, dat de Cantor, toen hij hier kwam, dispensatie had gekregen voor het onderwijs; Magister Pezold vervulde de functies met moeite; de derde en vierde klas waren de kweekvijvers van de hele school, en daarom moest een bekwaam persoon de leiding over hen krijgen; de Cantor mocht een van de laagste klassen onder zijn hoede nemen; hij heeft zich niet naar behoren gedragen (zonder voorkennis van de dienstdoende burgemeester [heeft hij] een koorleerling weggestuurd; is weggegaan zonder verlof te hebben gekregen), hetgeen hem moet worden verweten en vermaand; thans moet worden overwogen of de genoemde klassen niet van een ander moeten worden voorzien; Magister Kriegel zou een goed man zijn, en daarover zou een besluit moeten worden genomen. Raadslid Lange: alles was waar wat tegen den Cantor was aangevoerd, en hij kon vermaand worden en de functie door Magister Kriegel overgenomen. Raadslid Steger: niet alleen deed de Cantor niets, maar hij was zelfs niet bereid een verklaring te geven voor dat feit; hij gaf de zanglessen niet, en daarnaast waren er nog andere klachten; een verandering zou nodig zijn, er zou eens een pauze moeten komen, en hij zou berusten in het maken van andere afspraken. Diocesaan Wethouder Born: stemde in met de bovenstaande stemmingen. Dr. Hazel: Evenzo. Commissaris Dr. Falckner: Evenzo. Commissaris Kregel: Evenzo. Syndicus Job: Evenzo, aangezien de Cantor onverbeterlijk was. Commissaris Sieber: Insgelijks. Commissaris Winckler: Evenzo. Commissaris Hohmann: Evenzo. Ik [de griffier]: Evenzo.

Hierop wordt besloten de [incidentele] inkomsten van de Cantor te beperken.

Leipzig: 23 augustus 1730 [brief aan de gemeenteraad van Leipzig]


Aan de Gemeenteraad van Leipzig

Korte, maar zeer noodzakelijke uiteenzetting van een goed geoutilleerde kerkmuziek; samen met enkele niet voorziene beschouwingen over het verval daarvan.

Een goed uitgeruste kerkmuziek vereist vocalisten en instrumentalisten.

De vocalisten in deze plaats worden gevormd door de leerlingen van de St. Thomasschool, en wel in vier categorieën, te weten sopranen, alten, tenoren en bassen.

Om de koren van kerkstukken naar behoren te kunnen uitvoeren, moeten de vocalisten op hun beurt in 2 soorten worden verdeeld, namelijk concertisten [soloisten] en repienisten [ensemblespelers].

De concertisten zijn gewoonlijk 4 in getal; soms ook 5, 6, 7, of zelfs 8; dat wil zeggen, indien men muziek voor twee koren wil uitvoeren.

Ook de ripiënisten moeten minstens 8 in getal zijn, namelijk twee voor elke partij.

De instrumentalisten worden eveneens in verschillende typen verdeeld, te weten strijkers, hoboïsten, fluitisten, trompettisten en slagwerkers. N.B. Onder de strijkers vallen ook degenen die de altviolen, de violoncello's, en de contrabassen bespelen.

Het aantal inwonende leerlingen van de St. Thomas School is 55. Deze 55 zijn verdeeld in 4 koren, voor de vier kerken, waarin zij deels concertmuziek met instrumenten, deels motetten en deels koralen moeten zingen. In de 3 kerken, namelijk St. Thomas, St. Nicolaas en de Nieuwe Kerk moeten de leerlingen allemaal muzikaal zijn. De St. Pieter ontvangt het overige deel, namelijk zij die geen kennis van muziek hebben en nog maar net een koraal kunnen zingen.

Elk muziekkoor moet tenminste 3 sopranen, 3 alten, 3 tenoren en evenveel bassen bevatten, zodat zelfs als er één ziek wordt (wat zeer vaak gebeurt, vooral in deze tijd van het jaar, zoals uit de recepten van de schoolarts voor de apotheker moet blijken) tenminste een dubbelkorig motet kan worden gezongen. (N.B. Hoewel het nog beter zou zijn als de groep zodanig was dat men 4 personen voor elke stem zou kunnen hebben en dus elk koor van 16 personen zou kunnen voorzien.)

Hiermee komt het aantal van hen die muziek moeten begrijpen op 36 personen in totaal.

De instrumentale muziek bestaat uit de volgende onderdelen, te weten:

- 2 of 3 voor de eerste viool

- 2 of 3 voor de tweede viool

- 2 voor de eerste altviool

- 2 voor de tweede altviool

- 2 voor de violoncello

- 1 voor de contrabas

- 2 of 3 voor de hobo

- 1 of 2 voor de fagot

- 3 voor de trompetten

- 1 voor de pauken

totaal 18 personen minstens, voor de instrumentale muziek. N.B. Indien het kerkstuk ook met fluiten is gecomponeerd (of het nu blokfluiten of traverso's zijn), zoals zeer dikwijls gebeurt ter wille van de afwisseling, zijn er nog minstens 2 personen nodig, dus in totaal 20 instrumentalisten.

Het aantal personen dat is aangewezen om de kerkmuziek te spelen is 8, te weten, 4 stadspijpers, 3 professionele vioolspelers, en een gezel. Bescheidenheid verbiedt mij eerlijk te spreken over hun kwaliteiten en muzikale kennis. Niettemin moet men bedenken dat zij deels met emeritaat zijn en deels helemaal niet zo geoefend zijn als zij zouden moeten zijn.

Dit is het overzicht van hen:

- Dhr. Reiche - 1e trompet

- Dhr. Genßmar - 2 trompet

- vacature - 3e trompet

- vacature - pauken

- Dhr. Rother - 1 viool

- Dhr. Beyer - 2 viool

- vacature - viola

- vacature - violoncello

- vacature - contrabas

- Dhr. Gleditsch - 1e hobo

- Dhr. Kornagel - 2e hobo

- vacature - 3e hobo of Taille

- De stagair - fagot

Daarbij ontbreken de volgende meest noodzakelijke spelers, deels om bepaalde stemmen te versterken, deels om onmisbare stemmen te leveren, te weten:

- 2 violisten voor viool 1

- 2 violisten voor viool 2

- 2 die altviool spelen

- 2 cellisten

- 1 contrabasist

- 2 fluitisten

Het tekort dat zich hier voordoet, moest tot nu toe gedeeltelijk door de universiteitsstudenten, maar vooral door de inwonende studenten van de St. Thomas School worden aangevuld. Thans hebben de studenten zich bereid getoond dit te doen in de hoop dat een of ander op den duur enige beloning zou ontvangen en misschien met een stipendium of honorarium zou worden begunstigd (zoals vroeger inderdaad gebruikelijk was). Maar dit is niet gebeurd, integendeel, de weinige geringe beneficiën die vroeger aan het muzikantenkorps werden toegekend, zijn succesievelijk ingetrokken; ook de bereidwilligheid van de studenten is verdwenen, want wie wil voor niets werken of diensten verrichten? Voorts zij in herinnering gebracht dat, aangezien de 2e viool meestal, en de altviool, de violoncello en de bas altijd (bij gebrek aan bekwamere spelers) door studenten moesten worden bespeeld, het gemakkelijk te beoordelen is hoeveel het koor daardoor heeft moeten inleveren. Tot nu toe is alleen de zondagse muziek aan de orde geweest. Maar als ik de muziek van de Heilige Dagen noem (op welke dagen ik de beide hoofdkerken van muziek moet voorzien), zal het tekort aan onmisbare spelers nog duidelijker aan het licht komen, te meer daar ik aan het andere koor al die leerlingen moet afstaan, die een of ander instrument bespelen en het geheel zonder hun hulp moet stellen.

Het kan bovendien niet onvermeld blijven dat het feit dat zoveel slecht toegeruste jongens, en jongens die helemaal geen talent voor muziek hebben, tot nu toe tot de school zijn toegelaten, er noodzakelijkerwijs toe heeft geleid dat de muziek in verval is geraakt en achteruit is gegaan. Want het is gemakkelijk in te zien dat een jongen die niets van muziek weet en zelfs geen secunde in zijn keel kan vormen, geen natuurlijk talent kan hebben; en bijgevolg nooit voor muzikale dienst kan worden ingezet. En dat zij, die een paar aanwijzingen meekrijgen, wanneer zij op school komen, niet gereed zijn om onmiddellijk, naar behoefte, ingezet te worden. Want er is geen tijd om zulke leerlingen eerst jaren te onderwijzen, totdat zij gereed zijn om ingezet te worden, maar integendeel; zodra zij aangenomen zijn, worden zij aan de verschillende koren toegewezen, en zij moeten ten minste zeker zijn van maat en toonhoogte om in de kerkdienst ingezet te kunnen worden. Wanneer nu ieder jaar een deel van hen, die iets in de muziek hebben bereikt, de school verlaat en hun plaats wordt ingenomen door anderen, die òf niet inzetbaar zijn òf geen enkele aanleg hebben, dan is het gemakkelijk te begrijpen, dat het muzikantenkorps achteruit moet gaan.

Want het is bekend, dat mijn geëerde voorgangers, de heren Schell en Kuhnau, reeds op de hulp der studenten waren aangewezen, wanneer zij een volledige en goed klinkende muziek wilden produceren, waartoe zij inderdaad in deze mate in staat werden gesteld, doordat niet alleen enkele vocalisten, te weten een bas, een tenor en zelfs een alt, maar ook instrumentalisten, met name twee violisten, door een Edelmoedige en Wijze Raad met onderscheiden stipendia werden begunstigd en aldus werden aangemoedigd om de muzikale uitvoeringen in de kerken te versterken. Nu echter de toestand der muziek geheel anders is dan zij was, daar ons kunstenaarsambacht zeer is uitgebreid, en de smaak verbazend veranderd is, en dientengevolge de vroegere stijl van muziek onze oren niet meer schijnt te behagen, is aanzienlijke hulp nodig; te meer om die musici te kiezen en aan te stellen, welke aan den tegenwoordige muzikale smaak zullen voldoen, de nieuwe soorten van muziek zullen beheersen, en dus in staat zullen zijn de componist en zijn werk recht te doen. Nu zijn de weinige begunstigingen, die eerder vermeerderd dan verminderd hadden moeten worden, geheel aan het muzikantenkorps onttrokken. Het is in ieder geval een beetje vreemd dat van Duitse musici wordt verwacht dat zij in staat zijn om alle soorten muziek, of die nu uit Italië, Frankrijk, Engeland of Polen komt, in één keer en onvoorbereid uit te voeren, net zoals dat bijvoorbeeld kan worden gedaan door virtuozen voor wie de muziek is geschreven en die haar lang van tevoren hebben bestudeerd, ja zelfs bijna uit hun hoofd kennen, en die, het zij opgemerkt, goede salarissen ontvangen, zodat hun werk en hun nijverheid op deze manier rijkelijk worden beloond; terwijl dit daarentegen niet in aanmerking wordt genomen, maar Duitse musici worden overgelaten aan de zorg voor hun eigen levensonderhoud, zodat menigeen, uit zorg om zijn brood, er niet aan kan denken zich te ontwikkelen - laat staan te onderscheiden. Om deze stelling met een voorbeeld te illustreren hoef ik alleen maar naar Dresden te gaan en te zien hoe de musici daar door Zijne Koninklijke Majesteit worden betaald. Het kan niet mis gaan, daar de musici verlost zijn van alle zorg om hun levensonderhoud, vrij van chagrijn en verplicht om elk slechts een enkel instrument te beheersen; het moet daarom wel iets uitnemends en voortreffelijks zijn om te horen. De conclusie is gemakkelijk te trekken: dat met het stopzetten van de beneficia de macht aan mij is ontnomen om de muziek in een betere staat te brengen.

Tot besluit acht ik het nodig de opsomming der tegenwoordige alumni [inwonende leerlingen van de St. Thomas School] bij te voegen, de bekwaamheid van alle musici aan te geven en het aldus aan rijpere reflectie over te laten, of in dergelijke omstandigheden de muziek kan blijven voortbestaan, dan wel of haar nog groter verval te vrezen valt. Het is echter noodzakelijk de gehele groep in drie categorieën te verdelen.

Degenen die inzetbaar zijn, zijn de volgenden:

(1) Pezold, Lange, Stoll, Praefecti, Frick, Krause, Kittler, Pohlreüter, Stein, Burckhard, Siegler, Nitzer, Reichard, Krebs sr. en jr, Schönemann, Heder en Dietel.

De namen van de motetzangers, die eerst een verdere opleiding moeten volgen om uiteindelijk voor concertmuziek te kunnen worden ingezet, luiden als volgt:

(2) Jänigke, Ludewig sr. en jr., Meißner, Neücke sr. en jr., Hillmeyer, Steidel, Heße, Haupt, Suppius, Segnitz, Thieme, Keller, Röder, Oßan, Berger, Lösch, Hauptman en Sachse.

De zangers van de laatste categorie zijn in het geheel geen musici, en hun namen zijn:

(3) Bauer, Graß, Eberhard, Braune, Seyman, Tietze, Hebenstreit, Wintzer, Ößer, Leppert, Haußius, Feller, Crell, Zeymer, Guffer, Eichel en Zwicker.

Per saldo zijn er 17 inzetbaar, 20 nog niet inzetbaar, en 17 ongeschikt.

Leipzig, 23 augustus 1730

JOH.SEB.BACH

Director Musices

Leipzig: 25 augustus 1730 [de raad bespreekt klachten over Bachs functioneren]


Uit de notulen van de Leipziger Raad

De vice-kanselier en burgemeester, Dr. Born, brengt verslag uit: hij heeft gesproken met de Cantor, Bach, maar deze toont weinig animo om te werken [met de leerlingen], en de vraag is of de klas niet moet worden gegeven aan Magister Krugel in plaats van Petzold, zonder extra salaris. Dat is besloten: daartoe zullen regelingen worden getroffen.

Leipzig: 28 oktober 1730 [brief aan zijn jeugdvriend Georg Erdmann]


Aan Georg Erdmann

Zeer geëerde heer,

u zult het een oude vriend niet kwalijk nemen, dat hij zich permitteert u met deze brief lastig te vallen.

Bijna vier jaar zijn voorbij, sinds u mijn laatste brief beantwoordde. Ik herinner mij dat u mij vroeg om wat nieuws met u te delen over hoe het me vergaan is, hetgeen ik bij deze graag wil doen. Sinds onze jeugd kent u mijn loopbaan, tot aan mijn overstap als kapelmeester in Köthen. Daar vond ik een menslievende en bekwame vorst als mijn werkgever en ik voelde mijn dienst als een toekomstige levensfunctie. Maar mijn vorst trouwde met een prinses en had geen interesse of tijd meer voor muziek - misschien omdat zij niet zo voor muziek voelde als hij - en er kwam een baan als muziekleraar aan de Thomas school in Leipzig.

Hoewel ik niet wilde terugkeren van het hofcomponist zijn om muziekleraar te worden, heb ik drie maanden geaarzeld met een beslissing, ze maakten deze baan zo aantrekkelijk, dat ik op een dag (omdat mijn zonen ook wilden studeren), dat ik in godsnaam maar naar Leipzig ben afgereisd en voor hen speelde, die baan kreeg en die heb ik nu nog steeds. Echter, enerzijds omdat deze baan bij lange na niet zoveel betaalt als ze me eerder vertelden, en er anderzijds geen bijverdiensten zijn, bovendien zijn de kosten van levensonderhoud immens en is mijn leidinggevende bijna niet geïnteresseerd in muziek en word ik ook nog eens gedenigreerd, zoek ik nu - met de hulp van God - naar een nieuwe baan, het maakt me niet uit waar.

Als u misschien een aanvaardbare baan vindt in de buurt van waar u woont voor een oude vriend, vraag ik u om mij aan te bevelen, ik zal geen reden tot klagen geven over mijn bereidheid om te werken en ik zou op de beste manier inzetten voor een aanvaarding. Mijn huidige betaling is 700 Reichstaler in een jaar. En als er meer mensen sterven, is er meer extra inkomen met begrafenissen, als de mensen gezond zijn, is er minder geld te verdienen, dus verdiende ik 100 Reichstaler per maand minder. In Thüringen kon ik met 400 Reichstaler in een maand meer bereiken dan hier, omdat de kosten van het levensonderhoud hier zo hoog zijn.

Nu wil ik ook iets persoonlijks melden. Inmiddels ben ik voor de tweede keer getrouwd, nadat mijn eerste vrouw in Köthen is overleden. Uit mijn eerste huwelijk leven nog drie zonen en een dochter, die u jaren geleden in Weimar zag. Uit mijn tweede huwelijk leven nog een zoon en twee dochters. Mijn oudste zoon studeert rechten, de twee anderen gaan nog naar school, de een in de prima, de ander in de secunda. De kinderen uit het tweede huwelijk zijn nog klein, de oudste is zes jaar.

Het zijn allemaal toekomstige musici - ik verzeker, dat ik met mijn gezin al een concert met koor en orkest zou kunnen geven, met name mijn tweede vrouw zingt een prachtige sopraan en de oudste dochter zingt ook niet slecht.

Ik zou onbeleefd zijn, als ik nu meer zou vertellen, daarom eindig ik de brief met alle respect en blijf

uw, eerbare vriend

in dankbaarheid.

Johann Sebastian Bach

Leipzig: Beloken Pasen 1731 [kwitantie voor 3 vaten drank]


Voor Johann Paul Lazern

Dat ik van de heer Johann Paul Lazern, rechtmatig aangesteld Districts- en Drankbelasting Ontvanger van Zijne Koninklijke Majesteit in Polen en Zijne Electorale Hoogheid in Saksen, over het jaar van Lage Zondag 1730 tot 1731, overeenkomstig het Electorale Saksische Decreet van 9 November van het jaar 1646, voor drie vaten, elk 40 groschen en dus in totaal 5 taler, zegge vijf taler, heb ontvangen; dit erken ik hierbij en teken ik voor ontvangst.

Leipzig, op de einddatum Beloken Pasen* 1731.

J.S. Bach Director musices en Cantor van de St. Thomas.

[*noot: eerste zondag na Pasen]

Leipzig: 18 maart 1731 [doop van Christiana Dorothea Bach]


Christiana Dorothea. V[ater]. Dhr. Johann Sebastian Bach, Director Chor. Musices en Cantor in St. Thom. alhier.
M[oeder]. Mevr. Anna Magdalena née Wilcke.
P[eetmoeder]. 1). Mejufrouw Christiana Sibylla, koopman dhr. Georg Heinrich Bosen's dochter.
2). Dhr. M[agister]. Andreas Winckler S. S. Theol. Cand.
3). Mevr. Christiana Dorothea, Dhr. M. Joh. Christian Hebenstreits, conrector van de St. Thom. en zowel filoloog als filosoof alhier.

Leipzig: 4 april 1731 [aanbevelingsbrief voor leerling]


Voor J.A. Scheibe

Waar de drager, Mr. Johann Adolph Scheibe, LL. Studiosus en ijverigste student in de muziek, mij, de ondergetekende, verzocht heeft hem een getuigenis te geven betreffende zijn kennis in muziek, nu, daarom, heb ik het genoegen gehad dit te doen en tegelijkertijd te getuigen dat hij grondig thuis is, niet alleen op het klavier en de viool, maar ook in compositie, en dienovereenkomstig twijfel ik er niet aan dat hij in een positie zal zijn om adequaat bij te dragen aan welke functie God hem ook zal toewijzen.

Leipzig, 4 april 1731

JOH: SEBAST: BACH

Kapelmeester van de keurvorst van Saxen-Weissenfels en Directeur Chori Musici Lipsiensis

Leipzig: 18 april 1731 [alternatieve huisvesting voor de familie Bach tijdens de verbouwing van de Thomasschule document 1]


Voorgesteld wordt ook de Cantor te verstrekken:
1) Een appartement op de binnenplaats van dhr. D[octor] Donndorff, waarvoor 60 rthl. tot Kerstmis.
2) In het Packbusch-huis op een andere verdieping voor 60 thlr.
Maar omdat dit niet voldoende is, en er een paar kamers bij moeten worden genomen voor 75 thlr.
De eerste ligt het dichtst bij het schoolgebouw, waar de lessen zo goed als mogelijk worden voortgezet.

Leipzig: 18 april 1731 [alternatieve huisvesting voor de familie Bach tijdens de verbouwing van de Thomasschule document 2]


Op last van de zittende burgemeester Tit werd dhr. Hofraad D[octor] Stegner aan de heren Senioren voorgesteld, zoals het hoofd der scholen van de St. Thomas had geregeld, dat [...] een gelegenheid [...] 2) werd gevonden voor de cantor hetzij bij de heer D. Donndorff voor 60 thl tot het nieuwe jaar 1732, hetzij bij de raadsheer Packbusch voor 75 thl, [...] waarvoor hij een beschikking wilde hebben aangevraagd.

Alle heren senioren verklaren bij deze dat de huurprijzen in de panden van Koch en Dondorff moeten worden besproken [...].
Johann Zacharias Trefurth
Act. Jur.

Leipzig: 11 mei 1731 [aanbevelingsbrief voor Johann Christoph Dorn]


Voor J.C. Dorn

De drager, Sir Johann Christoph Dorn, student in muziek, heeft de ondergetekende verzocht hem een verklaring te geven omtrent zijn kennis in de muziek.

Omdat ik, na hem te hebben onderzocht, heb vastgesteld, dat hij zowel het klavier als andere instrumenten goed beheerst, en dus in staat is God en het algemeen welzijn te dienen, zou ik zijn redelijk verzoek niet moeten weigeren, maar eerder mijn verwachting uit te spreken, dat naarmate zijn leeftijd toeneemt verwacht mag worden dat hij zich met zijn aangeboren talent zal ontwikkelen tot een bekwaam musicus

JOH. SEB. BACH

Kapelmeester van de keurvorst van Saxen-Weissenfels en Directeur Chori Musici Lipsiensis

Leipzig, 11 mei 1731

1731 [Mattheson noemt de Partitas van Bach en de moeilijkheidsgraad]


Door Johann Mattheson

Laat overigens niemand denken, dat deze aria wordt aangeboden als voorbeeld van een technische etude: want zulke stukken zijn van een heel andere soort. Laat een kunststudent het maar vergelijken met bijvoorbeeld een Suite uit kapelmeester Graupner's zogenaamde’Partien’ voor klavier, of uit mijn ‘Harmonisches Denkmahl’, of uit kapelmeester Bach's ‘Partitas’, en hij zal gemakkelijk het verschil ontdekken. Etudes moeten geoefend worden, en iedereen die het waagt om ze op het eerste gezicht voor te lezen, zou iets heel roekeloos ondernemen, denkend dat hij met zijn jongleerkunstjes de goedgelovigheid van zijn toehoorders kan opdringen - als hij de aarts-klavecinist zelve zou zijn.

Leipzig: 1732 [aanvangstijden van de Zimmermann- en Schellhaferconcerten]


Das jetzt lebende und jetzt florirende Leipzig, 1732

X. Van de regelmatig gehouden concertseries van het Collegiorum Musicorum zijn er twee:
1) Wordt gehouden onder leiding van de cantor de heer Bach bij de heer Gottfried Zimmermann, zomertijd in de tuin op woensdagen van 4 tot 6 uur, en wintertijd op vrijdagen in het koffiehuis aan de Katharinenstrasse, 's avonds van 8 tot 10 uur.
2) Wordt gehouden op donderdag van 8 tot 10 uur, onder leiding van de heer Johann Gottl. Görner, organist van de St. Thomaskerk, in het Schellhafer huis aan de Klostergasse.

Leipzig: Beloken Pasen 1732 [kwitantie voor 3 vaten drank]


Aan Johann Paul Latzer

Dat ik naar behoren heb ontvangen van de heer Johann Paul Latzer, officieel aangesteld als ontvanger van de belasting en de drankbelasting van Zijne Koninklijke Majesteit in Polen en Zijne Doorluchtige Electorale Hoogheid in Saksen, voor de periode van Lage Zondag, 1731, tot dezelfde, 1732, in overeenstemming met de Saksische Kiesverordening van 9 november 1646, het belastingbedrag voor drie vaten, elk 40 gr., samen 5 thaler, zegge vijf thaler; dit heb ik bij deze plichtsgetrouw bevestigd en tegelijkertijd een kwitantie voor hetzelfde gegeven.

JOH. SEB. BACH

Direct. Musices and Cantor van de St. Thomas

Leipzig, Beloken Pasen*, 1732

D S Deyling S mpp

Th Wagner mpp

[*noot: 1e zondag na paaszondag.

Leipzig: 5 juni [feestcantate voor de herinwijding van de school, BWV Anh. 18]


Titelblad van de gedrukte tekst, gedrukt door Bernhard Christoph Breitkopf

Daar de

door de

Eerwaardige Hoog Edele

en

Hoge Wijze Raad

van de stad Leipzig

nieuw gebouwde en ingerichte

School van de St. Thomas

op 5 juni werd ingehuldigd met verschillende toespraken,

werd de volgende

CANTATE

gemaakt en daar uitgevoerd

door

Joh. Sebastian Bach,

Prinselijk Saksisch. Weissfels. Kappelmeester, en cantor van genoemde school,

en

M. Johann Heinrich Winckler,

Collega IV.

Kassel: 22 September 1732 [inspectie herbouwd orgel te Kassel]


Uit de Kasselse 'Polizey- en Commerzienzeitung'

Het grote en kostbare orgel in de Collegiale St. Martinuskerk, of de zogenaamde Grote Kerk, waaraan bijna drie jaar is gewerkt, is eindelijk aan de mode van de tijd aangepast en tot perfectie gebracht. Wanneer dit orgel, overeenkomstig de orders van de Hoge Autoriteit, door de beroemde organist en muziekdirecteur de heer Bach uit Leipzig, met hulp van de hof- en stadsorganist alhier, de heer Carl Möller, zal zijn onderzocht, in de hoop dat het de gewenste proef zal doorstaan, zal het aanstaande zondag, God geve het, in openbare samenkomst ten volle worden bespeeld en met muzikale harmonie worden ingewijd. Het is de wens dat het genoemde werk, voornamelijk bedoeld tot eer van God, zal dienen om de gemeente als geheel en een ieder in het bijzonder te bezielen.

Kassel: 1732 [vergoedingen aan Bach m.b.t. inspectie van het orgel in Kassel]


Uit de rekeningboeken

Aan de kapelmeester de heer Bach uit Leipzig, die het orgel onderzocht en beproefd heeft, 50 thlr. toegekend als honorarium en 26 thlr. reiskosten, welke aan dezelve per order zijn uitbetaald, en naar behoren zijn ontvangen .... 76 thlr. kostgeld voor de kapelmeester de heer Bach en echtgenote voor de tijd gedurende welke zij hier verbleven, betaald aan de heer Holtzschue per beschikking, en naar behoren ontvangen .... 84 thlr.

Leipzig: 6 januari 1733 [aankondiging concert in het Zimmermann koffiehuis]


Uit het 'Nachricht auch Frag u. Anzeiger'

Vanavond om 8 uur is het 'Bachische Conzert' in het Zimmermann Koffiehuis aan de Katharinenstrasse.

Leipzig: 17 juni 1733 [aankondiging hervatting concertreeks in het Zimmermann koffiehuis na periode van rouw]


Leipzig: 27 juli 1733 [brief aan Frederik Augustus II m.b.t. het verkrijgen van een titel, bijgevoegd bij de Mis BWV 232]


Aan Frederik Augustus II

Mijn Meest Genadige Heer, Meest Serene Keurvorst, Meest Genadige Heer!

Aan Uwe Koninklijke Hoogheid leg ik in diepste devotie dit kleine werkje voor van die wetenschap die ik in de muziek heb bereikt, met de volkomen onderdanige bede dat Uwe Hoogheid het met de meest genadige ogen zal bekijken, overeenkomstig Uwe Hoogheid's wereldberoemde clementie en niet overeenkomstig de povere compositie; en mij aldus verwaardigt onder Uw Allermachtigste Bescherming te nemen. Gedurende enkele jaren en tot op dit moment heb ik de leiding gehad over de muziek in de twee voornaamste kerken van Leipzig, maar heb in alle onschuld de ene na de andere blessure moeten lijden, en bij gelegenheid ook een vermindering van de honoraria die mij in dit ambt toekwamen; maar deze schade zou geheel verdwijnen als Uwe Koninklijke Hoogheid mij de gunst zou willen verlenen om mij een titel van Uwe Hoogheid's Hofkapel te verlenen, en Uw Hoge Bevel voor het uitvaardigen van zulk een document naar de juiste plaats zou willen laten gaan. Zulk een genadige verwerkelijking van mijn aller nederigst gebed zal mij tot oneindige toewijding binden, en ik bied mijzelf in de meest verschuldigde gehoorzaamheid aan om te allen tijde, op Uwer Koninklijke Hoogheid's allerbarmhartigste wens, mijn onvermoeide ijver te tonen in het componeren van muziek voor de kerk zowel als voor het orkest, en al mijn krachten te wijden aan de dienst van Uwe Hoogheid, en in onophoudelijke trouw Uwe Koninklijke Hoogheid's aller nederigste en meest gehoorzame dienaar te blijven

Dressden, 27 juli 1733

JOHANN SEBASTIAN BACH

Leipzig: 3 augustus 1733 [cantate ter ere van de naamdag van Fr. August II]


'Nouvelles' van Leipzig

Het Bachische Collegium Musicum, dat hier in de Tuin van Zimmerman floreert tijdens het zomerseizoen, zal de verheven Naamdag van Zijne Koninklijke Hoogheid de Keurvorst van Saksen, alleronderdanigst vieren met een concert geven met plechtige muziek van 4 tot 7 uur in de namiddag.

Leipzig: 25 augustus 1733 [brief aan de Raad m.b.t. een onwillige debiteur]


Brief van Bach, Johann Schneider, en Johann Matthias Gesner

UWE MAJESTEITEN, MEEST NOBELE, MEEST GELEERDE, MEEST WIJZE, EN HOOGST GEWAARDEERDE HEREN EN EMINENTE BESCHERMHEREN!

Moge het Uwe Hoogheden en U, Edelachtbare Heren, behagen hierbij te vernemen hoe de heer Johann Friedrich Eitelwein, koopman van deze plaats, op 12 augustus van dit jaar buiten Leipzig in het huwelijk is getreden en zich daarom gerechtvaardigd acht de ons uit dien hoofde verschuldigde honoraria in te houden en heeft, vele hoffelijke aanmaningen negerend, geweigerd deze aan ons te geven. Aangezien de genoemde vergoedingen het grootste deel van onze vergoeding uitmaken en tot nu toe niemand heeft getracht ons zover te krijgen dat wij ze afstaan, zijn wij verplicht Uwe Hoogheden en U, Edele Heren, nederig te verzoeken ons in deze zaak onder Uw bescherming te nemen en ons door Uw besluit en voorzichtigheid in het genot van onze oude rechten en reguliere salariëring te houden, en genoemde Mr. Eitelwein te gelasten aan ieder van ons naar evenredigheid het wettelijk toegekende aandeel in de huwelijksgelden te restitueren, benevens de in dit verband gemaakte kosten - zoals wij, met alle gepaste eerbied en achting zijn, Uwe Hoogheden en Edele Heren en Onze Hoogst Geachte Meesters en Eminente Beschermheren, Uw meest gehoorzame toegewijde JOHANN SEBASTIAN BACH JOHANN SCHNEIDER Dir. Musices en Cantor Organist, M. JOHANN MATTHIAS GESNER, Rector van de St. Thomas School, namens de leerlingen van deze School.

Leipzig, 25 Augustus, 1733

Leipzig: september 1733 [brief aan het keurvorstelijke en prinselijke Saksische consistorie in Leipzig, &c. m.b.t. een onwillige debiteur]


Brief van Bach, Schneider en Gesner

Wij kunnen niet nalaten, Uwe Edelachtbaren en U, Zeer Eerwaarde en Zeer Nobele Heren, hierbij in alle nederigheid onder uw aandacht te brengen, hoe de koopman en handelaar uit deze plaats, de heer Johann Friedrich Eitelwein, op zeer genadig bevel toestemming heeft gekregen om zijn verloofde, mevrouw Sieber, te huwen zonder publicatie van de bannen. Welnu, toen voornoemd allergenadigst bevel werd overlegd, heeft Zijne Hoogst Eerwaarde, de Hoofdopzichter alhier, Dr. Salomon Deyling, de wens van de bruidegom ingewilligd om instructies voor het huwelijk te verstrekken aan het pastoraat te Plausig; dienovereenkomstig hebben wij de heer Eitelwein van onze vergoedingen in kennis gesteld; en wij zouden zeker hebben geloofd dat hij de billijkheid daarvan zou erkennen. Maar wij hebben moeten vernemen, niet zonder verbazing, dat de heer Eitelwein, met het onwettige en onhoudbare excuus dat hij niemand iets zou geven, wil afzien van de verschuldigde betaling en de geldigheid van enige vertegenwoordiging niet wil erkennen. Daarom, en omdat wij ons daar niet bij neer kunnen leggen om deze redenen, te weten: (1) Deze honoraria zijn ons verschuldigd in plaats van salaris; (2) In soortgelijke gevallen is het altijd de regel geweest dat wie buiten Leipzig wil trouwen, toch verplicht is het gebruikelijke honorarium aan de kerkelijke ambtenaren en studenten te betalen; bovendien, (3) zoals blijkt uit bewijsstuk A, hierbij, is door de Hoge Autoriteit van het land bevolen dat de reguliere honoraria niettemin in loco domicilii (in de plaats van de woonplaats) moeten worden betaald; en vooral (4) daar de bruid en bruidegom hier woonachtig zijn, kunnen de rechten ons niet onthouden worden; bovendien, tenslotte, (5) op grond van het precedent, mag een willekeurige opheffing van deze aard niet getolereerd worden; en vooral, (6) op bevel van de Electorale Algemene Artikelen van de Kerk, §20, en volgens artikel 22 van dezelfde, laatste sectie, wordt uitdrukkelijk bepaald dat geen deel van de ontvangsten van bedienden van de Kerk en de School aan hen onthouden mogen worden; Daarom wenden wij ons nu tot de rechtvaardige goedheid van Uwe Edele Hoogheden en U, Eerwaarde en Nobele Heren, met het nederigste verzoek, dat Uwe Edelachtbaren zich willen verwaardigen ons krachtig te beschermen in de ontvangsten die voor ons onderhoud zijn vastgesteld, en de heer Eitelwein door de Raad van Leipzig te laten gelasten ons zonder verder uitstel de gebruikelijke honoraria uit te betalen en ons alle kosten te vergoeden waartoe wij zijn gebracht. Wij vereren dit hoge besluit met nederige dank en blijven met de meest devote gehoorzaamheid, ...

Uw nederige en zeer gehoorzame JOH. SEBAST. BACH, Dir. Mus. & Cantor van de St. Thomas, JOH. SCHNEIDER, Organist van de St. Nikolaas, M. JOH. MATTHIAS GESNER Namens de Leerlingen van de St. Thomas School [September. . , 1733]

[noot: het consistorie gaf de raad van Leipzig op 11 nov. de opdracht de genoemde koopman te gebieden aan zijn verplichtingen te voldoen.]

Leipzig: 10 januari 1734 [tweestemmige Canon in een Album getekend]


Aan een vriend

Dit bij te dragen als aandenken voor zijn goede vriend was de wens van JOH. SEB. BACH

Leipzig, 10 januari 1734

Leipzig: 19 februari 1734 [cantate ter ere van de naamdag van Fr. August II]


'Nouvelles' van Leipzig

Op het verheven kroningsfeest van Zijne Koninklijke Majesteit in Polen en Keurvorstelijke Doorluchtigheid van Saksen, zal het Bach Collegium Musicum vandaag, in het Zimmermann Huis, plechtige muziek alleronderdanigst ten gehore brengen, van 's middags 5 tot 7 uur.

Leipzig: 5 april 1734 [aanbevelingsbrief voor leerling]


Voor Paul Christiaan Stolle

Omdat de houder dezes, de heer Paul Christiaan Stolle, student in de theologie, mij, ondergetekende, heeft verzocht hem een formeel attest te willen geven van zijn houding en ijver als alumnus van bijna tien jaar aan onze school van St. Thomas, voldoe ik gaarne aan dit verzoek. Ik wens oprecht te bevestigen dat hij zich niet alleen steeds een toegewijd, ijverig en loyaal leerling heeft getoond, maar ook zijn gretigheid en ijver heeft getoond in het beheersen van de muziek en het klavier door middel van privé-studie.

Leipzig, 5 april 1734.

JOHANN SEBASTIAN BACH

Saxe-Weissenfells Kapelmeester, Direct. Chori Mus. te Leipzig, Cantor aan St. Thomas

Leipzig: 1734 [Mizler draagt zijn dissertatie o.a. op aan Bach]


'Dissertatio quod Musica ars sit pars eruditionis philosophicae'

Aan de meest gevierde componisten in Duitsland, de beroemdste en meest eminente heren, Johann Mattheson, kapelmeester van de hertog van Sleeswijk-Holstein, enz., Johann Sebastian Bach, directeur van het Chorus musicus in Leipzig en kapelmeester van zijne hoogheid de prins van Weissenfels, Johann Benedictus [recte: Georg Heinrich] Bümler, Kapelmeester van Zijne Hoogheid de Prins van Brandenburg-Ansbach, alsmede Johann Samuel Ehrmann, Directeur van het Chorus musicus in Ansbach en zeer goede vriend, presenteer ik dit proefschrift, dat naar behoren is goedgekeurd, beoordeeld en verdedigd.

Leipzig: 28 juni 1734 [uit een voorwoord van Mizler]


Ook van uw onderricht in de praktische muziek, meest gevierde Bach, heb ik met groot profijt gebruik gemaakt, en ik betreur het dat het mij niet mogelijk is er verder van te genieten.

Leipzig: 3 augustus 1734 [aankondiging concert ter ere van de Koning]


In de 'De Leipziger Zeitungen'

Ter gelegenheid van de hoge naamdag van Zijne Koninklijke Majesteit in Polen, en Zijne keurvorstelijke hoogheid in Saksen, zal het Bachiaans Collegium Musicum vandaag in de namiddag om 4 uur een plechtig muziekstuk ten gehore brengen, met trompetten en pauken, in de tuin van Zimmermann, voor de poort van Grimma.

Leipzig: 5 oktober 1734 [opvoering Cantate BWV 215 ter ere van de Koning]


titelpagina

Toen Zijne Doorluchtige. Hoogheid, de Machtige Prins en Heer Frederik Augustus, Koning in Polen en Groothertog van Litouwen, Reuss, Pruisen, Mazovië, Samogitië, Kiovië, Volhynië, Podolië, Pod-lachië, Liefland, Smolensko, Severië, en Czernicovië &c. &c., Hertog van Saksen, Jiilich, Kleef en Berg, ook van Engern en Westfalen, Aartshertog en keurvorst van het Heilige Roomse Rijk, landgraaf in Thuringen, markgraaf van Meissen, ook van Boven- en Neder-Lausitz, burggraaf van Maagdenburg, prins en graaf van Henneberg, graaf van de Marck, Ravensberg en Barby, heer van Ravenstein &c. &c., samen met Zijne Doorluchtige Gemalin, de stad Leipzig opluisterden met hun Hoogste Aanwezigheid op de Michaëlskermis van 1734, wensten de studenten van de Universiteit in die plaats op 5 oktober, de dag waarop Zijne Majesteit in het voorgaande jaar 1733 tot Koning in Polen en Groothertog van Litouwen was gekozen, hun meest onderdanige toewijding te tonen in een avond-serenade.

Leipzig: iets na 5 oktober 1734 [verslag festiviteiten ter ere van de Koning]


stadskroniek van Leipzig

Op de 5e [oktober] werd de kroningsdag van Zijne Koninklijke Majesteit in de meest grootse galastijl gevierd. Terwijl Hunne Majesteiten aan hun middagmaal zaten, en op hun gezondheid was gedronken, werd een signaal gegeven van het huis Apel [dit was een zeer rijke familie me vele huizen] naar de toren van het Kasteel, van daar naar de toren van St. Thomas, en tenslotte van daar naar het Kasteel, dat de kanonnen een dapper geluid moesten maken. De artillerie-eenheden waren echter niet staat waren om ze te laden. Om zeven uur 's avonds werd als signaal een kanon afgevuurd, waarna de hele stad verlicht werd. De toren van het Raadhuis en het balkon waren prachtig versierd met veel bonte lampen; de torens van de St. Thomas en de St. Nicolaas waren prachtig en goed verlicht vanaf het balkon tot aan de klokkentorens, en dit was tot kilometers ver in het land te zien. Te midden van dit alles had een schilderijenhandelaar een vers in zijn raam geschreven: 'O lieve koning, dit zing ik: ik ben een zondaar en arm, moge God mij helpen te volharden. Schulden brengen mij vaak opsluiting, maar vanavond heb ik licht.' Zijn voorbeeld werd gevolgd door een boekdrukker die zijn buurman was, en die de volgende verzen had gedrukt, omlijst door een hart: 'Ik heb mijn Koning lief met een vroom hart, ik heb veel pijn van jicht, mijn armoede maakt me aan het huilen. Mijn naam is Johann Gottlieb Bauch.' De herbergier van 'De Zwarte Geit' had de volgende afbeelding opgehangen: een landweg, waarop vele wagens en rijtuigen heen en weer reden, met dit opschrift: 'Zoveel jaren als schokken haver - dat is de wens die de herbergier van De Zwarte Geit heeft geuit.' En de verlichting duurde tot twaalf uur. Veel mensen kwamen van het land om het te zien, en om zeven uur 's morgens kon men nog enkele lampen zien branden. Omstreeks negen uur 's avonds brachten de studenten [van de Universiteit] hier aan Hunne Majesteiten een zeer onderdanige avondserenade met trompetten en trommels, die de eerwaarde kapelmeester, Johann Sebastian Bach, cantor van St. Thomas, had gecomponeerd. Zeshonderd studenten droegen waxinelichtjes en vier Graven traden op als Marshals bij de presentatie van de muziek. De stoet trok op naar de residentie van de koning. Toen de muzikanten de Waag bereikt hadden, kwamen de trompetten en tamboers erbij, terwijl anderen hun plaats innamen in een ander koor in het Raadhuis. Toen de tekst gepresenteerd was, mochten de vier Graven de Koninklijke handen kussen, en daarna verlieten Zijne Koninklijke Majesteit, samen met zijne Koninklijke Gemalin en de Koninklijke Prinsen, de ramen niet voordat de muziek afgelopen was, en luisterden zeer hoffelijk en vonden het goed.

Leipzig: 14 oktober 1734 [kwitantie voor het verzorgen van muziek]


Aan dhr. Eberhardt

Dat aan mij, ondergetekende, door den griffier Eberhardt naar behoren is betaald 50 thaler, voor het verzorgen der muziek onlangs aan Zijne Koninklijke Majesteit aangeboden, wordt bij dezen bevestigd en daarvoor dankbaar deze kwitantie gegeven.

JOH. SEB. BACH

Direct. Chori Musici en Cantor van de St. Thomas

Leipzig, 14 oktober 1734

Leipzig: 1735 [publicatie Clavier-Übung deel II, BWV 831 en 971]


titelblad

Tweede deel van de Klavieroefeningen, bestaande uit een Concerto naar Italiaanse smaak en een Ouverture naar Fransche trant, voor een klavecimbel met twee manualen. Gecomponeerd voor muziekliefhebbers, om hun geest te verfrissen, door Johann Sebastian Bach, Kapelmeester van Zijne Hoogheid de Prins van Saksen-Weissenfels en Directore Chori Musici Lipsiensis. Uitgegeven door Christoph Weigel, Junior.

Leipzig: 2 mei 1735 [brief aan dhr. Tobias Rothschier]


Aan Mr. Tobias Rothschier

Aan de Hooggeëerde en Zeer Geleerde Heer, Mr. Tobias Rothschier, Eminent Jurisconsultant en Hooggerespecteerd Lid en Bijzonder Achtenswaardig Hoogleraar van de Hooggeëerde en zeer gewaardeerde lid van de keizerlijke vrijstad Mühlhausen, in Mühlhausen.

Meest Nobele, Meest Geleerde en Meest Bijzonder Hooggeëerde Hoogheid, Hooggeachte Beschermheer!

Naar verluidt is de heer Hetzehenn, stadsorganist in Mühlhausen, onlangs overleden en is zijn functie tot op heden niet vervuld. Nu is het zo dat mijn jongste zoon, Johann Gottfried Bernhard Bach, zich reeds zo goed in de muziek heeft bekwaamd, ik er vast van overtuigd ben, dat hij volledig toegerust en in staat is om deze nieuwe vacature van stadsorganist te vervullen, verzoek ik Uwe Edelachtbare, met de grootste eerbied, goed genoeg te zijn om mijn zoon het voordeel van uw zeer gewaardeerde voorspraak te geven met betrekking tot de verwerving van de bovengenoemde post, en zo mij uw schuldenaar en mijn zoon gelukkig te maken, zodat ik reden mag hebben om mij nu van uw gunst te verzekeren als in het verleden, en u op mijn beurt kan verzekeren dat ik voor altijd zal zijn, met ongewijzigde toewijding,

Uw Edelachtbare en Mijn Zeer Bijzonder Hooggeëerde Hoogachtbare's meest toegewijde dienaar

JOH. SEBAST. BACH

Voormalig organist van St. Blas. in Mühlhausen

Leipzig, 2 mei 1735

Leipzig: 21 mei 1735 [brief aan burgemeester Christian Petri]


Aan Christian Petri

Uwe Hoogheid, Meest Nobele, Gerespecteerde en Meest Geleerde, Hoogst Gewaardeerde Raadsheer, Burgemeester en Eerwaarde, Eminente Beschermheer!

De onschatbare hoge gunst die Uwe Edelachtbare Hoogheid een oude en trouwe dienaar heeft bewezen naar aanleiding van de meest nederige brief die ik via de koopman Mr. Hagedorn heb verzonden, verplicht mij Uwe Edelachtbare Hoogachtbare hier mijn nederige dank te betuigen. Nu, aangezien mijn eigen plicht en die van mijn zoon vereisen dat wij met onze nederige persoonlijke aanwezigheid blijk geven van onze meest gehoorzame en respectvolle plichtsbetrachting en tegelijkertijd een bescheiden bewijs leveren van de muzikale bekwaamheid van mijn zoon, wachten wij nu slechts op het meest genadige bevel en de opdracht van Uwe Edele Hoogheid om ons aan te bieden voor het door U toegestane examen, met de grootst mogelijke eerbied en respect.

Uwe Hoogheid en Meest Nobele Heer, mijn Zeer Geachte Raadsman, Burgemeester en Eerwaarde, evenzo Eerbiedwaardige Beschermheer, uw meest gehoorzame en toegewijde dienaar

JOHANN SEBASTIAN BACH

Leipzig, 21 mei 1735

Leipzig: 24 augustus 1735 [aanbevelingsbrief voor leerling]


Voor Johann Ludwig Krebbs

De drager, Mr. Johann Ludwig Krebs, heeft de ondergetekende om gevraagd hem een getuigenis betreffende zijn prestaties op onze school te verstrekken, en wil ik hem dat niet ontzeggen, maar verklaren dat ik ervan overtuigd ben dat ik in hem een man heb opgeleid met zulke kwaliteiten, die zich hier vooral in de muziek heeft onderscheiden, die zich heeft bekwaamd op het klavier, de viool en de luit, en ook in compositie, en dat hij niet hoeft te aarzelen om zich te laten horen, hoewel dit in de praktijk meer tot uiting zal komen. Ik wens hem dienovereenkomstig Goddelijke steun in zijn vooruitgang, en beveel hem hierbij nogmaals van harte aan.

JOH. SEB. BACH

Capellm. en Direct.Musices

Leipzig, 24 augustus 1735

Leipzig: 7 september 1735 [doop van Johann Christian Bach]


De 7e september Heer L[icentiaat]. Urb. Gottfr. Sieber, Aartsdiaken.
Johann Christian. V[ader]. Dhr. Johann Sebastian Bach, Hoogvorstelijk Weissenfelssische Kapelmeester en Director Chori Musici en Cantor van de St. Thomas. M[oeder]. Mevr. Anna Magdalena née Wilcke.
P[eetouders]. 1) M[agister]. Johann August Ernesti Rector van de St. Thomas
2) Juffrouw Christiana Sibylla, dochter van wijlen dhr. handelaar Georg Heinrich Bose.
3) Dhr. D[octor]. Johann Florens Rivinus P. P. en Facult. Jur. Assessor.

Leipzig: 1736 [Bach componeert en arrangeert muziek voor gezangboek]


titelblad 'Musicalisches Gesang-Buch van Georg Christian Schemelli'

Muzikaal Gezangboek, waarin 954 geestelijke liederen en aria's, oude zowel als nieuwe, met welgeordende melodieën, in sopraan en bas te vinden zijn. Speciaal opgedragen aan de Evangelische gemeenten van het bisdom Naumburg-Zeitz en met een voorwoord van de Eerwaarde Heer Friedrich Schulz, predikant op het kasteel, hoofdopzichter van het bisdom en ambtenaar van het bisschoppelijk consistorie te Zeitz, uitgegeven door Georg Christian Schemelli, cantor op het kasteel in die plaats. Met zeer gracieuze toestemming. Niet voor herdruk, noch met noch zonder muziek. Leipzig 1736. Uitgegeven door Bernhard Christoph Breitkopf, Boek-drukker.

...voorwoord:

De melodieën die in dit muzikale liedboek te vinden zijn, zijn deels geheel nieuw gecomponeerd en deels met een verbeterde volgbas, door de zeer nobele heer Johann Sebastian Bach, keurvorstelijke Saksische Kapelmeester en Director Chori Musici te Leipzig.

Leipzig: 12 aug. 1736 [protestbrief 1 aan gemeenteraad m.b.t. benoeming prefect]


Aan de gemeenteraad van Leipzig

Uwe Hoogheden, Meest Nobele, Meest Voorname, Meest Gerespecteerde en Meest Geleerde Heren, Meest Wijze en Hoogst Gewaardeerde Meesters en Patronen.

Mag het Uwe Majesteit en U, Meest Nobele en Meest Voorname Heren, behagen als volgt te worden geïnformeerd: hoewel het volgens de voorschriften van de Nobele en Meest Wijze Raad betreffende de school van St. Thomas, het aan de cantor is om uit de schooljongens diegenen als prefect te kiezen, die hij geschikt acht, en dat hij bij de keuze niet alleen in gedachten moet houden dat ze een heldere goede stem moeten hebben, maar ook dat de prefecten (vooral diegene die in het eerste koor zingt) in staat moeten zijn om de leiding van het koor over te nemen als de cantor ziek of afwezig is; en hoewel dit tot nu toe zonder toestemming van de rector en uitsluitend door de cantors is geschied, heeft de huidige rector, Magister Johann August Ernesti, bij wijze van uitzondering de prefect van het eerste koor zonder mijn medeweten en instemming vervangen en Krause, die al prefect van het tweede koor was, tot prefect van het eerste koor benoemd. Hij heeft verder geweigerd deze benoeming in te trekken, ondanks alle protesten die ik, in volkomen goede wil, bij hem heb ingediend. Maar aangezien mijn aanvaarding van deze situatie, die in strijd is met bovengenoemd schoolreglement en met de traditionele gebruiken, afbreuk zou doen aan de rechten van mijn opvolgers en ten koste zou gaan van het muzikantenkorps, gaat zowel aan Uwe Hoogheden als aan U, Meest Nobele en Zeer Voorname Heren, mijn nederig verzoek om genadig het geschil tussen de rector en mij, in mijn officiële hoedanigheid, op te lossen en - aangezien de genoemde toe-eigening van de vervanging van de prefecten door de rector tot disharmonie zou kunnen leiden en in het nadeel van de studenten zou kunnen zijn - de Magister Ernesti te instrueren, in overeenstemming met uw eerbiedwaardige welwillendheid en vooruitziendheid met betrekking tot de St. Thomas, dat hij de vervanging van de prefecten, in overeenstemming met de vroegere praktijk en de gewoonten en voorschriften van de school, alleen aan mij moet overlaten, en mij aldus zeer genadig in mijn ambt te ondersteunen. In afwachting van Uw Meest Genadige beslissing, verblijf ik met meest gehoorzaam respect, Uwe Hoogheden en Edelachtbare Heren,

Uw meest gehoorzame

JOH. SEBAST. BACH

Leipzig, 12 augustus 1736

Leipzig: 13 aug. 1736 [protestbrief 2 aan gemeenteraad m.b.t. benoeming prefect]


Aan de gemeenteraad van Leipzig

Uwe Hoogheden, Meest Nobele, Meest Voorname, Meest Gerespecteerde en Meest Geleerde Heren, Meest Wijze en Hoogst Gewaardeerde Meesters en Beschermheren!

Hoewel ik U en U, Meest Nobele Heren, gisteren heb benaderd met een zeer nederige verklaring aangaande de inbreuk die de rector, de heer Ernesti, met de grootste onbehoorlijkheid heeft gepleegd door de vervanging van de prefect, een van de functies die mij zijn toevertrouwd aan de St. Thomas school hier, als directeur chori musici en cantor, en hoewel ik dus al zeer nederig uw meest genadige bescherming heb ingeroepen - toch voel ik mij gebonden nogmaals zeer plichtsgetrouw de aandacht van Uwe Edelachtbaren en van U, Meest Nobele Heren, te vragen voor het feit dat, hoewel ik de genoemde rector, dhr. Ernesti, heb geïnformeerd, dat ik mijn klacht in dezen reeds bij u had ingediend, en in afwachting was van een gezaghebbende uitspraak in deze zaak door Uwe Hoogheden en U, Edele Heren, maar dat hij, het gebrek aan respect dat hij verschuldigd is aan de Meest Nobele en Wijze Raad negerend, gisteren toch weer de stoute schoenen heeft aangetrokken om alle studenten te verstaan te geven dat niemand het mocht wagen, op straffe van uitwijzing en zweepslagen de plaats in te nemen van Krause, de jongen die ik in mijn nederige memorie van gisteren noemde en die niet in staat is een koor te leiden (maar die hij [Ernesti dus] mij met alle middelen wil opdringen als prefect van het eerste koor), noch bij het zingen noch bij het dirigeren van het gebruikelijke motet. Zo kwam het dat in de dienst van gistermiddag in de St. Nicolaas, tot mijn grote schaamte en publieke vernedering, geen enkele leerling, uit angst voor de dreigende straf, bereid was om het zingen over te nemen, laat staan de leiding van het motet. De dienst zelf zou hierdoor zijn verstoord, indien niet een oud-leerling van de St. Thomasschool, Krebs genaamd, op mijn verzoek gelukkig de leiding had overgenomen in plaats van een van de huidige leerlingen. Aangezien, zoals in mijn vorige nederige memorie voldoende is uiteengezet en toegelicht, de vervanging van de prefecten volgens de voorschriften en tradities van de scholen geen taak is van de rector; en aangezien deze laatste, in zijn modus procedenti, zeer overtreden heeft, mij diep gekwetst heeft in de uitoefening van mijn ambt, en getracht heeft het gezag dat ik moet hebben over de leerlingen in verband met de kerk en andere muziek, te verzwakken, ja zelfs te niet te doen, welk gezag mij was toevertrouwd door de Meest Nobele en Meest Wijze Raad toen ik mijn ambt aanvaardde; en daar het te vrezen is, dat indien zulk onverantwoord gedrag voortduurt, de diensten verstoord zullen worden en de kerkmuziek in het ernstigste verval zal geraken, en ook de school, binnen een korte tijd, zulk een verval zal ondergaan, dat het onmogelijk zal zijn haar voor vele jaren in hare vroegere toestand terug te brengen - daarom gaat mijn meest gehoorzame en ernstige smeekbede nogmaals uit naar Uwe Grootheid en U, Meest Nobele Heren, omdat ik uit hoofde van mijn ambt niet stil kan blijven, om de rector zo snel mogelijk te instrueren, omdat uitstel gevaar oplevert, mij voortaan niet te storen in de uitoefening van mijn ambt, noch de leerlingen te ontmoedigen in hun gehoorzaamheid aan mij door zijn onrechtvaardige waarschuwingen en dreigementen met zulke zware straffen, maar er juist op toe te zien, zoals de plicht is, dat de school en het Chorus Musicus verbeterd worden en niet verslechterd. In afwachting van de meest genadige maatregelen en bescherming in mijn ambt, blijf ik met de meeste gehoorzame achting, Uwe Hoogheden en Meest Nobele Heren, Uw geheel gehoorzame

JOHANN SEBASTIAN BACH

Leipzig, 13 augustus 1736

Leipzig: 15 aug. 1736 [protestbrief 3 aan gemeenteraad m.b.t. benoeming prefect]


Aan de gemeenteraad van Leipzig

Memorandum

Het volledige en waarheidsgetrouwe verslag over de student Krause, die de rector mij als eerste prefect wil opdringen, luidt als volgt:

Genoemde Krause had in het vorige jaar reeds zo'n slechte naam gekregen door zijn onordelijk leven en de schulden die hij daardoor had gemaakt, dat er een vergadering over hem werd gehouden, waarin hem uitdrukkelijk werd gezegd dat hij het weliswaar volkomen verdiend had van school gestuurd te worden vanwege deze losbandigheid, maar dat hij, gezien zijn behoeftige situatie (hij had immers zelf bekend dat hij schulden had gemaakt van meer dan 20 thaler) en dan, afhankelijk van de vraag of hij zijn manier van leven had veranderd, nader bericht zou krijgen of hij zou worden toegelaten om te blijven of daadwerkelijk van school zou worden gestuurd. Nu heeft de rector altijd een bijzondere voorliefde voor Krause gehad en daarom vroeg hij mij in een gesprek of ik hem de post van prefect wilde geven, maar ik protesteerde en zei dat hij helemaal niet geschikt was voor zo'n post. Daarop antwoordde de rector dat ik het toch moest doen, zodat Krause uit de schulden zou raken en de school niet te schande zou worden gemaakt, temeer daar zijn termijn spoedig zou verstrijken en men dus met goed fatsoen van hem af zou zijn. Daarom wilde ik de rector een plezier doen en gaf Krause de post van prefect in de Nieuwe Kerk (waar de leerlingen niets anders te zingen hebben dan motetten en koralen, en niets te maken hebben met andere concertmuziek, aangezien die door de organist wordt verzorgd), met in het achterhoofd het feit dat de jaren van zijn overeenkomst allemaal voorbij waren, op één na, en men niet hoefde te vrezen dat hij ooit het tweede koor zou dirigeren, laat staan het eerste. Maar toen later de prefect van het eerste koor, Nagel genaamd, uit Nürnberg, ten tijde van het zingen voor Nieuwjaar klaagde, dat hij het wegens een zwak gestel niet zou kunnen volhouden, was het noodzakelijk, vóór de gebruikelijke tijd een verandering bij de prefecten aan te brengen, door de prefect van het tweede koor in het eerste, en, noodgedwongen, de veelbesproken Krause in het tweede te plaatsen. Maar omdat hij verschillende fouten in de maat [lees: het aangeven van de juiste maatsoort] heeft gemaakt, zoals de co-rector (die het tweede koor controleert) mij heeft verteld, want toen de genoemde fouten werden onderzocht, werd de schuld daarvoor door de andere studenten uitsluitend en volledig bij de prefect gelegd, omdat hij de maat verkeerd had geslagen; en omdat ik bovendien onlangs in de zangklas zelf een test ten aanzien van zijn maat [lees: het aangeven van de juiste maatsoort] heb afgenomen, die hij zo slecht heeft doorstaan, dat hij de maat in de voornaamste maatsoorten - namelijk even, of vierkwarts, en oneven, of driekwarts - niet nauwkeurig kon aangeven, maar nu een even maat van een driekwarts maakte, en visa-versa (zoals alle leerlingen kunnen getuigen); en aangezien ik dienovereenkomstig volledig overtuigd ben van zijn onbekwaamheid; daarom was het voor mij onmogelijk hem de post van prefect van het eerste koor toe te vertrouwen, vooral omdat de concerterende stukken die door het eerste koor worden uitgevoerd, en die meestal mijn eigen composities zijn, onvergelijkbaar moeilijker en ingewikkelder zijn dan die welke door het tweede koor worden gezongen (en dit alleen op feestdagen), zodat ik mij bij de keuze van die stukken hoofdzakelijk moet laten leiden door de capaciteit van degenen die ze moeten uitvoeren. Aldus, en hoewel men nog verschillende andere redenen zou kunnen aanvoeren om de onbekwaamheid van genoemde Krause nog sterker te bewijzen, acht ik de reeds aangevoerde redenen voldoende om aan te tonen dat de klacht die ik bij Uw Meest Nobele en Wijze Raad heb ingediend, gerechtvaardigd is, en een snelle en spoedige oplossing vereist.

Leipzig, 15 augustus 1736

JOH. SEBAST. BACH

Leipzig: 17 aug. 1736 [antwoord van Ernesti]


Aan de gemeenteraad van Leipzig

UWE MAJESTEITEN, MEEST EDELE, MEEST GELEERDE EN MEEST EERBIEDWAARDIGE HEREN EN PATRONEN!

Uwe Hoogheden en U, Edele Heren, waren zo genadig mij gisteren te hebben medegedeeld wat de Cantor van de St. Thomasschool hier tegen mij heeft ingebracht, en hebben mij daarmede opgedragen zo spoedig mogelijk te verklaren wat ik daarop te zeggen had. Welnu, de door hem ingediende klacht betreft in werkelijkheid niet alleen mij, maar ook de directeur van de school, de raadsheer van beroep Stiglitz, aangezien het met zijn instemming en krachtens de hem volgens het schoolreglement van uw Meest Nobele en Meest Wijze Raad toekomende bevoegdheid was, dat de prefect Krause, die door de cantor willekeurig en ten onrechte was ontslagen, in zijn functie werd hersteld. Toch moet ik gehoorzamen aan het bevel van Uwe Hoogheden en U, Edele Heren, en aangezien de genoemde Directeur van de School op dit moment afwezig is, moet ik verslag uitbrengen en de ware aard van de zaak naar eer en geweten uitleggen, zodat de Cantor kan worden verzocht zijn onrechtvaardige klacht in te trekken en de gepaste gehoorzaamheid en eerbied te betonen aan zijn superieuren. Om te beginnen kan ik niet genoeg mijn verbazing uitspreken over het feit dat de genoemde Cantor het op zich kan nemen om Uwe Hoogheden voor te houden dat de posten van Prefect in de vier koren tot nu toe altijd, zonder de toestemming van de Rector, uitsluitend door de Cantor werden gekozen, aangezien de tegenovergestelde procedure duidelijk wordt voorgeschreven door het Schoolreglement, volgens welke (p. 74) de cantor acht jongens, waaronder de prefect, met toestemming van de rector aanvaardt, en bovendien de prefecten altijd aan de directeur voorlegt en diens toestemming vraagt (p. 78), welke laatstgenoemde stap de cantor echter nooit heeft gezet. Het is waar dat bij de vervulling van de functie van prefect de cantor de belangrijkste rol speelt, omdat hij moet beoordelen of de prefecten bekwaam zijn in het zingen. Maar aangezien de prefecten verantwoording verschuldigd zijn aan de rector, aangezien klachten over hen bij hem moeten worden ingediend en zij door hem naar eigen goeddunken moeten worden gestraft (p. 73), en aangezien het geld dat zij met het zingen inzamelen aan hem en niet aan de cantor wordt overhandigd, zodat hij er een register van kan bijhouden en het op gezette tijden kan verdelen; nu moet dus ook hij, die meer van hun gedrag moet weten dan de cantor, beoordelen of hun zo'n post zonder gevaar kan worden toevertrouwd. Daarom is het altijd de gewoonte geweest, ook tijdens mijn rectoraat, dat de cantor mij via de prefect de zangers zond die hij had uitgekozen, met de vraag of ik bezwaar had tegen de een of de ander - een gewoonte die hij zelfs nog in het recente geval van de beklaagde volgde. Er zijn inderdaad precedenten waarin de cantor, nadat hij uit persoonlijke vooroordelen een verdienstelijke student had overgeslagen, de opdracht kreeg deze student niet over te slaan. Met het welwillende verlof van Uwe Hoogheden en U, Edelachtbaren, zal ik verslag uitbrengen van wat zich heeft afgespeeld in de zaak van de betwiste post van prefect, zodat u daaruit kunt opmaken of ik ook maar de geringste inbreuk heb gemaakt op zijn rechten, en of ik integendeel niet alles heb gedaan wat van een eerlijk en vredelievend mens kan worden verlangd. Nadat ongeveer acht weken geleden de post van eerste prefect vacant was geworden, heeft de cantor zelf deze post opgevuld door de eerste student, toen secundair prefect, Jo. Gottl. Krause. Ik had hiertegen minder bezwaar, omdat (1) hij zich in de functies van tweede en derde prefect zo had gedragen, dat er geen klachten over hem waren binnengekomen, en het schoolreglement uitdrukkelijk bepaalt (blz. 77) dat voor de functie van eerste prefect altijd de eerste student moet worden gekozen, of anders de eerstvolgende, zij het met kennisgeving aan de directeur, als de eerstgenoemde niet bekwaam genoeg is in muzikaal opzicht. Maar deze laatste omstandigheid kon zich ditmaal niet voordoen, daar hij reeds de post van prefect in de drie andere koren bekleedde, en de post van tweede prefect veel meer muzikale bekwaamheid vereist dan die van eerste, daar de tweede prefect op de ochtenden en middagen van de feestdagen de muziek in de kerken moet dirigeren onder toezicht van de conrector, terwijl de eerste prefect daarentegen nooit dirigeert. Toen Krause deze functie reeds enkele weken bekleedde, stuurde de cantor mij op 10 juli de tweede prefect, Küttler, met de mededeling dat hij zich genoodzaakt zou zien een wijziging aan te brengen m.b.t. de eerste prefect, en dat hij hem weer tweede wilde maken en Küttler eerste in zijn plaats. Hierop antwoordde ik dat hij moest weten of hij daartoe in staat was of niet, en als dat zo was, kon ik alleen maar instemmen; maar ik wenste dat hij hem in het begin zorgvuldiger had getest. Uwe Hoogheden en U, Edelachtbaren, kunt ook hieruit opmaken, dat hij de noodzaak inzag van mijn medebeslissing bij de vervanging van de prefecten. De ontslagen prefect beklaagde zich hierover bij mij, omdat hij buiten zijn schuld was ontslagen, maar ik verwees hem naar de cantor en zei hem dat hij, omdat hij meende dat hij om een andere reden was ontslagen, zich beleefd tot hem moest wenden en hem moest zeggen dat het mij veel genoegen zou doen als hij op zijn post zou kunnen blijven. Toen hij hem daarop verscheidene malen deemoedig benaderde en, niets bereikend, hem slechts smeekte de reden van zijn ontslag op te geven, liet de cantor zich tenslotte onnadenkend ontvallen, dat hij hem op mijn rekening, die van de rector, had ontslagen, want op het moment, dat ik Krause (degene die later wegliep) had geschorst totdat hij zich aan zijn straf zou onderwerpen, had ik hem gezegd dat hij voorlopig de post van eerste prefect moest vervullen; en daarmee had ik inbreuk gemaakt op zijn rechten (die van de cantor), aangezien hij de prefecten benoemde en niet de rector. Of ik daarmee de functie van eerste prefect op mijzelf heb genomen, zoals de heer Bach beweert, dat kunnen uwe majesteiten en u, edele heren, gemakkelijk beoordelen. Toen ik twee dagen later, op 12 juli, met de directeur sprak, bracht ik hem op de hoogte van de zaak en ontving van hem het besluit dat u, majesteiten en edele heren, zelf als zeer billijk zult erkennen. Aangezien de cantor alleen deze reden had opgegeven en daarbij zo onnadenkend was geweest om de zaak onder de studenten bekend te maken, kon hij niet instemmen met het ontslag van de eerste prefect, maar moest deze op zijn post blijven. Ik heb daarop de cantor ontboden om met hem over de zaak te spreken, en ook hij gaf toe dat hij om bovengenoemde reden deze verandering wilde doorvoeren. Ik wees hem er daarom op, dat schorsen niet hetzelfde was als ontslaan, en dat het allerminst waarschijnlijk was, dat ik een plaats zou hebben ingenomen die niet leeg was. Noch de directeur, noch ikzelf wilden onder deze omstandigheden onze toestemming geven, en ik stelde hem op de hoogte van het besluit van de directeur, en verbood hem de prefect te ontslaan. Daarop had hij inderdaad niet mogen overgaan tot het eigenlijke ontslag zonder een ander besluit te hebben ontvangen van de directeur en van mij, en hij had zich, als hij niet tevreden was, tot de directeur moeten wenden. Maar hij heeft het ontslag van de prefect toch doorgevoerd, zoals ik zondag in de kerk heb gezien. Het zou dus gerechtvaardigd zijn geweest om de ontslagen prefect in zijn functie te herstellen, maar ik wilde zijn waardigheid tegenover de studenten ontzien. Daarom schreef ik hem een brief, waarin ik hem erop wees hoezeer hij had gefaald door onder de hierboven beschreven omstandigheden een dergelijke verandering op zich te nemen, om zich te wreken voor wat hij als een inbreuk op zijn rechten beschouwde, zodat nu zelfs de onschuldige moest lijden; en hoewel ik de ontslagen prefect onmiddellijk weer in zijn functie kon herstellen, zou ik liever zien dat hij hem zelf weer in zijn functie herstelde, opdat zijn gezag niet zou worden aangetast, want dan zouden we beiden tevreden zijn. Daarop stuurde hij op 17 juli de co-rector naar mij toe om te zeggen dat hij mijn brief met genoegen had gelezen en dat hij zelf blij zou zijn als de zaak op een vriendschappelijke manier kon worden geregeld. Door tussenkomst van de conrector kwam het uiteindelijk zelfs zover dat hij beloofde de ontslagen prefect bij de eerste zangles weer in dienst te nemen. Maar later bleek dat hij zowel met de rector als met mij een loopje nam. Want de beloofde en afgesproken herplaatsing kwam er niet. Ik stuurde hem een herinnering en kreeg als antwoord dat hij veertien dagen weg wilde, en dat ik maar geduld moest hebben tot zijn terugkomst, wanneer het in orde zou zijn. Ook hierin berustte ik. Maar na zijn terugkeer gingen er tien dagen voorbij, en nog steeds gebeurde er niets. Tenslotte schreef ik hem afgelopen zaterdag nog een brief, waarin ik vroeg wat ik van deze vertraging moest denken; het leek mij dat hij werkelijk niet geneigd was zijn belofte na te komen. Daarom wilde ik hem hierbij laten weten dat ik, als hij de prefect diezelfde dag nog niet zou terugplaatsen, hem zondagmorgen beslist zelf zou terugplaatsen, op gezag van het bevel dat ik eerder van de directeur had gekregen en dat hij intussen had verlengd. Maar hij antwoordde geen enkel woord, direct noch indirect, laat staan dat hij deed wat van hem verlangd werd. Moge Uwe Hoogheden en U, Edele Heren, zelf oordelen over dit gedrag tegenover de directeur en mij, en of ik niet het volste recht had de herplaatsing uit te voeren. Daarom heb ik de twee prefecten bevolen elk hun oude functie weer op zich te nemen; en aangezien dit bevel werd gegeven op instructie en met instemming van de directeur, [heb ik gezegd dat] ieder ander dan Krause die de taken van de eerste prefect op zich zou nemen, zou worden beschouwd als ongehoorzaam, niet alleen aan mij, maar ook aan de directeur, wat noodzakelijkerwijs zou leiden tot zware straffen, waarvoor ik iedereen naar behoren wilde waarschuwen. Zodra de eerste prefect, op mijn aanwijzing, dit aan de cantor had gemeld, wendde deze zich onmiddellijk tot de superintendent [Deyling] en uitte dezelfde ongerechtvaardigde beschuldiging tegen mij, die hij nu tegen Uwe Hoogheden en U, Edele Heren, inbrengt, nadat hij van de superintendent niet de beslissing had gekregen die hij wenste; tegelijkertijd verklaarde hij dat hij de zaak op de volgende woensdag (dat wil zeggen eergisteren) aan het Consistorie zou voorleggen. Hoewel de superintendent hem geen beslissing gaf, behalve dat hij mij zou vragen naar de aard van de zaak, en dat de zaak zelf noch door hem, noch door het Consistorie geregeld kon worden zonder voorafgaand overleg met de Patroni en de Directeur, dwong hij, onder het voorwendsel dat hij een bevel van de superintendent had ontvangen, de Tweede Prefect, Küttler, om St. Nicolaas te verlaten en met hem mee te gaan naar het Eerste Koor in de St. Thomas, waaruit hij met veel tumult de prefect Krause verjoeg, die al aan het zingen was. Ik ging van de kerk naar de hoofdopzichter om te horen of hij een dergelijk bevel had gegeven, maar hoorde dat hij niets anders had gezegd dan wat ik reeds heb gemeld. Daarop vertelde ik hem het hele verhaal, zoals ik het hier aan Uwe Hoogheden en U, Edelachtbaren, heb verteld; en hij keurde mijn handelwijze in deze zaak volledig goed, en stemde ermee in, dat alles bij het bevel van de Directeur zou blijven, totdat deze zou terugkeren en de zaak zou regelen, aangezien het passender was, dat de cantor tussentijds aan de Directeur en Rector zou geven dan omgekeerd. Ik bracht de Cantor op de hoogte van dit besluit, maar kreeg het antwoord dat hij in deze zaak niet zou toegeven, koste wat het kost. Nu de beide prefecten na het middageten weer naar de hun door mij toegewezen plaatsen waren gegaan, joeg hij Krause met veel geschreeuw en rumoer van de koorzolder en beval de student Claus op de plaats van de prefect te zingen, hetgeen hij ook deed, zich daarvoor na de kerk bij mij verontschuldigend. Hoe kan de cantor dan beweren dat het geen student van de school was, maar een universiteitsstudent die zong? De tweede prefect, Küttler, stuurde hem 's avonds van tafel, omdat hij mij had gehoorzaamd. Uit dit alles zullen Uwe Hoogheden en U, Edelachtbaren, opmaken dat de klacht van de Cantor ongegrond is, omdat hij beweert dat ik zojuist zonder zijn medeweten of instemming de prefect van het Eerste Koor heb benoemd en de prefect van het Tweede Koor prefect van het Eerste Koor heb gemaakt. Het is niet zo'n groot probleem om een prefect aan te stellen dat ik daar iemand mee lastig val, en ik heb nooit aanspraak gemaakt op dat voorrecht en zal dat ook nooit doen, ook al maak ik wel aanspraak op het recht van samenloop dat het schoolreglement mij geeft, en hoop ik daarin gesteund te worden. De Cantor heeft de hele Status Controversiae verdraaid, die bestaat uit het volgende: of ik niet het recht had om, met voorkennis en instemming van de directeur, een prefect te herplaatsen die hij alleen maar uit wrok tegen de rector en tegen de wil en instemming van de directeur en rector had verwijderd, aangezien de Cantor niet bereid was hem zelf te herplaatsen, nadat hij beloofd had dat te doen en daarmee toegaf dat de jongen niet onbekwaam was, wat zelfs zonder die toegeving uit het voorgaande blijkt. Ik verzoek Uwe Majesteiten en U, Edele Heren, de Cantor met zijn ontijdige en ongegronde klacht te verwerpen, en erop aan te dringen dat hij zich houdt aan de afspraken die met medeweten van de Directeur zijn gemaakt; en hem ernstig te berispen voor zijn ongehoorzaamheid en insubordinatie jegens de Directeur en mij, en hem te bevelen dergelijke dingen niet meer te doen zonder toestemming van zijn superieuren en tegen het Schoolreglement van een Edele en Wijze Raad, en in het algemeen zijn taken met meer inspanning te vervullen. Dit is niet de plaats om Uwe Hoogheden en U, Edele Heren, over hem te beklagen, wat ik echter voor een andere gelegenheid reserveer; maar ik kan niet vermijden dit ene feit aan te halen: dat niet alleen zijn onaangenaamheden, maar ook het ongeluk dat de arme Gottfr. Theodor Krausse, die later wegliep, uitsluitend te wijten is aan de nalatigheid van de cantor. Want als hij naar de bruiloftsdienst was gegaan, zoals hij had moeten doen, omdat er niets met hem aan de hand was, in plaats van het beneden zijn waardigheid te vinden om te dirigeren bij een bruiloftsdienst waar alleen koralen gezongen zouden worden (om welke reden hij zich bij verschillende van zulke bruiloftsdiensten heeft afgemeld, o.a. bij de recente voor de Krogels, in verband waarmee, zoals ik niet kon nalaten te horen, de muzikanten in dienst van Uwe Heerlijkheid en U, Edele Heren, zich bij anderen beklaagden) - dan zou de genoemde Krause geen gelegenheid hebben gehad zich te buiten te gaan aan die excessen, zowel in de Kerk als daarbuiten, waarop zulke strenge straffen zijn gesteld door een Edelste en Meest Wijze Raad zelf. Ik hoop des te meer dat Uwe Majesteiten en U, Edele Heren, mijn nederig verzoek zult inwilligen, daar het gezag en de eer van de Directeur, die een Alleredelste en Meest Wijze Raad in de School vertegenwoordigt, en wiens gezag het eigen gezag van de Raad is, en ook mijn eigen gezag, op het spel staan. Maar Uwe Hoogheden en U, Edele Heren, weten beter dan ik kan zeggen hoe noodzakelijk het gezag van een Rector voor hem is, en dat een Rector zonder gezag niet alleen een nutteloos, maar zelfs een schadelijk man is. Voor deze gunst, evenals voor alle andere die mij zijn bewezen, zal ik te allen tijde, Uwe Heerlijkheden en Edele Heren, Uw meest gehoorzame dienaar blijven.

Leipzig, 17 augustus 1736 M[agisterl Jo. AUG. ERNESTI

Leipzig: 19 augustus 1736 [protestbrief 4 aan gemeenteraad m.b.t. benoeming prefect]


Aan de gemeenteraad van Leipzig

Uwe Hoogheden, Meest Nobele, Standvastige en Meest Geleerde Heren, ook Meest Wijze als ook Hoogst Gewaardeerde Heren en Beschermheren!

Er zal nog aanwezig zijn in Uw Genadige Herinnering, Uwe Hoogheden en U, Edele Heren, hetgeen ik mij genoodzaakt voelde aan Uwe Edelachtbaren te moeten melden aangaande de ongeregeldheden die acht dagen geleden tijdens de openbare kerkdienst zijn veroorzaakt door toedoen van de rector van de St. Thomasschool alhier, de heer Ernesti. Aangezien vandaag hetzelfde gebeurde, zowel 's morgens als 's middags, en ik, om een grote commotie in de kerk en een turbatio sacrorum te vermijden, moest besluiten het motet zelf te dirigeren en de intonatie te laten verzorgen door een universiteitsstudent, en de situatie wordt steeds erger, zodat ik zonder de meest krachtdadige tussenkomst van U, Mijn Hoge Beschermheren, mijn positie bij de studenten die mij zijn toevertrouwd nauwelijks zou kunnen handhaven, en mij dus geen blaam treft als er verdere en misschien onherstelbare stoornissen uit voortvloeien; nu, daarom, heb ik niet kunnen vermijden om dit op gepaste wijze onder de aandacht te brengen van Uwe Hoogheden en U, Edele Heren, met het meest nederige verzoek dat Uwe Hoogheden zich verwaardigen om een onmiddellijk einde te maken aan deze activiteiten van de kant van de rector en, door het bespoedigen van de belangrijkste beslissing waar ik om heb gebeden, overeenkomstig uw welbekende ijver voor het welzijn van de gemeenschap, de anders te vrezen gevolgen zal voorkomen, zoals verdere publieke ergernis in de kerk, wanorde in de school, en vermindering van het gezag t.a.v. de leerlingen dat noodzakelijk is voor mijn ambt en de andere kwalijke gevolgen. Ik blijf, Uwe Hoogheden en Meest Nobele Heren, Uw gehoorzame

JOHANN SEBASTIAN BACH

Leipzig, 19 augustus 1736

Leipzig: september 1736 [aankondiging Zimmermann concerten]


Lorenz Christoph Mizlers' 'Neu eroffnete musikalische Bibliothek'

De beide openbare muziekconcerten of bijeenkomsten die hier wekelijks worden gehouden, bloeien nog steeds gestadig. Het ene wordt geleid door Johann Sebastian Bach, kapelmeester aan het Hof van Weissenfels en Muziekdirecteur aan de St. Thomas en de St. Nikolaas in deze stad, en wordt, behalve tijdens de jaarmarkt, eenmaal per week gehouden in Zimmermann's koffiehuis aan de Katharinenstrasse, op vrijdagavond van 8 tot 10 uur; tijdens de jaarmarkt echter tweemaal per week, op dinsdag en vrijdag, op hetzelfde uur. De andere wordt geleid door de heer Johann Gottlieb Görner, Muziekdirecteur aan de Paulinerkirche en organist aan de St. Thomas. Het wordt ook eenmaal per week gehouden, in de Schellhafer-zaal in de Closter-Gasse, op donderdagavond van 8 tot 10 uur; tijdens de jaarmarkt echter tweemaal per week, namelijk op maandag en donderdag, op hetzelfde uur. De deelnemers aan deze muziekconcerten zijn voornamelijk studenten, en er zijn altijd goede musici onder hen, zodat ze soms, zoals bekend, beroemde virtuozen worden. Iedere musicus mag op deze concerten van zich laten horen, en meestal zijn er ook toehoorders die de kwaliteiten van een bekwaam musicus weten te beoordelen.

Leipzig: 13 september 1736 [Ernesti's weerlegging van Bach's derde klacht]


Aan de gemeenteraad van Leipzig

Memorandum

Het mij medegedeelde relaas, betreffende de studentG.) Krause en de willekeurige ontneming hem, zonder voldoende reden, van zijn post van prefect, is noch volledig - zoals blijkt uit het verslag dat ik twee dagen na het opmaken van dat verslag, namelijk op 17 augustus, heb uitgebracht, en dat ik zo nodig zou kunnen bevestigen door de getuigenissen van de conrector en van vele studenten, en waarop ik bereid zou zijn met een goed geweten te zweren - noch waarheidsgetrouw. De heer Bach kan niets anders aanvoeren dan zijn onbekwaamheid, want hij denkt niet alleen dat hem het recht zal worden toegekend een dergelijk oordeel te vellen, maar ook dat het in dit geval als juist en onbevooroordeeld zal worden beschouwd. Maar net zoals ik andere bewijzen heb kunnen aanvoeren dat zijn getuigenis in dit verband niet altijd te vertrouwen is, en het waarschijnlijk lijkt dat een oude specie-handelaar een sopraan heeft gemaakt van een jongen die niet meer sopraan was dan ik, zo ben ik er volledig van overtuigd dat zijn verslag van deze zaak volkomen onjuist is, en verzeker ik op mijn eer dat ik vanaf het allereerste begin nooit een woord aan deze verandering zou hebben gewijd als dat verslag ook maar de geringste waarschijnlijkheid had bezeten. Als de jongen niet geschikt is voor de functie van eerste prefect, dan is hij dat zeker ook niet voor de andere functies. Want de prefecten hebben allemaal dezelfde taken, die als volgt luiden: (1) zij leiden de motetten in de kerk - dat wil zeggen, wie van hen de eerste of de tweede prefect van de school is - en deze Krause is nu de eerste prefect van de school; (2) zij beginnen de gezangen in de kerk; (3) zij leiden elk een koor tijdens de nieuwjaarszang in de huizen. Het verschil is alleen dat de eerste prefect dit laatste ook in de Michaëls-tijd doet, en bij bruiloften een paar motetten aan tafel zingt en daarbij dirigeert; maar de tweede prefect dirigeert de concerterende muziek van het tweede koor op feestdagen, wat de eerste prefect niet doet. Dus als de stukken die door het Eerste Koor worden uitgevoerd ingewikkelder zijn - en dat is het enige argument dat hij aanvoert of kan aanvoeren - dan is het een feit dat de heer Bach ze dirigeert en niet de prefect. De vroegere prefect, Nagel, heeft nooit iets anders gedaan dan viool spelen. En hoe komt het dan dat hij nu een Eerste Prefect wil hebben die een moeilijk stuk in het Eerste Koor kan dirigeren, aangezien hij er nooit eerder een heeft gehad, of er in ieder geval nooit voor heeft gezorgd dat er een kwam, als hij op andere manieren een voorliefde voor het perion had. Want vroeger, toen hij weg was, liet hij regelmatig de organist van de Nieuwe Kerk, de heer Schott of de heer Gerlach, dirigeren, zoals de laatste, zo nodig, zal getuigen. Natuurlijk is het beter als de prefect het kan doen. Maar als hij onbekwaam is, zoals hij beweert, waarom: omdat ik er al mee had ingestemd dat hij in dat geval weer tweede prefect zou worden? En waarom heeft hij de leerlingen, en nota bene ook mij, toen ik hem daarover ondervroeg, in mijn kamer recht in mijn gezicht gezegd dat het voor mijn rekening was, en omdat hem was verteld dat ik iets had gezegd dat afbreuk deed aan zijn rechten, dat hij niet alleen weigerde hem eerste prefect te laten worden, want die post bekleedde hij al vier weken en langer, maar dat hij hem er ook uit wilde verwijderen. Dit is de reden waarom ik mij heb ingespannen, want het is niet raadzaam te gedogen dat hij dergelijke dingen doet, en zijn bedoelingen aan de leerlingen kenbaar maakt. (2) Als hij hem voor het eerst in die vier weken onzeker voor de maat [m.b.t. de maatsoort] had bevonden, en niet in de zes jaar dat hij hem in zijn zangklas had gehad, zoals te verwachten was, had hij hem helemaal geen prefectenpost moeten geven. Want als hij in het Eerste Koor onzeker is over de maat, zal hij dat zeker zijn in het Tweede Koor, en dus was het in strijd met de eisen van zijn ambt en zijn geweten, dat hij de conrector zover kreeg mij te vertellen en mij namens hem te beloven, dat hij hem, overeenkomstig de brief die ik hem de vorige dag geschreven had, weer in de eerste zangklas zou opnemen. De proef, die hij twee dagen na deze belofte aflegde, nadat hij er, evenals vroeger, weer toe was aangezet door de weggelopen Krause, was een valstrik. De leerlingen die ik heb ondervraagd, zeggen dat hij slechts één enkele misstap maakte, en zich meteen corrigeerde. Het zou, naar mijn mening, een groot wonder zijn geweest als hij geen misstap had gemaakt, aangezien de heer Bach de bedoeling en de wens had dat hij er een zou maken. Elke bewering dat ik de cantor gevraagd heb om de student Krause Prefect te maken, is volkomen onjuist. De feiten zijn als volgt: Toen we samen naar huis reden na de bruiloft van Magister Kriegel, voor Nieuwjaar, rond Adventstijd, vroeg hij me of deze Krause ook Prefect moest worden, want het was tijd dat de gebruikelijke zanglessen die voor Nieuwjaar door de Prefecten worden gegeven, zouden beginnen; en hij zou de Vierde moeten worden (N.B.: niet de Derde, zoals de heer Bach schrijft, want de eerste drie Prefecten waren toen Nagel, Krauss en Nitsche - hoe gemakkelijk verraadt men zich in een leugen!) Wat hem deed aarzelen was dat Krause in andere opzichten een losbandige hond was. Hierop antwoordde ik, dat deze laatste bewering ongetwijfeld waar was, en dat hij twee jaar geleden een schuld van 20 thaler had gehad (waarvan 12 thaler voor een pak kleren), zoals ik in het boek van de heer Gesner had aangetroffen. Maar aangezien de heer Gesner hem, na de zaak met mij te hebben besproken, gratie had verleend vanwege zijn uitstekende talent, en aangezien de schulden nu grotendeels waren afbetaald, kon hij, als hij anders bekwaam was, niet worden overgeslagen voor het ambt van prefect. Hierop antwoordde hij, God is mijn getuige: "O, ik denk dat hij bekwaam genoeg is!"; en zo werd hij achtereenvolgens derde, tweede en eerste prefect, en ik kan op mijn eer getuigen dat ik nooit enige klacht over hem heb ontvangen. De fouten die in de kerk werden gemaakt, vonden plaats voordat hij Vierde Prefect werd. De superintendent vertelde mij onlangs dat sinds hij een onderzoek had gelast naar de veelvuldige wanordelijkheden in de kerk, er geen spoor meer van te vinden was. Maar deze wanorde vond plaats direct na Nieuwjaar, voordat Krause de intonatie zong in een van de kerken. Hoe kan de heer Bach dan besloten hebben dat hij er verantwoordelijk voor was?

M[agister] Jo. AUG. ERNESTI Leipzig, 13 september 1736 R[ector]

Leipzig: 30 oktober 1736 [brief 1 aan gemeenteraad van Sangerhausen, dhr. Klemm in het bijzonder]


Aan de gemeenteraad van SangerHausen

Zeer Geachte en Hooggewaardeerde Heer Klemm,

Het doen bestaan van een jarenlange vriendschap van wijlen uw Geachte Vader met mij, staat mij toe te hopen dat U, Geachte Heer, het mij niet kwalijk zult nemen dat ik U in het bijzonder smeek hetzelfde genadig te mogen blijven doen. Daartoe, en in dit vertrouwen, heb ik het aangedurfd de vrijheid te nemen (daar ik vernomen heb dat de organist van de Benedenkerk overleden is en de vacature waarschijnlijk spoedig vervuld zal zijn) om u, Zeer Geachte Heer, gehoorzaam te verzoeken niet alleen om Uw Genadige Patronage ten behoeve van een persoon die mij zeer na staat, maar ook om mij in deze zaak de bijzondere gunst te verlenen en mij zeer vriendelijk een schrijven te doen toekomen m.b.t. de hoogte van het salaris van de vacante post. En zoals ik hoop en wens dat zowel mijn verzoek als de aanvulling daarop een gunstige ontvangst mogen vinden, zo blijf ik met de meeste toegewijde dankbaarheid te allen tijde Uw Eerwaarde's volkomen gehoorzame dienaar

JOH. SEBAST. BACH

Leipzig, 30 augustus 1736

Leipzig: 18 november 1736 [brief 2 aan gemeenteraad van Sangerhausen]


Aan de gemeenteraad van SangerHausen

Meest Nobele en Hoog Gewaardeerde Heren,

De gracieuze ontvangst die mijn recente brief aan U Edelachtbare ten deel viel, kon in bijna elke regel van uw allerhartelijkst antwoord worden waargenomen, te meer daar mijn eerste verzoek door U Edelachtbare zo gunstig werd ontvangen. Aangezien ik dus een uiting van mijn diepste dankbaarheid verschuldigd ben, verzeker ik Uwe Hoogheid dat ik elke gelegenheid te baat zal nemen om mijn altijd gretige toewijding te tonen. Ik had Uwe Hoogheid een schriftelijke bevestiging van mijn verplichting per omgaande moeten zenden, als ik niet op een tweede brief had gewacht (die Uwe Hoogheid in uw zeer gewaardeerde brief zeer hoffelijk heeft beloofd te zenden). Maar aangezien deze, ten gevolge van de vele andere zaken van Uwe Edelachtbare, tot dusver is uitgebleven, achtte ik het mijn plicht mijn antwoord op de zeer gewaardeerde brief van Uwe Edelachtbare niet langer uit te stellen. En aangezien ik aanneem dat Uwe Eerwaarde, met Uw Zeer Gewaardeerde aanbeveling en voorspraak voor de persoon die ik in gedachten heb, reeds over zoveel genadige voorbedachtheid beschikt dat te zijner tijd een examen voor hem, samen met andere geschikte kandidaten, zeer genadig zal openstaan, heb ik dienovereenkomstig geen verdere aarzeling om Uwe Exellentie mede te delen dat de door mij voorgestelde persoon een van mijn zonen is. Hoewel Uwe Excellentie mij nog niet volledig heeft kunnen inlichten over het feitelijke salaris, heb ik zoveel vertrouwen in Uw Nobele en Eerbiedwaardige Raad dat ik er zeker van ben dat Hij een door hem gekozen persoon geen gebrek zal laten lijden. En wie weet of hier niet een Goddelijk besluit werkzaam is, waardoor uw edelste raad nu beter in staat is om, door een van mijn kinderen te kiezen, de belofte na te komen die ik bijna 30 jaar geleden aan mijn nederige zelf heb gedaan, bij de toekenning van de vacature van organist, aangezien destijds een kandidaat door het hoogste gezag van het land naar u werd gezonden, ten gevolge waarvan, hoewel destijds onder het bewind van wijlen burgemeester Vollrath alle stemmen op mijn nederige ik werden uitgebracht, ik niettemin, om de bovengenoemde reden, niet het geluk had met succes te kunnen verschijnen. Neemt u het mij niet kwalijk dat ik bij deze gelegenheid mijn toenmalige lot bekend maak; alleen dat de eerste brief uit mijn correspondentie zo'n genadige ontvangst mocht beleven, brengt mij tot de gedachte dat misschien de Goddelijke Voorzienigheid hier een handje helpt. Moge Uwe Eer een genadige beschermheer van mij en mijn familie blijven, en geloof ik niet alleen dat de goede Heer U zal belonen, maar ook dat ik en mijn familie ons leven lang Uwe Hoogheid's volkomen gehoorzame dienaar zullen zijn

JOH. SEB. BACH

Leipzig, 18 november 1736

Leipzig: 19 november 1736 [Bach benoemd tot Hofcomponist van Koning August]


Certificaat voor Johann Sebastian Bach als Componist van het Koninklijk Hoforkest

Overwegende dat Zijne Koninklijke Majesteit in Polen en Doorluchtige Keurvorstelijke Hoogheid van Saksen, enz., Johann Sebastian Bach, op diens nederigste verzoek en vanwege zijn bekwaamheid, de titel van Componist van het Koninklijk Hoforkest heeft verleend. Derhalve is de onderhavige oorkonde met betrekking tot deze titel opgesteld met Zijne Koninklijke Majesteit's meest verheven handtekening en de afdruk van het Koninklijk Zegel.

Gedaan te Dresden,

19 november 1736

G. W. MENTZEL

A[ugustus). R[ex].

[Zegel] De Brühl

Op de 28ste is het origineel gezonden aan Zijne Excell. Baron von Keyserling [via wie de brief naar Bach werd gebracht]

Leipzig: 1 december 1736 [Bach geeft orgelconcert te Dresden]


Uit de 'Dresdner Nachrichten'

Op 1 december 1736 heeft de beroemde kapelmeester van de Prins van Saksen-Weissenfels en Director Musices te Leipzig, dhr. Johann Sebastian Bach, van 2 tot 4 uur zich laten horen op het nieuwe orgel in de Onze-Lieve-Vrouwekerk, in aanwezigheid van de Russische Ambassadeur, Von Keyserlingk, en vele Personen van Rang, ook een grote opkomst van andere personen en artiesten, met bijzondere bewondering, waarom ook Zijne Koninklijke Majesteit hem, wegens zijn grote bekwaamheid in het componeren, zeer genadig tot componist van Zijne Majesteit heeft benoemd.

Leipzig: 6 februari 1737 [besluit gemeenteraad van Leipzig m.b.t. benoeming prefect ofwel de zaak tussen Bach en Ernesti]


Van de gemeenteraad van Leipzig

Een nobele en wijze raad van de stad Leipzig heeft met ongenoegen moeten vernemen hoe aan de Thomasschool misverstanden zijn ontstaan met betrekking tot de benoeming van de prefect van de inwonende leerlingen, gewoonlijk algemeen prefect genoemd. Maar aangezien in het Schoolreglement, hoofdstuk 13, § 8, en hoofdstuk 14, § 1 en § 4, duidelijk staat vermeld, dat de Cantor met toestemming van de Rector de acht jongens voor elk van de vier koren aanvaardt en uit hen vier koorprefecten kiest met voorkennis en goedkeuring van de Directeur, en dat voor deze functie de eerste student of, wanneer deze niet geschikt is voor de muziek, de volgende wordt gekozen. Bovendien, volgens het genoemde Schoolreglement, hoofdstuk 2, § 17, hoofdstuk 6, § 1 en § 7, hebben noch de rector, noch de cantor, noch zelfs alle preceptoren samen, de bevoegdheid om op eigen gezag een leerling uit te sluiten van de School of van het genot van dit of dat voordeel; welnu, zij zijn verplicht zich dienovereenkomstig te gedragen en zich te onthouden van het zelf schorsen van een of andere student van een hem toevertrouwde functie, of zelfs van het uitsluiten daarvan, of van het geven van instructies aan de gehele studentenpopulatie op straffe van uitsluiting, tenzij zij tevoren hebben voldaan aan de vereisten van § 7 van hoofdstuk 6; en de Cantor is evenzeer verplicht zich te onthouden van het toevertrouwen van de verplichtingen van de prefecten aan iemand anders dan een normale student. Evenzo moeten de prefecten zo nodig zodanig worden gestraft dat zij niet het voorwerp worden van minachting van de kant van degenen op wie zij krachtens § 4 van hoofdstuk 14 een zekere mate van toezicht moeten uitoefenen, en zij mogen derhalve nooit het voorwerp worden van openbare zweepslagen. Voorts zullen de voorgangers, aan wie bij hoofdstuk 4, § 9, van het voornoemde Schoolreglement de inspectie van de koren in openbare diensten en in bruiloftsdiensten is opgedragen, er op toezien, dat zij zich strikt van hun plichten ter zake kwijten, en aldus excessen als die, waartoe Gottfried Theodor Krause is veroordeeld, vermijden; hetgeen strikt in het oog moet worden gehouden, wanneer met de komende Pasen het verblijf van Johann Gottl. Krausse's verblijf op de school met Pasen ten einde is, bij het vervullen van de functie van Eerste Prefect; en in het algemeen het Schoolreglement - in het bijzonder, in geval van meningsverschillen, § 4 van het Eerste Hoofdstuk en § 11 en § 12 van het Tweede Hoofdstuk - nauwkeurig in acht moet worden genomen. Dit document wordt gewaarmerkt door het aanbrengen van het gebruikelijke stadszegel.

Leipzig, 6 februari 1737

Leipzig: 12 februari 1737 [eerste beroep aan gemeenteraad van Leipzig]


Aan de gemeenteraad van Leipzig

Uwe Hoogheden, Meest Nobele, Meest Eerbiedwaardige, Meest Gerespecteerde en Meest Geleerde, Meest Hooggeachte Meesters en Hoge Patronen!

De rector van de St.Thomas School hier, Magister Johann August Ernesti, heeft het onlangs op zich genomen om mij tegen mijn wil een onbekwame prefect op te dringen in het eerste koor, dat gevormd wordt door leerlingen van de genoemde school; en toen ik dit niet kon of wilde accepteren, gaf de genoemde Magister Ernesti orders aan alle leerlingen, op straffe van uitzetting, dat niemand van hen het motet in de kerk mocht uitvoeren of zingen zonder deze prefect die willekeurig door hem was aangesteld; Thomas School hier, Magister Johann August Ernesti, heeft het onlangs op zich genomen om mij tegen mijn wil een onbekwame prefect op te dringen in het eerste koor, dat gevormd wordt door leerlingen van de genoemde school; en toen ik dit niet kon of wilde accepteren, gaf de genoemde Magister Ernesti orders aan alle leerlingen, op straffe van uitzetting, dat niemand van hen mocht zingen of het motet in de kerk mocht dirigeren zonder deze prefect die willekeurig door hem was aangesteld; En hij bereikte daarmee zoveel, dat de volgende zondag, tijdens de middagdienst, geen enkele student, uit vrees voor de dreigende straf, bereid was het zingen of het motet te dirigeren; de dienst zou zelfs verstoord zijn geweest, als ik er niet uiteindelijk in geslaagd was een student van de universiteit ertoe te bewegen de dienst bij te wonen.

Sindsdien ben ik niet alleen in de vervulling van mijn ambt zeer gekrenkt en gestoord door deze toezegging van de rector, maar ook de eerbied, die de studenten mij verschuldigd zijn, is mij ontnomen, en mij is dus mijn rechtmatige aanzien bij hen ontnomen; en dit hoewel:

(1) volgens hoofdstuk 14 § 4, van het schoolreglement van de eerbare raad alhier, ingesteld voor de St.Thomas School, de keuze van de praefecti chororum uit de schooljongens aan mij toekomt, zonder de tegenspraak van de rector, en altijd zo is gemaakt, niet alleen door mij maar ook door mijn voorgangers; Daar zijn zinnige redenen voor, daar de prefecten volgens het genoemde schoolreglement, door mij, de cantor, moeten plaatsnemen, en moeten leiden, omdat ik niet in alle kerken tegelijk kan zijn, en ik speciale taken heb van inspectie en toezicht over het eerste koor, en dus het beste kan weten van wie ik zeker kan zijn dat het goed zal gaan; voorts omdat

(2) het verbod van de rector aan de leerlingen om onder geen ander prefect te zingen, hoogst ongepast is, daar, indien de leerlingen mij bij het zingen niet gehoorzamen, het onmogelijk is iets vruchtbaars tot stand te brengen; en derhalve, opdat dit begin niet als precedent wordt genomen, ik goede gronden heb om op te treden;

Nu ben ik dus verplicht mij tot Uwe Grootheid en tot U, Edelachtbaren, te wenden met betrekking tot deze moeilijke situatie, en dienovereenkomstig wordt mijn nederigste verzoek aan U voorgelegd:

Om mij in mijn ambt te steunen, en dienovereenkomstig de rector, magister Ernesti, er ernstig van te doordringen, dat hij mij niet verder zal hinderen in de uitoefening van mijn ambt, en dat hij zich in de toekomst zal onthouden van het aanstellen van prefecten zonder mijn medeweten en instemming, en van enig verbod aan de jongens van de school om mij niet hun gehoorzaamheid te betonen bij het zingen; en zeer genadig om de superintendant of een van de geestelijken van St. Thomas passende instructies te geven, zonder onnodige bepalingen, om de schoolkinderen aan te sporen mij weer het respect en de gehoorzaamheid te geven die mij toekomen, en mij zo verder in staat te stellen mijn functie uit te oefenen.

Zoals ik in mijn redelijk verzoek hoop en wacht op Uwe Hoge Bescherming en Hulp, zo zal ik blijven, als altijd, met alle respect,

Uwe Hoogheden en Edelachtbare, Eerwaarde en Zeer Geachte Heren, U zeer gehoorzame

JOHANN SEBASTIAN BACH

Componist van de Hofkapel van Zijne Koninklijke Majesteit in Polen, en Dir. Chori Musici in deze plaats

Leipzig, 12 februari 1737

Leipzig: 4 maart 1737 [1e aanbevelingsbrief voor B.D.Ludewig]


Voor zijn leerling Bernhard Dieterich Ludewig

Daar de drager dezes, Mr. Bernhard Dieterich Ludewig, kandidaat theologie, en student in de muziek, mij, ondergetekende, heeft verzocht hem een verklaring te willen geven betreffende zijn optreden in zijn eigen stad; welnu, het verheugt mij van harte niet alleen aan dit verzoek te voldoen, maar ook met lof te kunnen verklaren, dat hij zich niet alleen van zijn studie in de theologie goed heeft gekweten, maar ook in verschillende jaren mijn collegium musicum met ijver heeft bezocht, onvermoeibaar daaraan heeft deelgenomen, hij bespeelde verschillende instrumenten en liet zich ook vaak vocaal horen, en heeft zich in het algemeen zo onderscheiden dat ik mij niet alleen geroepen voelde om de jongere leden van mijn familie aan zijn conscentieuze onderricht toe te vertrouwen, maar ook om hem zelf regelmatig te onderwijzen in die dingen die hij in muzikaal opzicht nog niet wist. Ik twijfel er dus niet aan dat hij persoonlijk zal bevestigen wat ik schriftelijk heb verklaard.

JOH. SEBAST. BACH

Koninklijke Poolse en Keurvorstelijke Saksische Componist

& Directeur Chori Musici

Lipsiensis etc.

Leipzig, 4 maart 1737

Leipzig: 10 oktober 1737 [2e aanbevelingsbrief voor B.D.Ludewig]


Voor zijn leerling Bernhard Dieterich Ludewig

Daar de houder dezes, de heer Bernhard Dieterich Ludewig, student in de theologie en student in de muziek, mij, ondergetekende, verzocht heeft hem een formeel getuigenis te schrijven betreffende de ijverige onderrichting, die hij aan mijn kinderen heeft gegeven en de hulp, die hij zowel aan de kerkmuziek als aan andere muziek, vocaal zowel als instrumentaal, heeft verleend, nu, daarom, ben ik niet alleen van harte verheugd dit te verwezenlijken, maar wens ook te verklaren, dat ik ten volle tevreden ben geweest over de ijver, die hij aan mijn kinderen heeft betoond, en dat zijn bekwaamheid in de muziek mij veel genoegen heeft verschaft. En voorbeelden van zijn werk, zowel in de ene richting als in de andere, zullen deze getuigenis ten volle bevestigen en verifiëren. Ik wens hem in zijn streven Goddelijke Genade en steun toe.

JOHANN SEBAST. BACH

Koninklijke Poolse en Keurvorstelijke Saksische Componist, enz.

Leipzig, 10 oktober 1737

Leipzig: 30 oktober 1737 [doop van Johanna Carolina Bach]


De 30e oktober Mr. L[icentiaat]. Gaudelitz. Diaken.
Johanna Carolina. V[ader]. Dhr. Johann Sebastian Bach, Koninklijk Pools en Prinselijk Saksisch Hof Componist, Directeur Chori Musici, en Cantor aan de St. Thomas hier.
M[oeder]. Anna Magdalena née Wilcke.
P[eetouders]. 1) Juffrouw. Sophia Carolina, wijlen Handelaar dhr. Georg Heinrich Bose's dochter.
2) Mr. M[agister]. Christian Weiße, Diaken van de St. Nicolai, en S. S. Theol. Baccalaureus.
3) Mevrouw Johanna Elisabeth, echtgenote van Mr. Christian Friedrich Heinrici, Koninklijke Poolse en Koninklijke Saksische Hoofdcommissaris van de Posterijen.

Leipzig: 17 december 1737 [decreet van de Koning m.b.t. de zaak tussen Bach en Ernesti]


Decreet van de Koning

Aan de Edelachtbaren en Geleerden, Onze Geliefde Loyale en Trouwe Leden van het Consistorie te Leipzig, betreffende de Hofcomponist Bach:

Bij de gratie Gods, Frederik Augustus, Koning in Polen, Hertog van Saksen, Kleef, Berg, Engern, en Westfalen, Keurvorst. WAARDIG EN GELEERD, TROUW EN GETROUW! Overwegende dat onze hofcomponist, Johann Sebastian Bach, zich bij ons beklaagd heeft over de huidige rector van de St. Thomas School in Leipzig, Magister Johann August Ernesti, dat hij het lef heeft gehad om de post van Prefect in te vullen zonder zijn toestemming, en met een persoon wiens bekwaamheid in de muziek zeer slecht is, en toen hij de zwakte van de laatste opmerkte en de daaruit voortvloeiende wanorde in de muziek, zich genoodzaakt zag een ander en bekwamer persoon in zijn plaats te stellen, heeft genoemde rector Ernesti zich niet alleen tegen zijn voornemen verzet, maar ook, tot zijn grote schade en vernedering, alle jongens verboden, in algemene vergadering en op straffe van zweepslagen, gehoorzaam te zijn aan de door de cantor gemaakte afspraken; en wat hij daarom vraagt is aangegeven in de bijlage. Wij verlangen daarom hierbij dat u, in antwoord op deze klacht, de maatregelen zult nemen die u nodig acht. Dit is onze wil.

Gedateerd Dresden, 17 december 1737

JACOB FRIEDRICH SCHILLING

ANDREAS HEINRICH BEYER

1737 [Bachs muziek als voorbeeld van Duitse perfectie]


Johann Adolph Scheibe

Bij sommige soorten klavierstukken is er een duidelijk onderscheid tussen de Duitse stijl en andere. Bij buitenlanders vinden we dat noch de structuur, noch de versiering, noch de uitwerking van deze stukken zo volmaakt is als bij de Duitsers. Want zij weten dit instrument met de grootste kracht en overeenkomstig zijn ware aard beter uit te buiten dan alle andere naties. De twee groten onder de Duitsers, de heren Bach en Händel, illustreren dit het treffendst.

1737 [over de lengte en de omkeringen van Bachs Fuga-thema's]


Johann Mattheson

Nu, hoe lang het zogenaamde thema van een fuga mag zijn, in maten, is tot op zekere hoogte arbitrair, en over deze kwestie zal aan het slot van dit hoofdstuk nog iets verschijnen. Maar in het algemeen is men van mening dat hoe sneller en sneller een antwoord op zijn onderwerp volgt, des te beter is het effect van de fuga. Men vindt dikwijls de voortreffelijkste uitwerkingen op de minste noten, of de kortste fuga-thema's; bijna zoals de beste preken gemaakt kunnen worden op drie of vier woorden tekst. Wie zou geloven dat deze acht korte noten [uit de Fuga BWV 1003] zo vruchtbaar zouden zijn dat ze een contrapunt zouden voortbrengen van meer dan een heel blad muziekpapier, zonder ongewone uitbreiding, en heel natuurlijk? En toch heeft de bekwame en in deze soort bijzonder fortuinlijke Bach precies dit voor de wereld neergezet; sterker nog, hij heeft het thema hier en daar in omkering geïntroduceerd.

1737 [over Bachs basso-continuospel]


L.C. Mizler

Wie waarlijk wil opmerken wat fijngevoeligheid in doortastend basspel en zeer goede begeleiding betekenen, behoeft slechts de moeite te nemen hier onze kapelmeester Bach te horen, die elke volgbas zo bij een solo begeleidt, dat men denkt dat het een stuk concerterende muziek is en alsof de melodie, die hij in de rechterhand speelt, van te voren geschreven is. Ik kan daarvan een levend getuigenis geven, daar ik het zelf gehoord heb.

Leipzig: 27 april 1738* [uitvoering verloren gegane cantate, BWV Anh.13 op de Markt]


titelpagina van dit stuk

Toen Zijne Doorluchtige Hoogheid, de Machtige Prins en Heer Frederik Augustus, Koning in Polen, Groothertog van Litouwen, Reuss, Pruisen, Mazovië, Samogitië, Kiovië, Vollhynië, Podolië, Podlachië, Liefland, Smolensko, Severië, en Czernicovië &c. &c., Hertog van Saksen, Julich, Kleef en Berg, ook van Engern en Westfalen, Aartshertog en Keurvorst van het Heilige Roomse Rijk, Landgraaf in Thüringen, Markgraaf van Meissen, ook van Boven- en Neder-Lausitz, Burggraaf van Maagdenburg, Prins en Graaf van Henneberg, Graaf van de Marck, Ravensberg, Barby en Hanaus, Heer van Ravenstein &c. &c., samen met Hare Koninklijke Hoogheid, zijn gemalin, en Hare Koninklijke Hoogheid, de Oudste Prinses, de stad Leipzig vereerden met hun aanwezigheid op de Paasmarkt van 1738, wensten de studenten van de Universiteit van die plaats op 27 april hun meest onderdanige toewijding te tonen in een Avond-serenade. Leipzig, gedrukt door Berhard Christoph Breitkopf.

[*noot: verschillende bronnen noemen verschillende data, hetzij 27 of 28 april].

Leipzig: 28 april 1738* [uitvoering verloren gegane cantate, BWV Anh.13 op de Markt]


Uittreksel uit de Kroniek van Leipzig van Johann Salomon Riemer

Op 28 april 1738*, om 9 uur 's morgens, hield Baron Woldemar van Schmettau een plechtige toespraak in de Pauluskerk van deze stad ter gelegenheid van het aanstaande huwelijk van Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Amalia met Zijne Majesteit de Koning der Twee Siciliën. Om 9 uur 's avonds brachten de studenten van de Universiteit hier een mooie avondserenade met vele waskaarsen en, onder het geluid van trompetten en trommels, voor het huis Apel op de Markt, een zeer bescheiden Drama, dat was gecomponeerd en werd uitgevoerd door de kapelmeester, de heer Joh. Sebastian Bach, waarna de Graaf van Zierotin, de Baron van Schmettau, en de Heren van Leipnitz en Marschall de eer hadden de Cantate aan te bieden aan Hunne Koninklijke Hoogheden en aan Hunne Koninklijke Hoogheden de beide Prinsessen, en hun de hand te mogen kussen.

[*noot: verschillende bronnen noemen verschillende data, hetzij 27 of 28 april].

Leipzig: 5 mei 1738 [kwitantie voor het verzorgen van een concert]


n.b.

Achtenveertig thaler voor de avondmuziek aangeboden aan Zijne Koninklijke Majesteit, enz. op 27 april 1738, zijn mij heden betaald door een Eerwaardige Universiteit te Leipzig, hetgeen ik hierbij bevestig en waarvoor ik deze kwitantie naar behoren overhandig. Leipzig, 5 mei 1738

50 rthl. voor mij en 8 rthlr. voor de Stadspijpers

JOHANN SEBASTIAN BACH

Koninklijk Pools en Keurvorstelijk Saksisch Hofcomponist

Leipzig: 24 mei 1738 [brief aan dhr. Klemm m.b.t. de schulden van zijn zoon]


Aan Dhr. Klemm

Meest Nobele, Zeer Gewaardeerde Heer Klemm,

Uwe Edelachtbare zal het niet verkeerd opvatten dat ik door afwezigheid uw zeer gewaardeerde brief niet eerder heb kunnen beantwoorden, aangezien ik pas twee dagen geleden uit Dresden ben teruggekeerd. Met welke pijn en verdriet ik dit antwoord echter formuleer, kan Uwe Edelachtbare zelf beoordelen als de liefhebbende en goedbedoelende vader van Uwe Edelachtbare's eigen meest geliefde kroost. Ik heb mijn (helaas! misleide) zoon niet meer gezien sinds vorig jaar, toen ik de eer had van vele gunstbewijzen te genieten uit handen van Uwe Hoogheid. Het zal Uwe Excellentie ook niet ontgaan zijn, dat ik destijds niet alleen zijn kostgeld, maar ook de borgsom van Mühlhausen (die toen vermoedelijk zijn vertrek teweegbracht) betaalde, maar ook een paar dukaten achterliet om een paar rekeningen te vereffenen, in de hoop dat hij nu een nieuwe levenswandel zou beginnen. Maar nu moet ik met grote ontsteltenis vernemen, dat hij wederom hier en daar heeft geleend en zijn levenswijze in het geheel niet heeft veranderd, maar integendeel zelfs afwezig is geweest en mij tot op heden geen enkele aanwijzing heeft gegeven omtrent zijn verblijfplaats.

Wat zal ik verder zeggen of doen? Daar geen vermaning of zelfs mijn liefdevolle zorg en bijstand meer zullen volstaan, moet ik geduldig mijn kruis dragen en mijn weerspannige zoon aan Gods barmhartigheid alleen overlaten, zonder te twijfelen, dat Hij mijn smartelijke smeekbede zal verhoren en hem ten slotte naar Zijn Heilige Wil zó zal bewerken, dat hij zal leren erkennen, dat de les geheel en alleen aan de Goddelijke Goedheid te danken is.

Doordat ik nu mijn hart voor u heb geopend, vertrouw ik er ten volle op, dat gij mij het slechte gedrag van mijn kind niet zult toerekenen, maar overtuigd zult zijn, dat een toegewijd vader, wiens kinderen hem ter harte gaan, alles tracht te doen om hun welzijn te bevorderen. Dit was het, dat mij ertoe bewoog, toen Uwe Eerwaarde de vacature open had staan*, hem daarvoor zo goed mogelijk aan te bevelen, in de hoop, dat de beschaafder levenswijze van Sangerhausen en zijne eminente beschermheren hem evenzeer tot een ander gedrag zouden bewegen, en daarvoor betuig ik bij dezen nogmaals mijn plichtsgetrouwe dank aan Uwe Eerwaarde als de auteur van zijn promotie. Ik twijfel er ook niet aan dat Uwe Edelachtbare Uw Raad zal verzoeken de dreigende vervanging uit te stellen totdat bekend is waar hij zich ophoudt (God die alles weet is mijn Getuige dat ik hem het afgelopen jaar niet heb gezien), zodat kan worden vastgesteld wat hij in de toekomst heeft besloten te doen: te blijven en zijn levenswijze te veranderen, of zijn geluk elders te zoeken. Ik zou niet willen dat Uw Nobele Raad met dit verzoek wordt belast, maar ik zou alleen willen bidden om geduld tot hij weer opduikt, of tot anderszins bekend is waar hij heen is gegaan.

Omdat bovendien verschillende crediteuren hun vorderingen bij mij hebben ingediend, en ik nauwelijks kan instemmen met betaling van deze vorderingen zonder mondelinge of schriftelijke bevestiging ervan door mijn zoon (waarin ik door alle wetten gesteund word), verzoek ik uwe edelachtbare daarom de goedheid te hebben nauwkeurige inlichtingen in te winnen omtrent zijn verblijfplaats, en dan hoeft u alleen nog maar zo goed te zijn mij definitief in kennis te stellen, zodat nog een laatste poging kan worden gedaan om te zien of met Gods hulp zijn onboetvaardige hart kan worden gewonnen en tot erkenning van zijn fouten kan worden gebracht. Aangezien hij bovendien tot nu toe het geluk heeft gehad bij Uwe Hoogheid te mogen logeren, verzoek ik U tegelijkertijd mij mede te delen of hij het weinige meubilair dat hij had, heeft meegenomen, of wat daarvan nog voorhanden is. In afwachting van een spoedig antwoord, en u een vreugdevollere vakantie toewensend dan ik zal hebben, blijf ik, met mijn meest nederige respect voor uw Geëerde Vrouw, Uw Eedelachtbare's meest toegewijde dienaar

Leipzig, 24 mei 1738

JOH. SEB. BACH

[*noot: Bach schreef eerder voor zijn zoon een sollicitatie naar dhr. Klemm, voor de post van organist]

Leipzig: 26 mei 1738 [brief aan mevr. Klemm m.b.t. de schulden van zijn zoon]


Aan Mevr. Klemm

Meest Nobele en Zeer Gewaardeerde Mevrouw Klemm,

De Geachte Dame zal het niet ondankbaar opvatten, dat ik niet kan ingaan op haar brief bij de mij toegezonden memorie van eis, zoals zij zou wensen; want in de eerste plaats is het noodzakelijk, dat mij de schriftelijke kennisgeving* van mijn (helaas! misleide) zoon in zijn eigen handschrift beschikbaar wordt gesteld, voordat ik een beslissing neem, en ik moet ook weten of hij nog niet naar huis is teruggekeerd, om passende maatregelen te kunnen nemen. Hij is sinds mijn reis naar Sangerhausen vorig jaar niet meer bij mij geweest, zoals ik met God en mijn familie als mijn getuigen kan verzekeren. Indien de Geachte Dame zou vernemen waar hij verblijft en mij daarover inlichtingen zou verschaffen, zou ik niet alleen mijn erkentelijkheid betuigen, maar ook de moeite nemen haar schadeloos te stellen. In afwachting van een spoedig antwoord, verblijf ik, Edelachtbare en Hooggeachte Mevrouw Klemm,

Uw meest toegewijde dienaar

JOH. SEB. BACH

Leipzig, 26 mei 1738

[*noot: Johann Gottfried Bernhardt zou zich in de maand januari daaropvolgend inschrijven op de universiteit van Jena, maar kwam in mei te overlijden. De oorzaak daarvan is niet bekend.

Leipzig: 1738 [Johann Elias, zoon van achterneef Joh. Valentin is inmiddels secretaris van Bach en bestelt iets]


Uit het correspondentieboek van Johann Elias Bach

Indien mogelijk zou ik graag voor mijn geëerde neef [J.S. Bach] een fles van de met gist gemaakte brandewijn en een paar, notabene, gele anjers voor onze geëerde tante [Maria Magdalena], een groot kenner van tuinieren, willen hebben. Ik weet zeker dat dit een groot genoegen zou geven en mij des te meer met beiden zou verzoenen, daarom smeek ik hier nogmaals om en blijf zoals boven.

[noot: Johann Elias Bach (1705-1755), een zoon van Johann Sebastian's achterneef Johann Valentin, kwam in 1738 naar Leipzig om theologie te studeren aan de universiteit. Tijdens zijn verblijf in Leipzig diende hij als secretaris van Bach]

1738 [over Bachs wijze van dirigeren]


Van Johann Matthias Gesner aan Marcus Fabius Quintilianus

Je zou maar weinig denken, mijn beste Fabius, van al dezen, als je, teruggekeerd uit de onderwereld, Bach zou zien (om hem in het bijzonder te noemen, aangezien hij nog niet zo lang geleden mijn collega was aan de Leipziger St. Thomasschool in Leipzig was) met alle vingers van beide handen op ons klavier, dat vele citers in één is, zien spelen, of de toetsen van het instrument der instrumenten (orgel), waarvan de ontelbare pijpen door blaasbalgen tot leven worden gewekt, met beide handen en, met de grootste snelheid, met zijn voeten zien beroeren, waarbij hij zelf de meest uiteenlopende en tegelijkertijd onderling aangename combinaties van klanken in ordelijke volgorde voortbrengt. Als u hem kon zien doen, zeg ik, wat veel van uw citerspelers en zeshonderd van uw tibiaspelers [tibia is een blaasinstrument die bekend is uit de Griekse Oudheid) vansamen niet zouden kunnen, niet alleen, zoals een citerspeler, met één stem zingen en zijn eigen partijen spelen, maar op alles letten en van dertig of zelfs veertig muzikanten, de een met een knikje, een ander door met zijn voet te tikken, de derde met een waarschuwende vinger, de juiste noot gevend aan de een vanuit de hoogte van zijn stem, aan een ander vanuit de diepte, en aan een derde in het midden - alles alleen, temidden van het grootste geroezemoes van alle deelnemers, en hoewel hij zelf de moeilijkste partijen uitvoert, merkt hij onmiddellijk op waar en wanneer zich een fout voordoet, houdt iedereen bij elkaar, neemt overal voorzorgsmaatregelen en herstelt elke onvastheid, vol ritme in elk deel van zijn lichaam - deze ene man neemt met zijn scherpe oor al deze harmonieën op en geeft met zijn stem alleen de toon van alle stemmen weer. Gunstig als ik ben voor de oudheid, lijken mij de verrichtingen van onze Bach, en van anderen die op hem kunnen lijken, te bewerkstelligen wat niet vele Orpheusen, noch twintig Arions, zouden kunnen bereiken.

Leipzig: 10 januari 1739 [Bach publiceert orgelwerken]


Brief Johann Elias Bach aan Cantor Joh. Wilhelm Koch uit Ronnenberg

Zo gebeurt het ook dat mijn geëerde Neef [J.S.Bach] enkele klavierstukken zal uitbrengen die meestal voor organisten zijn en buitengewoon goed gecomponeerd zijn, en ze zullen ongetwijfeld klaar zijn voor de komende Paasmarkt, en zo'n 80 folio's [pagina's van folio-formaat] beslaan; als mijn broer er enkele abonnees voor kan krijgen, laat hij ze dan accepteren voor een prijs van --- , want anderen, later, zullen meer moeten betalen ... .

De hartelijkste groeten van mijn geëerde neef en zijn hele familie, en vooral van mij.

10 januari 1739

Leipzig: 17 maart 1739 [Bach ontvangt bericht m.b.t. uitvoering van een Passie]


Op last van een nobele en wijze raad ben ik naar de heer Bach gegaan en heb hem erop gewezen dat de muziek die hij op de komende Goede Vrijdag wil uitvoeren, moet worden weggelaten totdat daarvoor reguliere toestemming is verkregen. Waarop hij antwoordde: het was altijd al zo gedaan; het kon hem niet schelen, want hij had er toch niets aan en het was alleen maar een last; hij zou de superintendent [Deyling] laten weten dat het hem verboden was; als er bezwaar gemaakt zou worden vanwege de tekst, [dan moest men wel begrijpen dat] het al verschillende keren was uitgevoerd. Dit heb ik dienovereenkomstig willen meedelen aan een Edele en Meest Wijze Raad.

Leipzig, 17 maart 1739

ANDREAS GOTTLIEB BIENENGRABER
Griffier
Met mijn eigen hand

1739 [Johann Birnbaum over de afgeblazen wedstrijd met Marchand]


. . . Stel dat ik een man zou noemen die in zijn tijd beschouwd werd als de grootste meester in heel Frankrijk op het klavier en het orgel, tegen wie de geachte hofcomponist nog niet zo lang geleden de eer van de Duitsers, evenals zijn eigen eer, volledig in stand hield. Deze man was Mons. Marchand, die, toen hij in Dressden was en de geachte Hofcomponist daar ook was, door laatstgenoemde in een hoffelijke brief, verzonden op voorstel en bevel van enkele belangrijke personen van het Hof aldaar, werd uitgedaagd tot een beproeving en vergelijking van hun respectieve talenten op het klavier, en die ermee instemde te verschijnen zoals was voorgesteld. Het uur was aangebroken waarop twee grote virtuozen hun krachten moesten meten. De geachte hofcomponist wachtte, samen met degenen die de jury van deze muzikale wedstrijd zouden vormen, met spanning op de andere deelnemer, maar tevergeefs. Uiteindelijk bleek dat hij vroeg op de dag met de snelle postkoets uit Dressden was verdwenen. Ongetwijfeld vond de beroemde Fransman zijn talenten te zwak om de krachtige aanvallen van zijn deskundige en dappere tegenstander te weerstaan. Anders zou hij zijn toevlucht niet zo haastig hebben gezocht.

Leipzig: 1739 [Bach en Collegium Musicum worden vermeld in een Lexicon]


Vermelding in Johann Heinrich Zedler's Grosses Universal Lexicon

Musicum Collegium is een kring van bepaalde muzikale kenners die, ten behoeve van hun eigen oefening in zowel vocale als instrumentale muziek en onder leiding van een bepaalde regisseur, op bepaalde dagen en in bepaalde plaatsen samenkomen en muziekstukken uitvoeren. Dergelijke collegia zijn op verschillende plaatsen te vinden. In Leipzig is het Bachiaans Collegium Musicum beroemder dan alle andere.

Leipzig: 1739 [Bach publiceert orgelwerken]


Titelblad Clavier-Übung III

Derde Deel van de Klavieroefeningen, bestaande uit verschillende preludes op de catechismus en andere hymnen voor orgel. Voor muziekliefhebbers en in het bijzonder voor kenners van dergelijk werk, om hun geest te verfrissen, gecomponeerd door Johann Sebastian Bach, Koninklijke Poolse en Keurvorstelijke Saksische hofcomponist, Kapelmeester, en Directore Chori Musici in Leipzig. Uitgegeven door de auteur.

Leipzig: 11 augustus 1739 [brief van J.E. Bach over een bezoek van o.a. Sylvius Leopold Weiss aan Bach]


Aan cantor J.W. Koch

... en ik hoopte zeker de eer te hebben spoedig met mijn Broeder te spreken, wat ik des te gretiger wenste omdat juist op dat moment iets extra moois op muziekgebied gaande was, daar mijn geëerde neef uit Dressden [Wilhelm Friedemann Bach], die hier meer dan vier weken was, zich verscheidene malen bij ons thuis heeft laten horen, samen met de twee beroemde luitisten de heren Weise [Sylvius Leopold Weiss*] en [Johann] Kropffgans. 11 augustus 1739

Leipzig: 28 september 1739 [uitnodiging van J.E. Bach voor een concert van Bach]


Aan cantor J.W. Koch

...maar nu we het toch over het dopen van kinderen hebben, moet ik hier vermelden dat mijn geëerde neef de cantor in Ronneburg en zijn vrouw zijn meest gehoorzame dank betuigt voor het doopgeschenk, dat met goede wensen voor hun gezondheid werd geconsumeerd; hij wenst niets liever dan de lang verwachte gelegenheid om u op gepaste wijze terug te betalen, en smeekt u tegelijkertijd het niet verkeerd op te vatten dat hij u wegens de opeenstapeling van werkzaamheden deze keer niet met een eigen briefje kan bedanken, daar hij aanstaande vrijdag met het Collegium Musicum begint en in de eerste week van de jaarmarkt muziek ten gehore zal brengen ter gelegenheid van de verjaardag van Zijne Koninklijke Majesteit; het zal zeker de moeite van het beluisteren waard zijn, en als mijn Broeder weg kon komen, zou hij er zeker geen spijt van hebben dat hij in het publiek heeft gezeten. Aangaande Uwe Eerw.'s eerste brief, moet ik in zeer gehoorzaam antwoord melden dat het kerkstuk dat hij terugzond naar behoren is ontvangen, samen met de 10 [gr.?], en ook dat het werk van mijn geëerde Neef, gegraveerd op koper, nu klaar is, en bij hem te verkrijgen is voor 3 rthl. per exemplaar.

28 september 1739

Leipzig: 5 oktober 1739 [J.E. Bach vraagt zijn zus wijn te sturen voor Bach]


Aan de zus van J.E. Bach

Verder herhaal ik mijn eerdere verzoek om nieuwe zoete wijn. De goede God zal u dit jaar waarschijnlijk een goede wijnoogst sturen, en daarom smeek ik u, mijn lieve zuster, zeer ernstig, om 10 of 12 maten nieuwe zoete wijn voor mij voor te bereiden, en het mij door de expresseur Herrin te laten bezorgen, aangezien ik onze geëerde neef maar al te graag dit genoegen zou gunnen, daar ik al twee jaar lang vele gunsten in zijn huis heb genoten. 5 oktober 1739

Leipzig: 11 november 1739 [J.E. Bach schrijft bedankbrief]


Aan Johann Leberecht Schneider in Weissenfels

P.S. Van mijn geëerde neef en zijn gehele huisgezin wil ik U de meest gehoorzame groeten overbrengen, en U zeer dankbaar mededelen dat men van plan was Uwe Eerwaarde zijn dankbaarheid te tonen, maar daar de Doctor dit in dit weer sterk heeft afgeraden, waarvan Mevr. [Johanna Christina] Krebs [Anna Magdalena Bach's zuster] ook nieuws zal hebben, wil ik U nogmaals de meest gehoorzame dank van mijn geëerde neef overbrengen voor Uw alleraardigste uitnodiging, die hij misschien, wanneer hij weer helemaal gezond is, zal mogen aannemen.

Leipzig: 14 november 1739 [J.E. Bach schrijft nog een bedankbrief]


Aan Johann Leberecht Schneider in Weissenfels

P.S. Mijn geëerde neef en zijn echtgenote sturen Uwe Eerwaarde en mevrouw Krebs met vele groeten nogmaals hun dank voor uw overweldigende hoffelijkheid, en aangezien eerstgenoemde bij zijn veilige terugkeer nog wat werk op hem vond wachten, zal hij u morgen of aanstaande woensdag zijn eigen schriftelijke dank sturen.

1739 [uitleg van de raadselcanon genoemd in paneeltje van 18 augustus 1727]


Door Johann Mattheson

De beroemde Bach, die ik nu met alle eer noem, vooral vanwege zijn formidabele techniek, heeft enkele jaren geleden ook zo'n ingewikkeld geconstrueerd stuk gemaakt en het laten graveren op koper, opgedragen aan een groot muziekkenner en musicus, een werkelijk zeer geleerde leraar in de wetenschappen, die mij de eer heeft bewezen onder de toehoorders te zijn bij mijn melo-poëtische colleges. Zo ziet het eruit: 'Canon a 4. dedié A Monsieur Houdemann et composé par J. S. Bach'. Dit is een raadselachtige cirkelcanon; in het Italiaans canone enimmatico; in het Latijn canon aenigmaticus. Aan het begin en aan het einde wordt meer dan één sleutel gegeven, maar daartegenover staat geen enkele aanwijzing over de volgorde waarin de vier stemmen moeten binnenkomen. En juist omdat dit door de componist is achtergehouden, wordt het voor de uitvoerders des te moeilijker om de puzzel op te lossen. Er zijn zulke canons waar bij de terugkeer elke stem een toon lager moet intreden. Ah! wat een vindingrijkheid! Aangezien de bovenstaande puzzel op 18 augustus 1727 uit Leipzig aankwam, terwijl wij midden in onze lezingen zaten, moest ieder lid van het gezelschap dat aanwezig was, zich erop storten en de oplossing zoeken. Want, zoals iedereen kan zien, waren de deuren gesloten; het was wat met recht canon clausus wordt genoemd. De een kwam op deze oplossing, de ander op die; totdat er uiteindelijk twee waren, van wie de een nu de beste organistenpost in Groningen heeft en al met een gepubliceerd werk naar voren is getreden, terwijl de ander een vooraanstaand ambtenaar werd in de regering te Hamburg, maar helaas! Niet lang geleden in de volle vloed van zijn geluk en verdiensten is hij aan het keizerlijk hof is gestorven. Zij kwamen als volgt overeen, de gedachte koesterend dat de opgave, als alles in tegengestelde beweging dezelfde moet blijven (zoals zij vermoedden te moeten concluderen uit de omgekeerde sleutels aan het eind), de hieronder gegeven vorm moet aannemen. Of en in hoeverre deze oplossers hun doel hebben bereikt, kan de auteur zelf het beste beoordelen, en mij niet verwijten als zijn bedoeling niet is geraden - bij de gedachte waarvan ik huiver. Ik heb er nooit meer tijd en moeite in gestoken dan nodig was voor het loutere kopiëren van het bovenstaande, en had me dat ook liever bespaard, als ik niet geloofde dat het citeren van het kleine stukje zou kunnen bijdragen tot de instructie of overdenking van menig lezer.

1739 [oud-leerling Scheibe roemt 'Das Italienisches Konzert']


Door Johann Adolph Scheibe

Tenslotte moet ik nog kort vermelden dat concerto's ook geschreven zijn voor één instrument alleen, zonder enige begeleiding door andere - vooral klavierconcerten of luitconcerti. In dergelijke stukken is de basisstructuur dezelfde als in concerto's voor vele instrumenten. De bas en de middenstemmen, die nu en dan worden toegevoegd om de textuur te vervolledigen, moeten de ondergeschikte partijen weergeven. En de passages die vooral de essentie van het concerto vormen, moeten het duidelijkst van de rest onderscheiden worden. Dit kan heel goed gebeuren als, nadat het hoofdidee van een snel of langzaam deel met een cadens is besloten, nieuwe en duidelijke ideeën binnenkomen en deze op hun beurt plaats maken voor het hoofdidee in wisselende toonsoorten. Op die manier wordt een dergelijk stuk voor één instrument vergelijkbaar met een stuk voor vele instrumenten. Er bestaan heel wat goede concerti van dit soort, vooral voor klavier. Maar bij uitstek onder de gepubliceerde muziekwerken is een klavierconcert waarvan de auteur de beroemde Bach in Leipzig is en dat in de toonsoort F groot staat. Aangezien dit stuk op de best mogelijke wijze is gearrangeerd voor dit soort werk, denk ik dat het ongetwijfeld bekend zal zijn bij alle grote componisten en ervaren klavierspelers, alsmede bij amateurs van het klavier en de muziek in het algemeen. Wie zal niet meteen toegeven dat dit klavierconcert beschouwd moet worden als een volmaakt model van een goed geconcipieerd soloconcert? Maar op het ogenblik zullen we nog maar weinig of bijna geen concerti kunnen noemen van zulke uitstekende kwaliteiten en zo goed ontworpen uitvoering. Er is een groot muziekmeester voor nodig als Bach, die bijna als enige het klavier in handen heeft gekregen, en met wie wij de vreemde naties zeker kunnen trotseren, om ons een dergelijk stuk in deze vorm van compositie te leveren - een stuk dat navolging verdient door al onze grote componisten en dat tevergeefs door buitenlanders zal worden geïmiteerd.

1739 [oud-leerling Scheibe roemt Bach nogmaals, vanwege diens uitgeschreven ornamentatie]


Door Johann Adolph Scheibe

Nadat ik hierboven heb gezegd dat overdadige versiering of bloemrijke expressie werkelijk te maken heeft met melodie, moet ik dit nu wat duidelijker maken. Het zal duidelijk zijn wat ik bedoel met bloemrijke expressie, want het is niets anders dan de uitvoering van een muzikaal idee in een andere en levendiger vorm dan het eigenlijk zou moeten hebben volgens de voornaamste melodische noten, of volgens de aaneenschakeling van het stuk. Het is een nieuwe en versierende verandering van een kort melodisch idee om het nadrukkelijker of zelfs verhevener te maken, zonder de harmonie te schaden. Maar omdat de omstandigheden van zo'n bloemrijke of onletterlijke uitdrukking variëren, zijn er dienovereenkomstig vele soorten van hetzelfde. Als ik mijn bladzijden met muzieknotatie zou mogen versieren, zou ik op dit punt gelegenheid genoeg hebben om mijn lezers vele uitgelezen voorbeelden van bloemrijke expressie te laten zien, vooral als ik de voortreffelijke werken van een Hasse, een Graun, een Telemann en van verschillende andere groten uit onze tijd zou willen doorbladeren, maar bovenal van een Bach, die in dit opzicht een bijzonder groot meester is.

Leipzig: 1740-1745 [over het spelen van de basso continuo]


Over het spelen van Basso Continuo

Enige Onmisbare Grondregels voor de Volgbas door J.S.B.

Toonladders

De toonladder van de grote terts is: een toon, 2e toon een hele toon, 3e een hele, 4e een halve, 5e een hele, 6e een hele toon, 7e een hele, 8e een halve toon; de toonladder van de kleine terts is: een toon, 2e een hele toon, 3e een halve, 4e een hele, 5e een hele, 6e een halve, 7e een hele, 8e een hele; daaruit kunnen de volgende regels worden afgeleid: de 2e is groot in beide toonladders, de 4e altijd klein [recte rein], de 5e en de 8e rein, en de 6e en de 7e zijn als de 3e.

Het akkoord bestaat uit 3 tonen, t.w. de terts, groot of klein, de kwint, en het octaaf; b.v. voor C, C-E-G.

Enkele Regels voor de Volgbas

(1) Elke hoofdtoon heeft zijn eigen akkoord, natuurlijk of ontleend.**

(2) Het natuurlijk akkoord van een grondtoon bestaat uit de terts, de kwint en het octaaf.**

N.B. Van deze drie intervallen kan er geen worden veranderd, behalve de terts, die groot of klein kan zijn, en daarom majeur of mineur wordt genoemd.

(3) Een ontleend akkoord wordt gevormd door andere intervallen dan de gebruikelijke die boven de grondtoon voorkomen. Bijv:

6 6 6 5 7 9 4 3 5 4 5 7 etc. 6 6 3 8 3 3

(4) Een ♯ of ♭ alleen bij de noot betekent dat men voor een ♯ de grote terts speelt en voor ♭ de kleine terts, maar de andere intervallen blijven ongewijzigd.

(5) Een 5 alleen of een 8 alleen betekent het hele akkoord.

(6) Een 6 alleen wordt op drie manieren vergezeld: (1) met de terts en het octaaf; (2) met de terts verdubbeld; (3) met zowel de sext verdubbeld als de terts.

N.B. Wanneer de 6 en de 3 beide voorkomen boven de noot, moet de sext niet worden verdubbeld, want dat klinkt slecht; in plaats daarvan moeten het octaaf en de terts worden toegevoegd.

(7) 2 boven een noot wordt begeleid door de verdubbelde kwint, en nu en dan door zowel de kwart als de kwint; en niet zelden af en toe ook met de kwart en de sext.

(8) De gewone kwart, vooral wanneer hij opgevolgd wordt door een terts, wordt gecombineerd met de kwint en het octaaf. Maar als er een lijn door de 4 loopt, worden de secunde en de sext ermee samen gespeeld.

(9) De septiem wordt ook op drie manieren begeleid: (1) met de terts, en de kwint; (2) met de terts en het octaaf, (3) de terts wordt verdubbeld.

(10) De none lijkt een overeenkomst te hebben met de secunde, en is op zichzelf een verdubbeling van de 2e, maar het verschil is dat het een geheel andere begeleiding vereist, namelijk de terts en de kwint, of soms de sext in plaats van de kwint, maar zeer zelden.

(11) Bij 4/2* wordt de sext gespeeld, of soms de kwint in plaats van de sext.

(12) Bij 5/4 wordt het octaaf gespeeld, en de kwart lost neerwaarts op naar de terts.

(13) Bij 6/5 wordt de terts gespeeld, zowel in majeur als in mineur.

(14) Bij 7/5 wordt de terts gespeeld.

(15) Bij 9/7 wordt de terts gespeeld.

De overige voorzorgsmaatregelen die in acht moeten worden genomen, zullen zich bij mondelinge instructie beter verklaren dan bij schriftelijke.

[*noot: 4/2 betekent dat 4 en 2 boven elkaar staan in de partituur]
[**noot: een 'ontleend' akkoord is bij Bach, elk akkoord dat geen majeur- of mineur-drieklank in grondligging is].

Leipzig: 18 januari 1740 [examenverslag m.b.t. een vacature voor assistent]


Aan de Vice-Kanselier

Op bevel van Zijne Excellentie, de Vice-Kanselier, zijn de drie kandidaten bij mij gekomen, en ik heb ze als volgt bevonden:

(1) Magister Röder heeft zich van het examen verontschuldigd, omdat hij zich heeft bedacht en een betrekking als leraar in een adellijke familie in Merseburg heeft aanvaard.

(2) Magister Irmler heeft een zeer mooie manier van zingen, maar mist een beetje in auditieve beoordeling.

(3) De heer Wildenhayn speelt een beetje op het klavier, maar heeft, naar hij zelf bekent, geen vaardigheid in het zingen.

JOH. SEB. BACH

Leipzig, 18 januari 1740

Leipzig: 24 februari 1740 [aanbevelingsbrief voor C.F. Schemelli]


Voor Christian Friedrich Schemelli

De houder dezes, de heer Christian Friedrich Schemelli, student in de filosofie, heeft mij, ondergetekende, verzocht hem een getuigenis te willen geven betreffende de ijver, die hij in de muziek heeft betoond, dienovereenkomstig heb ik hem zulks niet willen ontzeggen, maar veeleer willen getuigen, dat hij steeds, zolang hij onze St. Thomasschool bezocht, daarin alle mogelijke ijver aan den dag heeft gelegd, en ik hem in de koren als sopraan zeer goed heb kunnen inzetten.

JOHANN SEBAST. BACH

Koninklijke Poolse en Keurvorstelijke Saksische Hofcomponist

Leipzig, 24 februari 1740

Leipzig: juni 1740 [vraag van J. E. Bach m.b.t. een zangvogel]


Van J. E. Bach aan Cantor Hille in Glaucha, bij Halle

ZEER EDELE HEER, ZEER GEWAARDEERDE HEER CANTOR, MEEST WAARDIGE PATROON!

Een paar jaar geleden had ik de bijzondere eer persoonlijk kennis met U te maken in het huis van mijn geëerde neef, kapelmeester Bach, en nu heb ik ook de gewenste gelegenheid om U schriftelijk te woord te staan. Want de genoemde kapelmeester heeft, toen hij in de vastentijd van dit jaar uit Halle terugkwam, aan zijn geliefde echtgenote met veel vriendelijkheid gemeld, dat Uwe Eerwaarde een vinkje bezat, dat zich, als gevolg van de bekwame onderrichting van zijn meester, in bijzonder aangenaam gezang liet horen. Daar de geëerde dame, mijn nicht, een bijzonder liefhebster van zulke vogels is, heb ik gemeend te moeten informeren of Uwe Eerwaarde bereid zou zijn deze zangvogel voor een redelijk bedrag aan haar af te staan en haar op een zekere wijze te doen toekomen. Ik verzeker u niet alleen dat de gunst die u aldus zou verlenen, afgezien van een vrolijke betaling, zo mogelijk wederkerig zou zijn, maar ook dat ik en particuliaire altijd, met veel respect, Uwe Eerbiedigste dienaar zal zijn

Juni 1740

Leipzig: 10 oktober 1740 [anjers voor Anna Magdalena]


Van J. E. Bach aan Simon Meyer

Ik heb twee zeer gewaardeerde mededelingen van Uwe Eerwaarde te beantwoorden, en ik moet verder zeer nederig tweemaal mijn dank uitspreken, dat Uwe Eerwaarde zeer genadig mijn impertinent verzoek heeft ingewilligd, en zich verwaardigd heeft mij, of liever de geëerde dame mijn nicht, de zes mooiste anjerplanten te schenken. Met een uitvoerige beschrijving van de vreugde die de genoemde dame, mijn nicht, daardoor heeft gekregen, zal ik Uwe Edelachtbare niet belasten, maar alleen dit vermelden: dat zij dit onverdiende geschenk hoger waardeert dan kinderen hun kerstcadeautjes, en ze verzorgt met zulk een zorg als gewoonlijk aan kinderen wordt gegeven, opdat er niet één verdort. Zij wenst ook dat haar meest eervolle, gehoorzame dank daarvoor (om in vrouwelijke stijl te spreken) wordt overgebracht, en hoopt op een gelegenheid om Uwe Eerwaarde haar dankbaarheid in daden te tonen.

10 oktober 1740

1740 [oplossing van een puzzelcanon van vroegbarok-componist Teodoro Riccio]


In een album van Joh. Fr. Mentz

Oplossing van Ricci's canon, door J. S. Bach.

1741 [over deel 3 van de Clavier-Übung (ook wel de 'Deutsche Orgel-Messe' genoemd) ]


Lorenz Christoph Mizler

Kapelmeester Bach heeft hier ook gepubliceerd: "Derde deel van de Klavier-Übung bestaande uit verschillende preludes op de catechismus en andere hymnen voor het orgel. Voor muziekliefhebbers, en in het bijzonder voor kenners van dergelijk werk, ter verfrissing van hun geest, gecomponeerd door Johann Sebastian Bach, Koninklijk Pools en keurvorstelijk Saksisch hofcomponist, Kapelmeester en Directore Chori Musici in Leipzig. Uitgegeven door de Auteur." Het werk bestaat uit 77 koperplaten in folio [is een papier-formaat], zeer schoon gegraveerd en netjes gedrukt op goed stevig papier. De prijs is 3 rthlr. De auteur heeft hier een nieuw bewijs gegeven dat hij op dit gebied van compositie meer geoefend en meer fortuinlijk is dan vele anderen. Niemand zal hem hierin overtreffen, en weinigen zullen in staat zijn hem na te volgen. Dit werk is een krachtige weerlegging van hen die de moed hebben gehad de compositie van de eerbiedwaardige hofcomponist te bekritiseren.

Leipzig: 2 januari 1741 [uitwisseling van manuscripten met Johann Wilhelm Koch]


Tegelijkertijd moet ik echter uit het diepst van mijn hart betreuren dat de huidige regels geheel alleen komen, in die zin dat ik van mijn neef en zijn gezin een zeer nederig compliment heb ontvangen. Ik moet een zeer nederig compliment en wederzijdse wens voor het nieuwe jaar maken aan huize Koch, en in zeer schuldig bericht melden dat de broeder de gevraagde solo zal krijgen, maar het moet eerder worden uitgeschreven, omdat het enigszins onduidelijk is geschreven. Intussen verzoekt ook mijn neef, dat men zijn belofte nakomt en hem het manuscript van de Kapelmeester Dresen toezendt (als het spoedig geschiedde, kon het geen kwaad), waarin men wil aantonen, hoe men zuiver met 32 stemmen kan componeren.
[2. 1. 1741]
Johann Elias Bach

Leipzig: 28 januari 1741 [over het terugsturen van muziek]


Van J. E. Bach aan Cantor J.W. Koch

Op de eerste vriendelijke brief, die een vervoerder mij bracht, had ik in het geheel niet willen antwoorden, omdat ik noch het gevraagde Basso Solo, noch het collegium Russian[um] kon zenden. Wat het eerste betreft, mijn neef gaf mij de hoop dat hij het zou laten kopiëren, maar omdat dit tot nu toe niet is gebeurd, kan ik mijn lieve broer op dit moment helaas niet verblijden. Ook kan ik mijn neef niets verwijten, daar hij de gekopieerde partijen heeft uitgeleend aan een baszanger met de naam Buchner, die ze niet heeft teruggegeven. Maar hij laat de partituur niet uit zijn handen vallen, want zo heeft hij al veel verloren. Intussen moet ik u eerbiedig complimenteren en tegelijkertijd namens hem en met veel dank de hem toegezonden canons terugsturen. Er is geen magie aan te pas gekomen, zoals hij het uitdrukte, en hij heeft een commentaar op de grote geschreven. Ze zijn ook een beetje nat geworden door toedoen van de vervoerder, want het regende die dag hevig, wat ik mijn lieve broer hoop te vergeven. A propos, als mijn lieve broer zo vriendelijk wil zijn om de kopieerkosten voor de Basso Solo ten bedrage van 12 gr. voor zijn rekening te nemen, beloof ik hierbij dat ik de zaak zal regelen. Ik vraag echter om een vooruitbetaalde bestelling.

Leipzig: juli 1741 [bedankbrief aan Jean Leberecht Schneider]


Voor Jean Leberecht Schneider

Meest Nobele Heer, Meest Bijzonder Hooggeachte Heer Consulent,

Hoewel ik nooit de minste twijfel heb gehad over de onschatbare gunst van Uwe Hoogheid, heeft Uwe Hoogheid zich onlangs verwaardigd mij daarvan nog een bewijs te geven. Ik en mijn hele gezin erkennen dit met de meeste gehoorzame dank en wensen slechts een kans om onze wens te bewijzen om Uwe Eer in daden te bedanken. Het fijne gebraden hertenvlees is intussen door ons verorberd, met een wens voor Uwe Eerwaarde's goede gezondheid, maar we zouden er nog meer van genoten hebben als we dat hadden kunnen doen in Uwe Eerwaarde's aangename gezelschap. Daar onze wens ditmaal echter niet in vervulling is gegaan, hopen wij althans, dat wij in de naaste toekomst het voorrecht zullen hebben, Uwe Eerwaarde hier bij ons in Leipzig te zien, en met de meeste gehoorzame hoogachting voor Uw Edelachtbare Moeder en met gepaste hoogachting, altijd

De meest gehoorzame dienaar van Uwe Edelachtbare en Mijn Meest Bijzonder Hooggeachte Heer Consulent

Leipzig, juli 1741

JOH. SEBAST. BACH

Leipzig: 5 augustus 1741 [Anna Magdalena wordt ziek]


Van J.E. Bach aan J.S. Bach

Meest Nobele Heer, Hoogst Gewaardeerde Neef,

Het goede bericht over uw gezondheid dat uw Edelachtbare een paar dagen geleden naar uw geliefde huisgezin heeft gestuurd, verheugt ons allen van harte en hopen dat wij u bij uw terugkeer net zo gelukkig en gezond zullen aantreffen als u nu tijdens uw afwezigheid bent. Wij hopen dat deze terugkeer spoedig zal plaatsvinden, want onze allerliefste Mama is al een week erg ziek, en wij weten niet of er misschien, als gevolg van het hevig bonzen van haar pols, een sluipende koorts of een ander kwaad gevolg kan ontstaan; daarbij komt nog het feit dat St. Bartholomeusdag en de raadsverkiezing hier over een paar weken zullen plaatsvinden, en wij zouden niet weten hoe wij ons in verband daarmee zouden moeten gedragen tijdens de afwezigheid van Uwe Eerwaarde. Het is inderdaad pijnlijk voor ons om Uwe Eerwaarde enigszins te moeten storen met zulk nieuws in uw huidige rust en tevredenheid, maar aangezien de onvermijdelijke noodzaak dit vereiste, hebben we er goed vertrouwen in dat onze meest waardige Papa en Neef respectievelijk dit niet verkeerd zullen opvatten. Hieraan wordt toegevoegd een hartelijke groet van het hele huis aan Uwe Eerwaarde en aan mijn geëerde jongere neef, en in het bijzonder de meest gehoorzame respectbetuigingen van mij, die, met alle denkbare eerbied, mijn leven lang, Edelachtbare, Uwe Eerwaarde's meest gehoorzame dienaar en neef blijft.

5 augustus 1741

Leipzig: 9 augustus 1741 [Anna Magdalena wordt ernstig ziek]


Van J.E. Bach aan J.S. Bach

ZEER GEWAARDEERDE HEER NEEF,

Onze geëerde neef is zo goed geweest zijn geliefde echtgenote weer een goed bericht te sturen, tot opluchting van ons allen, en de datum van zijn vertrek vast te stellen; maar zo groot als het genoegen was dat wij hieraan beleefden, zo groot moet ook de pijn zijn die wij voelen over de toenemende zwakte van onze geëerde Mama, want deze heeft nu al veertien dagen geen enkele nacht met een uur rust gehad, en kan noch zitten noch liggen, zodat ik vannacht werd geroepen, en wij het niet konden helpen te denken dat wij haar tot onze grote droefheid zouden verliezen. De meest dringende nood dwingt ons daarom ons plichtsgetrouw verslag van hetzelve te doen, opdat Uwe Eerwaarde misschien (als ik niet aanmatig!) zijn reis kan bespoedigen en ons allen verblijden met zijn gewenste tegenwoordigheid, met welke wens, en met hartelijke groeten van het gehele huisgezin, ik, en particulier, met gepaste eerbied en ijver mijn leven lang blijf, enz. 9 augustus 1741

JOHANN ELIAS BACH

Leipzig: september 1741 [Anna Magdalena moet bezoek afzeggen]


Van J.E. Bach namens Anna Magdalena, aan J.L. Schneider

Meest nobele heer, meest gerespecteerde kamerheer, hooogst gewaardeerde patroon!

Uw zeer geëerde brief van 8 september, Edele Heer, heeft om goede redenen een zodanige verandering in mijn gemoed teweeggebracht, dat ik de meest acute pijnen van het lichaam bijna, zo niet geheel, ben vergeten, omdat u mij en mijn gezin daarin de sterkste verzekering geeft van de onschatbare gunst van Uwe Eer, en u zich verwaardigt nog verder te willen gaan en dit op een specifieke manier te demonstreren. Indien ik een zo begeerd aanbod vrijwillig terzijde had geschoven, zou ik het verdienen dat de bijzondere gunst en de welwillende voorbedachtheid die mij zijn betoond, geheel worden ingetrokken. Want het genoegen, dat ik mij bij voorbaat altijd mag beloven van een bezoek aan onze geliefde Weissenfels met Uwe Eerwaarde en mijn gezin, is toch nooit te vergelijken met enig ander mogelijk genoegen. Maar mijn vroegere en aanhoudende ziekelijke toestand berooft mij helaas van zulke aangename uren, en de raad van mijn familie verbiedt mij zulk een reis te ondernemen, waarvan, naar hun mening, òf een merkbare verbetering òf de volledige ondergang van mijn gezondheid zou kunnen afhangen. Er rest mij dus niets anders dan Uwe Edelachtbare nogmaals te smeken mijn ongehoorzaamheid niet verkeerd op te vatten of tegen mij te gebruiken. Want dit komt niet voort uit een gebrek aan respect voor Uwe Eerwaarde, dat hoe dan ook onveranderd blijft, maar eerder uit de wens mijn gezondheid te sparen, waartoe de wetten van de natuur ons verplichten. Als Uwe Eerwaarde intussen het herhaalde gebed van mijn geliefde echtgenoot, waaraan ik nu het mijne toevoeg, zou willen inwilligen en ons huis genadig zou willen vereren met Uwe Eerwaarde's zeer gewaardeerde en meest gewenste aanwezigheid op de komende St. Michaelsmarkt, verzeker ik U Edelachtbare dat voor ons allen de grootste eer en genoegen daaruit zou voortvloeien, en wij zeker zouden moeten concluderen dat wij ons grenzeloos onderscheiden door de onverdiende welwillendheid van U Edelachtbare, met welke wens en hoop ik mijn leven lang, met de meest gehoorzame complimenten aan U Edelachtbare's meest geliefde en geëerde Mamma, U Edelachtbare en, Mijn Hoogst Geachte Kamerheer en Hooggeachte Patroon, Uw meest nederig toegewijde dienaar Leipzig, September 1741.

Leipzig: september 1741 [Clavier-Übung, Deel IV, de 'Goldbergvariaties', worden gepubliceerd]


titelblad

Klavieroefening, bestaande uit een Aria met diverse variaties, voor het klavecimbel met 2 manualen. Gecomponeerd voor muziekliefhebbers, om hun geesten te verfrissen, door Johann Sebastian Bach, Koninklijk Pools en keurvorstelijk Saksisch componist, Kapelmeester, en Directore Chori Musici in Leipzig. Nurnberg: Uitgegeven door Balthasar Schmid.

Leipzig: 22 februari [doop van Regina Susanna Bach]


De 22e februari: Heer M[agister] Eichler, Diaken.
Regina Susanna, V[ader]. Heer Johann Sebastian Bach, Koninklijk Pools Hofcomponist en Cantor van de St. Thomas alhier.
M[oeder]. Mevr. Anna Magdalena née Wilcke
P[eetouders]:
1. Jfr. Anna Regina, wijlen Handelaar dhr. Georg Heinrich Bose's dochter.
2. Dhr. D[octor]. Heinrich Friedrich Graff, Jur: Pract:
3. Jfr. Susanna Elisabeth, wijlen Handelaar dhr. Georg Heinrich Bose's dochter.

Leipzig: 13 mei 1742 [aanbevelingsbrief J.G. Heinrich]


Voor J.G Heinrich

Overwegende dat de houder dezes, de heer Johann Georg Heinrich, student in de civiele en kerkelijke rechten, mij, de ondergetekende, heeft verzocht hem een onpartijdig getuigenis te willen geven betreffende de ijver en het gedrag dat hij onder ons hier op de St. Thomasschool heeft getoond; nu, daarom, heb ik hem zulks niet willen ontzeggen, maar heb ik veeleer willen getuigen, dat hij zich steeds als een ijverig en bereidwillig student heeft gedragen, en zich bovendien in de privaatlessen, die hij bij mij heeft gehad, met veel ijver aan muziekstudie heeft gewijd, zodat ik overtuigd ben, dat zijne bekwaamheid voldoening zal geven.

JOH. SEB. BACH

Koninklijk Pools en Keurvorstelijk Saksisch Hofcomponist

Leipzig, 13 mei 1742

Leipzig: 26 oktober 1742 [Bachs handschrift op een ontvangstbewijs van een veiling]


Op een ontvangstbewijs van een veiling

Deze "Theütsche und herrliche Schrifften des seeligen" van dr. Maarten Luther (afkomstig uit de bibliotheek van het eminente hoofd van de protestantse bestuursafdeling te Wittenberg en theoloog Dr. Abraham Calov, die hij zou hebben gebruikt voor het samenstellen van zijn grote Duitse Bijbel; ook zijn ze na zijn dood overgegaan in handen van de al even eminente theoloog Dr. J.F. Mayer), heb ik op een veiling verworven voor 10 thlr., anno 1742, in de maand september.

JOH. SEB. BACH

Leipzig: 26 oktober 1742 [ontvangstbewijs terugkerende uitkering uit legaat]


Aan dhr. Martin Simon Hille

De heer Martin Simon Hille, reeds meermalen genoemd, als huidig beheerder van het legaat van Nathan, heeft mij op heden wederom naar behoren betaald de gebruikelijke 5 gulden uit genoemd legaat ten behoeve van de St. Thomas School voor de herdenkingsdienst gezongen in genoemde kerk; ten blijke waarvan ik hierbij de ontvangst met mijn eigen handtekening bevestig.

JOH. SEB. BACH

Koninklijk Hofcomponist

Leipzig, 26 oktober 1742

Leipzig: 7 november 1742 [J.E. Bach bedankt Bach na zijn verhuizing naar Zoschau]


Van J.E. Bach aan Bach

Ik meld Uwe Eerwaarde met de meeste plichtsbetrachting dat de goedheid van mijn God mij [na mijn Leipziger tijd] gelukkig in Zoschau heeft gebracht en mij hier zulke genadige beschermheren heeft geschonken dat ik het reeds gepast vond vele gunsten af te wijzen, zoals gepast was; Intussen kan ik mijn zeer gewaardeerde neef met zekerheid verzekeren, dat ik niettemin hierdoor de grote vriendelijkheid, die ik gedurende verscheidene jaren in zijn huisgezin heb genoten, niet zal vergeten, maar er integendeel altijd met dankbare gevoelens aan zal terugdenken en, indien mogelijk, mijzelf er dankbaar voor zal betonen in daden; en met hetzelfde doel zal ik niet ophouden de Almachtige dagelijks in warme smeekbeden te smeken om het welzijn van Uwe Edelachtbare's hele zeer gekoesterde huisgezin, en in het bijzonder vurig te smeken om de blijvende gezondheid van Uwe Edelachtbare. Intussen geef ik echter met veel dank de mij zo vriendelijk geleende jas en bontlaarzen terug, die mij zeer van dienst waren op mijn reis, hoewel ze geen regen of andere schade hebben ondervonden, en met mijn meest gehoorzame en toegewijde complimenten aan mijn zeer gekoesterde neven, moeder en dochter, zowel als zonen, blijf ik met gepaste eerbied, Uw Eerbiedigste etc. meest gehoorzame dienaar en neef.

7 november 1742

1742 [tijdgenoot en componist draagt een werk van hem op aan Bach]


Door Georg Andreas Sorge

Meest geëerde, standvastige en meestgeleerde, in het bijzonder hooggewaardeerde heer hofcomponist, etc. hoogstgewaardeerde beschermheer!

Velen zullen zich misschien verbazen dat ik het lef heb gehad deze Sonatina's op te dragen aan Uwe Eerwaarde, die zo'n groot en wereldberoemd virtuoos en Prins der Klavierspelers is. Maar zij kunnen nog niet geleerd hebben dat de grote muzikale deugd die Uwe Eerwaarde bezit, versierd is met de voortreffelijke deugd van beminnelijkheid en ongeveinsde liefde voor uw naaste. Het is waar, er zijn hier en daar voorname kunstenaars en waardige virtuozen, maar velen van hen zijn vol van zulke verwaandheid en verwijtbare eigenliefde, dat zij allen boven wier hoofden zij hun blik kunnen gericht houden, als niets beschouwen, en de liefde tot de naaste, die van hogerhand geboden wordt, geheel verwerpen. Ik ben een van degenen die een heel andere en betere verzekering van Uwe Eer hebben gekregen. . . . En misschien is er zelfs in deze lichte stukken een passage of een idee dat bij Uwe Eerwaarde een vriendelijke glimlach zal doen verschijnen. Ik hoef verder niets te zeggen in deze richting, maar moet Uwe Edelachtbare alleen smeken, zeer gehoorzaam, dit kleine werkje met een hoffelijke hand te aanvaarden als een teken van mijn zeer speciale eerbied voor Uw zeer gewaardeerde persoon en onvergelijkbare componist, en door te gaan met de meest hoffelijke en vriendelijke gezindheid jegens mij en mij het beste te wensen, want ik blijf, met hartelijke wensen voor alle mogelijk geluk en welzijn, en met groot respect, van Uw Edelachtbare en mijn zeer bijzonder gewaardeerde heer Hofcomponist enz, en zeer gewaardeerde beschermheer's meest gehoorzame dienaar

DE AUTEUR

1742 [BWV 870-893 'Das Wohltemperiertes Klavier II']


titelblad

Het Tweede Deel van het Wohltemperierte Klavier, bestaande uit Preludes en Fuga's door alle tonen en halve tonen, geschreven door Johann Sebastian Bach, Koninklijk Pools en keurvorstelijk Saksisch hofcomponist, Kapelmeester en Directore Chori Musici in Leipzig.

Leipzig: Loken Pasen 1743 [ontvangstbewijs drank]


Aan dhr. Henrici

Dat ik naar behoren heb ontvangen van de heer Christian Friedrich Henrici, wettig aangesteld als ontvanger van de belasting en drankbelasting van Zijne Koninklijke Majesteit in Polen en Zijne Serene Keurvorstelijke Hoogheid in Saksen, overeenkomstig de Keurvorstelijke Saxonische Verordening van 9 november 1646, voor de periode van Lage Zondag, 1742, tot dezelfde, 1743, het belastingbedrag voor drie vaten á 40 groschen, zijnde in totaal 5 thlr, zegge vijf thaler, in wettige muntstukken: dit erken ik hierbij en geef daarvoor met gepaste dankzegging een recepte.

Loken Pasen*, 1743, te Leipzig

JOH. SEBAST. BACH

[*noot: eerste zondag na pasen]

Leipzig:16 december 1743 [aanbevelingsbrief voor leerling]


Voor dhr. C.G. Wunsch

Overwegende, dat de heer Christian Gottlob Wunsch, nakomeling van Joachim Stein, in de buurt van Radmeritz, in Hoog-Lausitz, student in de rechten en student in de muziek, mij, ondergetekende, heeft verzocht hem een officiële verklaring te geven betreffende de twee jaar onderwijs, die hij van mij in de muziek, en in het bijzonder op het klavier, heeft gehad; welnu, ik heb hem dit niet kunnen weigeren, maar moet met reden getuigen van de waarheid, namelijk dat hij (zonder ook maar één les te missen die aan de muziekstudie was gewijd) zich met grote ijver en inspanning heeft ingespannen om zich geschikt te maken om in de toekomst God en de samenleving van dienst te zijn. Ik ben er dan ook van overtuigd, dat hij bij de juiste gelegenheid zal aantonen, dat hij zijn tijd niet zonder resultaat heeft doorgebracht.

JOH. SEBAST. BACH

Koninklijke Poolse en Keurvorstelijke Saksische Hofcomponist

Leipzig, 16 december 1743

1743 [lofprijzing m.b.t. Bachs pedaalbeheersing op het orgel]


Door Constantin Bellermann

Bach van Leipzig, auteur van diepzinnige muziek, doet niet onder voor de hierboven genoemden [Mattheson, Keiser, Telemann]. Net als Händel bij de Engelsen verdient hij het om het wonder van Leipzig genoemd te worden, voor zover het muziek betreft. Want als het hem behaagt, kan hij door het gebruik van zijn voeten alleen (terwijl zijn vingers niets of iets anders doen) op het kerkorgel zo'n bewonderenswaardige, geagiteerde en snelle samenklank van klanken bereiken, dat anderen zelfs met hun vingers niet in staat schijnen dit na te bootsen. Toen hij uit Leipzig naar Kassel werd geroepen om te verklaren dat een orgel naar behoren was gerestaureerd, liep hij met dezelfde vaardigheid over de pedalen, alsof zijn voeten vleugels hadden, waardoor het orgel met zo'n volheid weerklonk, en zo als een bliksemschicht in de oren van de aanwezigen doordrong, dat Frederik, de wettige erfprins van Kassel, hem met zo'n verbazing bewonderde dat hij een ring met een edelsteen van zijn vinger trok en deze aan Bach gaf zodra het geluid was uitgedoofd. Als Bach zo'n gave verdiende voor de behendigheid van zijn voeten, wat, vraag ik, zou de prins hem dan hebben gegeven als hij ook zijn handen in dienst had geroepen? [noot: zie paneeltje bij 22 september 1732]

Leipzig: 27 oktober 1744 [ontvangstbewijs terugkerende uitkering uit legaat]


Aan dhr. Christoph Eulenberg

Aan de bepalingen van het jaarlijkse legaat, het zogenaamde Nathan-legaat, is door de huidige inspecteur Christoph Eulenberg, na het overlijden van de vroegere inspecteur Hille, volledig voldaan door de betaling van de vijf Meissense Guldens die zijn uitgetrokken voor het zingen van een begrafenislied op St.Sabina's dag*. Ten blijke waarvan ik hierbij getuig en de ontvangst bevestig.

JOH. SEB. BACH

Leipzig 27 oktober, 1744

[*noot: 29 Augustus]

Leipzig: 24 juli 1745 [rapport m.b.t. een examen van dhr. C.F. Pfaffe]


Aan de gemeenteraad van Leipzig

Op bevel van de Meest Nobele en Waardige Raad heeft Carl Friedrich Pfaffe, tot nu toe leerling van Uwe Eerwaarde Stadspijpers, zijn proefexamen afgelegd in aanwezigheid van andere Stadsmuzikanten; waarbij werd vastgesteld dat hij zeer goed en tot applaus van alle aanwezigen speelde op alle instrumenten die gewoonlijk door de Stadspijpers worden gebruikt - namelijk viool, hobo, traverso, trompet, waldhorn, en de overige basinstrumenten - en hij werd zeer geschikt bevonden voor de post van assistent die hij zoekt.

Leipzig, 24 juli 1745

JOHANN SEBASTIAN BACH

Leipzig: 1745 [manuscript Kunst der Fuge]


titelblad

"Die Kunst der Fuge"
van Joh.Seb.Bach

Leipzig: 1746 [publicatie 6 koralen BWV 645-650]


Titelblad

Zes koralen in verschillende soorten, om uitgevoerd te worden op een orgel met 2 manualen en pedalen, gecomponeerd door Johann Sebastian Bach, Koninklijk Pools en keurvorstelijk Saksisch Hofcomponist, Kapelmeester en Direct. Chor. Mus. Lips. Uitgegeven door Joh. Georg Schlibler te Zella in het Thüringer Woud. Te verkrijgen in Leipzig bij de Kapelmeester Bach, bij zijn zonen in Berlijn en Halle, en bij de uitgever in Zella.

Leipzig: Zschortau, 7 augustus 1746 [verslag m.b.t. het keuren van een orgel]


Aan dhr. H.A. Sahrer von Sahr

Overwegende dat de Edele Heer, de Heer Heinrich August Sahrer van Sahr, Heer van Luik en Magistraat van Zschortau en Binsen, als zeer Geëerbiedigd Kerkpatroon van de kerk van Zschortau, mij, ondergetekende, heeft verzocht het orgel, nieuw gebouwd in genoemde kerk door de heer Johan Scheibe van Leipzig, te bezichtigen en te onderzoeken; dat ik dienovereenkomstig, in aanwezigheid van voornoemde Heer van Sahr, het orgel onderdeel voor onderdeel heb onderzocht, uitgeprobeerd en zorgvuldig vergeleken heb met het voor mij liggende contract, opgemaakt door de inspecteurs en dhr.Scheibe onder de datum van 30 juni 1744; en ik heb niet alleen vastgesteld, dat het contract in alle onderdelen is nagekomen, en dat alles bekwaam en zorgvuldig, en goed gebouwd is, en dat er, afgezien van een paar kleine tekortkomingen, die de heer Scheibe ter plaatse bij de beproeving heeft verholpen, nergens grote gebreken zijn, maar integendeel de volgende registers, boven het contract, zijn gevonden, en degelijk vervaardigd en goed werkend zijn gebleken, te weten:

1. Quinta Thön van hout, 16 voet

2. Viola da Gamba van hout, 8 voet

3. Fleute travers, van hout, 4 voet

4. Super Octava, van metaal, 1 voet

5. Een koppelstuk voor het manuaal en het pedaal

Nu, daarom, heb ik volgens verzoek, in het belang van de waarheid en voor de goede naam van de bouwer, dit willen getuigen over mijn eigen handtekening en met mijn eigen zegel aangebracht.

Gegeven te Zchortau, 7 augustus 1746

JOH. SEBAST. BACH

Koninklijk Pools en Keurvorstelijk Saksisch Hofcomponist

Naumburg, 27 september 1746 [verslag m.b.t. het keuren van een nieuw orgel]


Aan de gemeenteraad van Naumburg

Hoewel het Uw Edelachtbare en Wijze Raad van de stad Naumberg behaagd heeft ons, ondergetekenden, de eer te bewijzen het orgel in de kerk van St. Wenceslas, dat geheel hersteld en bijna geheel herbouwd is door de heer Hildebrandt, door ons te laten inspecteren en dit orgel te onderzoeken in het licht van het contract dat terzake is opgemaakt en dat ons is overhandigd; dienovereenkomstig hebben wij dit gewetensvol en plichtsgetrouw gedaan, en het is ons gebleken dat:

alle in het contract gespecificeerde en toegezegde onderdelen - te weten klavieren, balgen, windladen, kanalen, pedalen en manuaalmechaniek, met de verschillende daarbij behorende delen, registers, zowel open als gesloten, alsmede tongwerk - werkelijk aanwezig zijn;

evenzo is elk onderdeel met zorg gemaakt, en zijn de pijpen naar waarheid geleverd in het opgegeven materiaal; evenmin mag onvermeld blijven dat een extra balg en een register genaamd Unda Maris, niet genoemd in het contract, zijn geleverd. Maar het zal nodig zijn dat de heer H. verzocht wordt het gehele orgel nog eens door te nemen, van register tot register, en te letten op meer volledige gelijkheid, zowel van intonatie als van toets- en registertractuur. Nogmaals bevestigen wij dat dit onze bewuste en plichtsgetrouwe getuigenis is, en wij hebben deze met onze eigen handen ondertekend en voorzien van onze gebruikelijke zegels.

JOH. SEBASTIAN BACH

Koninklijke Poolse en Keurvorstelijke Saksische Hofcomponist

Naumberg, op 27 september 1746

GOTTFRIED SILBERMANN

Koninklijk Pools en Keurvorstelijk Saksisch Hof en Officieel Orgelbouwer

1746 [canon in het portret van Hausmann uit 1746]


Portret van Hausmann uit 1746

Canon voor zes stemmen, BWV 1076

1746 [hoe de koralen van Bach gespeeld dienen te worden]


Door Bachs leerling Johann Gotthilf Ziegler

Wat het spelen van koralen betreft, kreeg ik van mijn leermeester, kapelmeester Bach, die nog leeft, de instructie om de liederen niet louter uit de losse pols te spelen, maar volgens de intensie [affect] van de woorden.

1747 [publicatie BWV 769, 'Vom Himmel Hoch da komm ich her' met variaties]


titelblad

Enkele canonische variaties op de kersthymne "Uit den hemel kom ik op aarde," voor orgel met 2 manualen en pedaal, door Johann Sebastian Bach, Koninklijk Pools en keurvorstelijk Saksisch Hofcomponist, Kapelm. en Direct. Chor. Mus. Lips. Nurnberg, uitgegeven door Balth. Schmid, No. xxviii.

Berlijn: 11 mei 1747 [Bach bezoekt Frederik de Grote]


Verslag in de 'Spenersche Zeitung'

Men verneemt uit Potsdam dat afgelopen zondag de beroemde kapelmeester uit Leipzig, de heer Bach, is aangekomen met de bedoeling het genoegen te smaken de voortreffelijke Koninklijke muziek aldaar te horen. 's Avonds, rond de tijd dat de reguliere kamermuziek in de Koninklijke vertrekken gewoonlijk begint, werd Zijne Majesteit meegedeeld dat kapelmeester Bach in Potsdam was aangekomen en in de voorkamer van Zijne Majesteit wachtte op Zijne Majesteit's zeer genadige toestemming om naar de muziek te luisteren. Zijne Majesteit gaf onmiddellijk bevel Bach toe te laten, en ging bij zijn binnenkomst naar de zogenaamde Forte en Piano, zich ook veroorlovend in Zijne Majesteit's Persoon en zonder enige voorbereiding een thema voor de kapelmeester Bach te spelen, dat hij in een fuga zou moeten uitvoeren. Dit werd zo gelukkig gedaan door de voornoemde kapelmeester dat niet alleen Zijne Majesteit het genoegen had zijn tevredenheid daarover te tonen, maar ook alle aanwezigen met verbazing werden bevangen. De heer Bach vond het hem voorgelegde thema zo buitengewoon mooi, dat hij het als een gewone fuga op papier wil zetten en het op koper wil laten graveren. Op maandag liet de beroemde man zich horen op het orgel in de kerk van de Heilige Geest in Potsdam en oogstte algemene bijval van de toehoorders die in groten getale aanwezig waren. 's Avonds belastte Zijne Majesteit hem opnieuw met de uitvoering van een fuga, in zes stemmen, die hij even bekwaam volbracht als bij de vorige gelegenheid, tot genoegen van Zijne Majesteit en tot algemene bewondering.

Leipzig: 25 mei 1747 [aanbevelingsbrief (toekomstige schoonzoon) Johann Christoph Altnickol]


Voor J.C. Altnickol

Dat de houder dezes, de heer Johann Christoph Altnickol, sedert Michaelmas 1745 onafgebroken aan het chorus musicus heeft deelgenomen, nu eens als violist, dan weer als violoncellist, doch meestal als vocale bas, en aldus het gebrek aan basstemmen aan de Thomasschool heeft aangevuld (dat te wijten is aan het feit dat zij door te vroeg vertrek niet tot maturiteit kunnen komen), wordt hierbij met mijn eigen hand verklaard.

Leipzig, 25 mei 1747

JOH. SEBAST. BACH

Leipzig: juni 1747 [Bach wordt lid van Mizler's Societeit voor Muziekwetenschappen en canon van het schilderij]


Verslag in Lorenz Christoph Mizler's 'Neu-eroffnete musikalische Bibliothek'

Johann Sebastian Bach, kapelmeester en muziekdirecteur in Leipzig, werd lid van de vereniging in het jaar 1747, in de maand juni. In het vijfde pakket (dat onder de leden circuleerde) van het genootschap stelde wijlen kapelmeester Bach een driestemmige canon met zes stemmen voor die moest worden opgelost.

Leipzig: juli 1747 [Bach publiceert 'Das Musicalisches Opfer' BWV 1079]


titelblad

Muzikale offerande aan Zijne Koninklijke Majesteit in Pruisen &c. Opgedragen door Johann Sebastian Bach.

Leipzig: 7 juli 1747 [opdracht 'Das Musicalisches Opfer' BWV 1079]


titelblad

MEEST GENADIGE KONING!

In diepste nederigheid draag ik hierbij aan Uwe Majesteit een muzikaal offer op, waarvan het edelste deel afkomstig is van Uwe Majesteits Eigen Augustus Hand. Met ontzagwekkend genoegen denk ik nog terug aan de zeer bijzondere Koninklijke Gratie, toen Uwe Majesteit zich enige tijd geleden, tijdens mijn bezoek in Potsdam, verwaardigde mij een thema voor een fuga op het klavier te spelen, en mij tegelijkertijd opdroeg dit in Uwe Majesteits Meest Auguste Aanwezigheid uit te voeren. Het bevel van Uwe Majesteit te gehoorzamen was mijn nederigste plicht. Ik bemerkte echter al spoedig dat, bij gebrek aan de nodige voorbereiding, de uitvoering van de opdracht niet zo goed verliep als zo'n voortreffelijk thema vereiste. Ik nam mij dan ook voor en beloofde prompt om dit juiste Koninklijke thema verder uit te werken en het dan aan de wereld bekend te maken. Dit voornemen is nu zo goed mogelijk uitgevoerd, en het heeft niets anders dan deze onberispelijke bedoeling, de roem te verheerlijken, al was het maar op meest bescheiden manier, van een Vorst wiens grootheid en macht, zoals in alle wetenschappen van oorlog en vrede, dus vooral in de muziek, iedereen moet bewonderen en vereren. Ik heb de stoute schoenen aangetrokken en voeg hier dit nederige verzoek aan toe: moge Uwe Majesteit zich verwaardigen deze bescheiden arbeid met een genadige aanvaarding te vereren, en Uwe Majesteit's meest nederige en gehoorzame dienaar, de meest koninklijke genade van augustus blijven verlenen.

Leipzig, 7 juli 1747 DE AUTEUR,

Leipzig: 10 juli 1747 [rekening Breitkopf voor 'Das Musicalisches Opfer' BWV 1079]


Rekeningboeken Breitkopf

Voor het drukken van een titel in opdracht van de heer kapelmeester Bach, genaamd 'Musicalisches Opfer', 200 exemplaren koninklijk [papier] 2 rthl. 12 gr.

Leipzig: 29 juli 1747 [kwitantie voor het verhuren van een klavier]


Voor dhr. I. Ratsch

Dat de Heer Hoffmeister Ratzsch* het gebruikelijke [ofwel al enige tijd aan hem verhuurde] Clavier de rente à 32 gl. [= Groschen]** betaalt, ook voor de periode 5 juli tot de 5 augustus, wordt hierbij bevestigd.

Leipzig, 29 juli. 1747.

Joh. Sebast: Bach.

[*noot: Graaf Eugen Wenzel von Würben was een leerling van Bach]

[**noot: zie eerste kwitantie op deze site voor uitleg van de waarde van deze munten]

Leipzig: 1 september 1747 [brief Mizler m.b.t. BWV 1079]


Aan Meinrad Spiess

Bij mijn terugkomst via Leipzig sprak ik met de heer kapelmeester Bach, die mij vertelde van zijn reis naar Berlijn en het verhaal van de fuga die hij voor de koning speelde, die binnenkort in koper zal worden gegraveerd en waarvan een kopie in het pakje van de Maatschappij zal verschijnen. Ik heb het begin ervan al gezien.

Leipzig: 30 september 1747 [publicatieaankondiging BWV 1079]


In het 'Extract der eingelauffenen Nouvellen'

Aangezien het Koninklijke Pruisische Fugathema, zoals op 11 mei van het lopende jaar door de bladen van Leipzig, Berlijn, Frankfurt en andere bladen aangekondigd, thans de pers heeft verlaten, zal bekend worden gemaakt dat het op de komende Michaelmas Markt bij de auteur, Kapelmeester Bach, alsmede bij zijn beide zonen in Halle en Berlijn, tegen de prijs van 1 keizerlijk taler kan worden verkregen. De uitwerking bestaat 1.) uit twee fuga's, de een met drie, de ander met zes obbligato partijen; 2.) uit een sonate voor dwarsfluit, viool en continuo; 3.) uit diverse canons, waaronder een fuga canonica.

Leipzig: 5 oktober 1747 [kwitantie voor het verhuren van een klavier]


Voor Ignatz Ratsch

Dat ik, ondergetekende, opnieuw betaald ben door Ignaz Ratch, Steward van de Graaf*, etc., von Würben, de som van één taler**, acht groschen, als voorschot voor het uitlenen van het klavier voor een maand van 5 oktober tot 5 november, bevestig ik hierbij.

Leipzig, 5 oktober 1747

JOH. SEBAST. BACH

[*noot: Graaf Eugen Wenzel von Würben was een leerling van Bach]

[**noot: zie eerste kwitantie op deze site voor uitleg van de waarde van deze munten]

Leipzig: 15 oktober 1747 [canon voor vijf stemmen BWV 1077, voor Joh. Gottfried Fulda]


In een album

[boven:] Dubbele canon over het thema.

[onder:] Symbolum: Christus zal de kruisdragers kronen

Leipzig, 15 oktober 1747

Met deze aantekeningen om zich aan te bevelen bij de heer die dit boek bezit was de wens van J. S. BACH

Leipzig: 5 december 1747 [kwitantie voor het verhuren van een klavier]


Voor Ignatz Ratsch

Dat ondergetekende voor het klavier * door Ignaz Ratch, rentmeester van de graaf enz. von Würben, opnieuw is betaald de som van één taler**, acht groschen, erken ik hierbij naar behoren.

Leipzig, 5 december 1747

JOH. SEBAST. BACH

[*noot: onleesbaar woord]

[**noot: zie eerste kwitantie op deze site]

Leipzig: 18 december 1747 [kwitantie voor het geven van een les]


Voor Ignatz Ratsch

Dat aan Ignatz Ratsch, rentmeester van de graaf enz. van Würben*, de som van zes thaler** voor de aan de Graaf gegeven klavierles wederom is betaald, erken ik hierbij naar behoren.

JOH. SEBAST. BACH

Leipzig, 18 december 1747

Dat is dan 6 thlr.

[*noot: Graaf Eugen Wenzel von Würben was een leerling van Bach]

[**noot: zie eerste kwitantie op deze site]

Leipzig: 1 januari 1748 [aanbevelingsbrief voor leerling]


Voor J.C. Altnickol

Aangezien de houder dezes, de heer Johann Christof Altnickol, student in de muziek, mij, ondergetekende, verzocht heeft hem een geverifieerd attest te verstrekken betreffende de door hem betoonde ijver in de muziekkunst, heb ik het genoegen gehad dit te volbrengen en te verklaren, dat genoemde heer Altnickol niet alleen vier jaar lang ijverig als assistent van ons Chorus Musicus heeft gefungeerd, maar ook, naast zijn zangprestaties, zulk een voortreffelijk werk op verschillende instrumenten heeft geleverd als men van een volleerd musicus kan verlangen. Een aantal fraaie kerkcomposities van zijn hand hebben in onze stad niet minder ruime bijval gevonden. Daar hij in staat is het ambt van Director Musices of organist op verdienstelijke wijze uit te oefenen, twijfel ik er niet aan, dat God welwillende beschermheren zal aansporen, die niet zullen nalaten zijn deskundigheid in overweging te nemen en hem, als de gelegenheid zich voordoet, met hun aanbeveling zullen staven om zijn toekomstperspectieven op alle mogelijke wijzen te bevorderen. Kortom, hij is een student voor wie ik mij op geen enkele wijze hoef te schamen.

JOH. SEB. BACH

Koninklijke Poolse en Keurvorstelijke Saksische Hofcomponist en Directeur Chori Musices te Leipzig

Leipzig, op 1 januari 1748

Leipzig: 12 januari 1748 [aanbevelingsbrief voor instrumentenmaker Cuntzius]


Voor de heer Cuntzius

Omdat de heer Cuntzius, erkend vanwege zijn kunst als orgel- en instrumentenmaker te Halle, mij, ondergetekende, heeft verzocht om een geverifieerd attest van zijn bekwaamheid in het bouwen van orgels en andere instrumenten, kon ik niet nalaten zulks hierbij te doen. Ik verklaar derhalve dat het werk van genoemde dhr. Cuntzius betreffende orgels en instrumenten goed en behoorlijk is tot op het punt van geen mogelijk voorbehoud, en dat men slechts zou kunnen wensen dat al dergelijke werkzaamheden zo bekwaam werden uitgevoerd, zodat noch het Huis van God noch de kenners van dergelijke muziekinstrumenten voortaan door onbekwamen zouden worden misleid.

JOH. SEB. BACH

Koninklijk en Keurvorstelijk Hof-Compositeur, Kapelmeester en Directeur Chori Musices te Leipzig

Leipzig, 12 januari 1748

Leipzig: 20 maart 1748 [brief aan dhr. Martinus]


Aan Dhr. Martinus

Heer Martinus

Mijn geduld is nu op. Hoe lang denkt u dat ik nog op het klavecimbel moet wachten? Twee maanden zijn voorbij gegaan, en er is niets veranderd. Het spijt me dat ik u zo moet schrijven, maar ik kan niet anders. U moet het in goede orde brengen, en binnen vijf dagen, anders zullen we nooit vrienden zijn.

Adieu

Leipzig, 20 maart 1748

JOH. SEBAST. BACH

Leipzig: 24 juli 1748 [brief m.b.t. schoonzoon Altnickol]


Aan aan de gemeenteraad van Naumberg

Meneer Nobele, Geëerde en Meest Voorname, Standvastige, Geëerde en Meest Geleerde zowel als Meest Wijze Heren, Zeer Toegewijde en Hoog te achten Heren!

Ik denk nog altijd met het grootste genoegen terug aan het genadige vertrouwen dat een Hoogst Nobele en Meest Wijze Gemeenteraad van de stad Naumburg in mij stelde: eenmaal toen mijn bescheiden mening werd gevraagd in verband met de reparatie van uw orgel, en zeer vriendelijk aanvaardbaar werd bevonden; de andere keer toen ik, op vriendelijke uitnodiging, de aanvaarding en de beproeving van dit orgel in persoon bijwoonde. Dit vertrouwen in mij doet mij zo stoutmoedig zijn om mijzelf te vleien met het idee dat ik van Uwe Eerwaarde's onschatbare gunst jegens mij de inwilliging van een verzoek zal ontvangen. Want bij afwezigheid van mijn dierbare oud-leerling, de heer Johann Christoph Altnickol, thans organist en schoolmeester te Greiffenberg, heb ik de stoute schoenen aangetrokken om in zijn naam en voor zijn rekening te solliciteren naar de vacante post van organist bij Uwe Edelachtbare, die thans weer zal worden bezet. Ik verzeker u, Edele en Wijze Heren, dat u in de heer Altnickol een kandidaat zult vinden, die volledig aan uw wensen zal voldoen. Want aangezien hij reeds enige tijd de verantwoordelijkheid voor een orgel draagt, en een goede kennis heeft van het bespelen en registreren, en perfect begrijpt hoe een orgel goed te behandelen en er goed voor te zorgen, welke kwaliteiten onvermijdelijk van een goede organist verlangd worden; aangezien hij bovendien een zeer uitzonderlijke vaardigheid heeft in compositie, in zang, en op de viool; daarom ben ik ervan overtuigd dat u, Meest Edele en Wijze Heren, er nooit spijt van zult krijgen dat u genoemde kandidaat met uw keuze hebt vereerd en dat u mijn verzoek hebt ingewilligd. Van mijn kant zal ik deze weldaad, hem betoond, beschouwen als aan mijzelf bewezen, en mijzelf, zolang ik leef, met de grootste eerbied noemen.

Meest Nobele, Geëerde en Meest Voorname, Standvastige, Geëerde en Meest Geleerde zowel als Meest Wijze Heren, Uw meest gehoorzame dienaar

JOH. SEB. BACH

Koninklijk en Keurvorstelijk Hofcomponist

Leipzig, 24 juli 1748

Leipzig: 31 juli 1748 [brief m.b.t. schoonzoon Altnickol]


Aan aan de gemeenteraad van Naumberg

Meneer Edele Heer, Zeer Geachte Heer Commissaris,

Aan Uwe Hoogheid betuig ik allereerst mijn zeer erkentelijke en gehoorzame dank voor de vriendelijke ontvangst van mijn recente brief, en niet minder voor het feit dat Uwe Hoogheid mij bij monde van de thesaurier, de heer Sonnenkalb, de verzekering heeft gegeven dat mijn nederig verzoek zou worden ingewilligd. Ik zal mijn leven lang en met de grootste eerbied deze bijzonder hoge gunst aan mij bewezen bewonderen. Ik heb echter de stoute schoenen aangetrokken om Uwe Edelachtbare nogmaals met dit bijgevoegde verzoek te belasten; want toen ik voor het eerst hoorde van de vacature van organist in Naumburg, en meteen besloot om zelf namens de heer Altnickol een nederig verzoek in te dienen bij Uwe Edelachtbare en Zeer Gerespecteerde Raad van de Stad Naumburg, schreef ik daar onmiddellijk over, evenals over mijn besluit, aan genoemde oud-leerling van mij, en herinnerde hem er tegelijkertijd aan dat hij mijn verzoek zo spoedig mogelijk moest opvolgen met zijn eigen verzoek. Nu Uwe Eerwaarde mij via d e penningmeester, de heer Sonnenkalb, heeft laten weten dat de eigen verklaring van de heer Altnickol vereist zou zijn, is het mij des te aangenamer dat ik op het verzoek van Uwe Eerwaarde geanticipeerd heb, en reeds in de gelegenheid ben de memorie die hij mij gezonden heeft hierbij over te brengen. Als Uwe Edelachtbare ook deze correspondentie met de hoogachting van Uwe Edelachtbare wil beschermen, zal ik mij mijn leven lang verplicht achten mijzelf te noemen

Uw Edelachtbare en Mijn Hoogst Geachte Heren Commissarissen en Raadsheren meest gehoorzame en verplichtende dienaar

Leipzig, 31 juli 1748

JOH. SEBAST. BACH

Leipzig: 11 september 1748 [Johann Christian Hoffmann laat instrument na aan Bach]


Uit het Stadsarchief van Leipzig, Ratshandelsbuch, 1749

Als er bij mijn dood muziekinstrumenten zijn die van mij zijn, zullen ze niet allemaal verkocht worden, maar nagelaten worden aan mijn dierbare vrienden, namelijk: 1.) Dhr. D. George Andreas Joachim, 2.) Dhr. Kapelmeester Johann Sebastian Bach, 3.) Dhr. Johann David Kirsch, 4.) Dhr. Johann Christian Weyhrauch, 5.) Carl Gotthelf Gerlach, toebedeeld door het lot, maar dat mijn erfgename twee stukken, die zij er zonder lot naar eigen goeddunken uit kan nemen, voor zichzelf zal houden, de anderen samen met de bij haar genoemde vrienden zullen ieder voor zich een stuk door het lot ontvangen. Tenzij er niet zoveel stukken van mijn eigen of gerepareerd werk in mijn bezit zijn, in zo'n geval moeten de bovengenoemde vrienden de weinige stukken werk aan zich voorbij moeten laten gaan, en wie er wat van krijgt moet het als een aandenken van mij aannemen ...

Wat betreft de nalatenschap van Johann Christian Hofmann. Aldus Johann Christian Hoffmann, gewezen burger alhier alsmede hofluitenmaker, in zijn testament opgemaakt voor 8 getuigen op 11 sep. 1748…

...De muziekinstrumenten bij zijn dood als zijn eigendom afgeleverd, het 2e stuk aan de erfgename Rosinen Kormartin, de rest echter aan dhr. Joachim, de heren kapelmeester Bach, Kirsch, Weyrauch en Gerlach om door het lot te worden verdeeld, binnen 6 maanden na zijn dood, uit te betalen en te beantwoorden. Zoals de E. E. Hoogwijze Raad van deze stad ... hiervoor zijn toestemming heeft gegeven ...
Actum Leipzigk de 8e mei 1750.
Johann Zacharias Trefurth

Leipzig: 6 oktober 1748 [brief aan zijn neef Johann Elias Bach]


Aan neef J.E. Bach

Geëerde en meest nobele, meest gewaardeerde neef,

Omdat de tijd kort is, zal ik in een paar woorden veel zeggen, door Gods genade en steun in te roepen voor een gezegend wijnjaar zowel als voor de gezegende gebeurtenis die weldra verwacht wordt. Ik kan u thans niet het gewenste exemplaar van de Pruisische Fuga* bezorgen, daar de oplage juist vandaag opgebruikt is, daar ik er slechts 100 heb laten drukken, waarvan de meeste gratis aan goede vrienden zijn uitgedeeld. Maar tussen nu en de Nieuwjaarsmarkt zal ik er nog een paar laten drukken, en als mijn geëerde neef nog steeds een exemplaar wil hebben, hoeft hij mij dat alleen maar bij gelegenheid te laten weten**, en mij tegelijkertijd een thaler te sturen, en zijn wens zal in vervulling gaan. Tot slot, met de beste groeten van ons allen, blijf ik

Uw Eerbiedige Toegewijde

J.S. BACH

Leipzig, 6 oktober 1748

P.S. Mijn zoon in Berlijn heeft al twee mannelijke erfgenamen: de eerste is geboren rond de tijd dat we (helaas!) de Pruisische Invasie*** hadden, en de tweede is ongeveer twee weken oud.

[*noot: uit 'Das Musikalisches Opfer']

[**noot: bedoeld wordt; wanneer de postkoets weer langskomt]

[***noot: in 1745 werd Leipzig ingenomen door het Pruisische leger]

Leipzig: 2 november 1748 [brief m.b.t. het huwelijke van zijn dochter Lessgen en leerling Altnickol]


Aan zijn neef Johann Elias Bach

Mijn edele en zeer gewaardeerde neef,

Dat het met u en uw lieve vrouw nog goed gaat, verzeker ik mij door het aangename briefje dat ik gisteren van u ontving bij het uitstekende fustje most dat u mij stuurde, waarvoor ik u bij deze mijn dankbetuiging doe toekomen. Het is echter zeer te betreuren dat het kleine vat beschadigd is, hetzij door het schudden in de wagen of op een andere manier, want toen het geopend werd voor de gebruikelijke douane-inspectie was het bijna voor tweederde leeg, en volgens het rapport van de inspecteur bevatte het niet meer dan zes liter; en het is jammer dat zelfs de kleinste druppel van dit edele geschenk van God gemorst moet zijn. Maar terwijl ik mijn geëerde neef van harte feliciteer met de rijke oogst die hij heeft binnengehaald, moet ik erkennen dat ik niet in staat ben, pro nunc, om een passende tegenprestatie te leveren. Maar uitstel is geen afstel, en ik hoop dat ik de gelegenheid krijg om mijn schuld op een of andere manier af te lossen. Het is inderdaad te betreuren dat de afstand tussen onze twee steden ons niet in staat stelt elkaar persoonlijk te bezoeken. Anders zou ik de vrijheid nemen mijn geëerde neef nederig uit te nodigen voor het huwelijk van mijn dochter Lessgen, dat in de komende maand januari 1749 zal plaatsvinden, met de nieuwe organist van Naumburg, de heer Altnickol. Maar daar het, wegens de genoemde afgelegenheid en het ongunstige jaargetijde, vermoedelijk niet mogelijk zal zijn voor onze geëerde Neef om persoonlijk bij ons te zijn, zal ik hem ten minste de gunst vragen hen met een Christelijke wens bij te staan; waarop ik mijn geëerde Neef de hartelijke groeten doe en met de hartelijke groeten aan u allen van ons allen, Uwe Eerw.'s geheel toegewijde en trouwe neef en zeer gewillige dienaar

JOH. SEB. BACH

Leipzig, 2 november 1748

P.S. Magister Birnbaum is begraven, zo'n 6 weken geleden. Pro Memoria. Hoewel mijn geëerde neef zo vriendelijk is om meer van de likeur te schenken, moet ik zijn aanbod afslaan vanwege de buitensporige uitgaven hier. Want daar de vrachtkosten 16 groschen, de binnenlandse rechten 5 groschen, 3 pfennig en de algemene heffing 3 groschen kosten, kan mijn geachte neef voor zich oordelen, dat ieder kwart mij bijna 5 groschen kost, hetgeen voor het ogenblik werkelijk te duur is.

1748 [over Bachs kritiek op het temperamentsysteem van Gottfried Silbermann]


Door Georg Andreas Sorge

In één woord, Silbermanns temperamentsysteem kan niet worden gehandhaafd onder de omstandigheden van de huidige praktijk. Dat dit alles niets anders is dan de waarheid roep ik op tot getuigenis van alle onpartijdige musici die ter zake deskundig zijn, in het bijzonder de wereldberoemde heer Bach in Leipzig. Het is daarom te wensen dat die superieure man, die zich met zijn uitmuntende kunst zoveel eer en roem en een flinke smak geld heeft verworven, van gedachten verandert over temperament, zijn overigens fraaie en goed geconstrueerde orgels op het punt van temperament verbetert, en zo aan zijn roem het zeer belangrijke deel toevoegt dat er nog aan ontbreekt. . . . De 4 slechte drieklanken zijn van een ruwe, wilde, of, zoals kapelmeester Bach in Leipzig zegt, barbaarse aard, onverdraaglijk voor een goed oor.

Leipzig: 1 maart 1749 [canon voor zeven stemmen, BWV 1078]


Aan Benjamin Gottlob Faber

Canon op Fa Mi in 7 delen, op de afstand van een volle maat Fa Mi en Mi Fa zijn het geheel van de muziek.

Heer Eigenaar, U weet nauwelijks dat de herinnering aan een trouwe vriend geluk betekent; neem daarom de beoefenaar van de goede kunst als uw ware vriend. Leipzig, 1 maart 1749.

[noot: het oorspronkelijke autograaf van Bach zelf is verloren gegaan, maar zijn leerling Kirnberger heeft er een kopie van gemaakt. Ook staat er een kopie in het boek 'Abhandlung der Fuge' (1754) van Fr. Wilh. Marpurg. In de canon zitten de letters BACH en FABER verwerkt.]

Leipzig: 2 april 1749 [Bach ontvangt opdracht van een graaf]


Brief van 'tussenpersoon' Franz Ernst Wallis aan de graaf Joh. Adam von Questenberg

U neemt het mij niet kwalijk dat ik niet onmiddellijk heb geantwoord op uw vriendelijke mededeling van de 19e van de vorige maand. Ik heb mij vooral ingespannen om mijn opdracht in goede orde uit te voeren, zodat ik mag hopen dat Uwe Excellentie tevreden zal zijn met wat er is bereikt. Onmiddellijk na ontvangst van Uw genadige brief, heb ik op verschillende plaatsen inlichtingen ingewonnen over de verblijfplaats van de heer Bach en, nadat de inlichtingen verkregen waren, is de Luitenant persoonlijk naar hem toegegaan om de berichten, zoals in de brief gemeld, over te brengen. Hij was zeer verheugd nieuws te ontvangen van Uwe Excellentie, als zijn edelmoedige weldoener, en verzocht mij de bijgevoegde brief door te sturen. Hij stuurde mij die brief echter op zaterdag, en omdat de post was uitgegaan, was het te laat, zodat ik tot vandaag moest wachten om Uwe Excellentie mijn nederig verslag te doen toekomen. De brief van de Herr Musique-Direkteur zal de verschillende zaken bevatten die Uwe Excellentie wilde weten.

Leipzig: 12 april 1749 [1e aanbevelingsbrief voor leerling]


Voor Johann Nathanael Bammler

Dat de houder dezes, de heer Johann Nathanael Bammler, sedert tien jaren oud-leerling is van de Thomasschool; dat hij zich ook in letteren zowel als in muziek een ijverig oud-leerling heeft betoond, wordt hierbij bevestigd en tevens wordt vermeld, dat hij zich als prefect zowel vocaliter als instrumentaliter uitstekend heeft ingezet.

Leipzig, 12 april 1749

JOH. SEBAST. BACH

Cantor

Leipzig: 6 mei 1749 [kwitantie voor graaf Branitzky m.b.t. verkoop van een pianoforte]


Voor graaf Branitzky

Dat aan mij, ondergetekende, de betaling van 115 rthl., uitgeschreven honderdvijftien rthl. in Lui blanc, voor een instrument genaamd piano et Forte, dat aan Zijne Excellentie Graaf Branitzky te Bialastock zal worden afgeleverd, door Mr. Valentin alhier naar behoren is overhandigd, verklaar ik bij dezen. Leipzig, 6 mei 1749.

Joh. Sebast. Bach.

Koninklijke Poolse en Keurvorstelijke Saksische Hofcomponist

Leipzig: 2 juni 1749 [voorgedragen opvolger, Harrer, van Bach i.v.m. diens mogelijke overlijden]


Van Graaf von Brühl aan Vice Kanselier Jacob Born

MEEST NOBELE, MEEST GEWAARDEERDE MR. VICE KANSELIER,

De persoon die ik voordraag, die de componist is van mijn Kapel, Harrer, is de kandidaat die ik Uwe Edelachtbaren heb aanbevolen toen ik in Leipzig was voor de toekomstige vervulling van de post van Kapeldirecteur aldaar, bij de eventuele gelegenheid van het overlijden van de heer Bach. Daar genoemde persoon bereid is persoonlijk een voorbeeld van de door hem gecomponeerde muziek aldaar ten gehore te brengen en aldus zijn bekwaamheid in de muziek te tonen, heb ik Uwe Edelachtbaren zeer vriendelijk willen verzoeken, genoemde Harrer daartoe niet alleen toestemming te verlenen, maar hem ook alle medewerking te verlenen om zijn doel te bereiken. Uwe Edelachtbaren mogen er zeker van zijn, dat ik van mijn kant geen gelegenheid voorbij zal laten gaan, die mij in staat stelt een oprecht blijk te geven van die achting, waarmee ik voortdurend Uw Edelachtbaren toegewijd dienaar blijf.

Dresden, 2 juni 1749

G[raaf] V[on] Bruhl

P.S. Daar ik er niet aan twijfel, dat de door de heer Harrer uit te voeren proefmuziek in goede aarde zal vallen, zou het mij aangenaam zijn, indien aan hem een certificaat zou worden uitgereikt, tot zijn grotere zekerheid, dat hij in het genoemde geval niet zal worden overgeslagen.

Leipzig: 8 juni 1749 [proefuitvoering opvolger van Bach, Harrer, i.v.m. diens mogelijke overlijden]


Uit Johann Salomon Riemer's Kroniek van Leipzig

Op 8 juni werd in de grote concertzaal van de Drie Zwanen aan de Brühl op last van een Nobel en Wijs Bestuur van deze stad, waarvan de meesten aanwezig waren, de proefuitvoering voor de toekomstige benoeming tot cantor van de Thomaskerk, in geval van overlijden van de kapelmeester en cantor de heer Sebastian Bach, onder groot applaus gegeven door de heer Gottlob Harrer, kapel-directeur van Zijne Excellentie de Privaat-raadsheer en Eerste Minister Graaf von Brühl.

Leipzig: 27 oktober 1749 [brief m.b.t. zijn zoon J.C.F.]


Aan graaf Willem van Schaumburg-Lippe

Meeste Geëerde Keizerlijke Graaf

Genadige Graaf en Heer!

Uwe Genadige Keizerlijke Hoogheid staat mij genadig toe deze boodschap aan uw edele ogen te presenteren, daar ik mij diep verplicht voel u mijn nederige dank te betuigen voor het kostbare aandenken dat Uwe Keizerlijke Hoogheid mij heeft gezonden. Aangezien Uwe Keizerlijke Hoogheid heeft gemeend iemand van mijn familie te vereren in dienst van Uwe Hoogheid, stuur ik hierbij mijn zoon*, in de hoop dat hij Uwe Keizerlijke Hoogheid volledige voldoening zal kunnen schenken. Het is mijn nederige wens dat zowel ik als mijn zoon verder deel mogen hebben aan Uw Genadige Barmhartigheid, en gedurende mijn hele leven, Meest Nobele Keizerlijke Graaf, Uwe Hoogheid's

eerbiedige en gehoorzame dienaar

JOH. SEB. BACH

Leipzig, 27 oktober 1749

[*noot: Johann Christoph Friedrich Bach (1732-1795)]

Leipzig: 11 december 1749 [2e aanbevelingsbrief voor leerling]


Voor Johann Nathanael Bammler

Dat de houder dezes, de heer Johann Nathanael Bammler, student in de theologie, gedurende tien jaar een oud-leerling is geweest hier op de St. Thomasschool en zich gedurende die tijd als een trouwe, ijverige en godvruchtige leerling heeft gedragen en zich in de letteren en vooral in de muziek zodanig heeft toegerust, dat ik hem het prefectschap van de koren volledig kon toevertrouwen, daar hij drie jaar lang de kerkmuziek van het tweede koor heeft geleid en in zijn laatste schooljaar ook prefect van het eerste koor is geweest en niet alleen de motetten, maar ook bij mijn afwezigheid de gehele kerkmuziek heeft geleid. Dit bevestig ik hierbij met mijn eigen hand.

Leipzig, 11 december, Anno 1749

JOH: SEBAST: BACH.

Leipzig: januari 1750 [Bachs oogoperatie]


Uit een boek dat de arts zelf in 1761 schreef: 'De Geschiedenis an Reizen van de Ridder Taylor, Ophthalmiater'

Ik heb een grote verscheidenheid aan bijzondere dieren gezien, zoals dromedarissen, kamelen, enz, en in het bijzonder in Leipzig, waar een gevierd muziekleraar, die reeds aan zijn 88ste [recte: 65ste] jaar was gekomen, zijn gezichtsvermogen door mijn handen [terug] kreeg; het is bij deze man dat de beroemde Händel voor het eerst werd opgeleid, en bij wie ik eens dacht hetzelfde succes te hebben gehad, met alle omstandigheden in zijn voordeel, bewegingen van de pupil, licht, enz. maar, toen we het gordijn wegtrokken, vonden we de onderkant defect, als gevolg van een verlammingsaandoening.

Berlijn: 4 april 1750 [Bachs oogoperatie]


Uit de 'Berlinische Privilegirte Zeitung'

Leipzig, 1 april: Afgelopen zaterdag en ook gisteravond heeft de Chevalier Taylor in het concertgebouw openbare voordrachten gehouden in aanwezigheid van een aanzienlijk aantal geleerden en andere belangrijke personen. De toeloop van mensen die zijn hulp inroepen is verbazingwekkend. Hij heeft onder andere Kapelmeester Bach geopereerd, die door een voortdurend gebruik van zijn ogen zijn gezichtsvermogen bijna geheel had verloren, en dat met alle succes dat maar gewenst kon worden, zodat hij zijn gezichtsvermogen weer volledig heeft teruggekregen, een onuitsprekelijk geluk dat vele duizenden mensen deze wereldberoemde componist verre van zullen misgunnen en waarvoor zij Dr. Taylor niet voldoende kunnen bedanken. Wegens de vele verplichtingen die hij hier moet vervullen, zal hij niet voor het einde van deze week naar Berlijn kunnen gaan.

Berlijn: 7 april 1750 [Bachs oogoperatie]


Uit de 'Berlinische Privilegirte Zeitung'

Leipzig, 4 april: verscheidene mensen hebben tot nu toe elke dag contact gezocht om de hulp van Chevalier Taylor in te roepen. Onder de vele personen van beide geslachten en van verschillende rangen en leeftijden die zijn kundigheid raad en troost heeft geboden, zijn zijn genezingen van de medicus Dr. Koppen, van kapelmeester Bach en van de koopman heer Meyer zo bijzonder succesvol geweest dat het hem tot eer strekt. De vele patiënten die een beroep op hem doen, hebben hem ertoe gebracht zijn vertrek uit te stellen tot aanstaande dinsdagmorgen, wanneer hij van plan is naar Potsdam te vertrekken en Berlijn de volgende dag te bereiken.

7 mei 1750 [Bachs zoon C.Ph.E.Bach plaatst advertentie in de 'Critische Nachrichten aus dem Reiche der Gelehrsamkeit' m.b.t. 'Die Kunst der Fuge']


Van C.Ph.E. Bach

De erfgenamen van wijlen Johann Sebastian Bach, de grote componist, voormalig koninklijk Pools en Keurvorstelijk Saksisch kapelmeester en muziekdirecteur in Leipzig, hebben besloten een werk dat hij in manuscript heeft nagelaten aan de vergetelheid te ontrukken en het uit te geven onder de titel 'Die Kunst der Fuge, in 24 Voorbeelden ontworpen door Johann Sebastian Bach, voormalig kapelmeester, and Muziekdirecteur te Leipzig.' Door een gebrek aan goed uitgevoerde voorbeelden is het mysterie van de fuga een tijd lang nogal karig onderhouden geweest. Grote meesters hebben het vaak angstvallig bewaakt. Wie van hen enig inzicht wilde krijgen, moest het als het ware op het gehoor leren. Terwijl de regels die ons werden gegeven goed en overvloedig waren, ontbraken de nodige voorbeelden. Toch weet men hoe vruchteloos onderricht is zonder illustratie, en de ervaring leert welk onevenredig groter voordeel men haalt uit praktische uitwijdingen in plaats van uit magere theoretische aanwijzingen. Het huidige werk, dat wij aan het publiek aankondigen, is door en door praktisch en verwezenlijkt inderdaad wat vele bekwame mannen in de loop der jaren in hun geschriften hebben voorgesteld. Het is voor de kenner voldoende te weten dat het afkomstig is van de beroemde Bach te Leipzig, wiens recente dood nog enige tijd zal worden gevoeld door bewonderaars van ware verdienste. Zij die een idee hebben van wat mogelijk is in de kunst en die verlangen naar originele gedachten en de bijzondere, ongewone uitwerking daarvan, zullen er ten volle bevrediging uit putten. Zulke fuga's, die geen toevallige toevalligheden in hun verbinding van noten vertonen, geen overbodige noten, en alleen een goed gemotiveerde, kunstige imitatie, zijn in onze tijd vrij zeldzaam. Het is ook niet te veel gezegd om dit werk een volmaakt werk te noemen, want het bevat alle goede manieren van fuga's en contrapunten, in twee stemmen, drie stemmen, vier stemmen; met één, twee of meer thema's, omgekeerd, retrograde, geschreven in vermeerdering [van notenwaarden] of vermindering [idem]; in het octaaf, decimen, duodecimen; perpetuale canons of canons in verschillende andere soorten, enz. Al deze veelvuldige fuga's zijn gecomponeerd vanuit één en hetzelfde hoofdthema, en in dezelfde toonsoort, namelijk d-mineur. De kenners van de muziekgeschiedenis zullen toegeven dat een dergelijk werk, waarin de gehele studie van de fuga zo grondig is uitgewerkt vanuit één enkel thema, tot nog toe nergens is verschenen. Daar alle betrokken partijen steeds zingbaar zijn, en de een met evenveel aandacht is uitgewerkt als de ander, heeft men aan elke stem een eigen notenbalk gegeven, met de daarbij passende sleutel, in de partituur. Welk een bijzonder begrip men echter van de compositiekunst kan krijgen door het bestuderen van partituren, zowel wat de harmonie als wat de melodie betreft, zullen degenen die het geluk hebben gehad zich te bewijzen met hun voorbeelden aantonen. Niettemin is alles tegelijkertijd gearrangeerd voor gebruik op klavecimbel of orgel. De laatste stukken zijn twee fuga's voor twee klavierinstrumenten [Clavier or Flügel) en een fuga met drie thema's, waarin de auteur, bij het schrijven van het derde thema, zijn naam Bach heeft weergegeven. Afgesloten wordt met een aanhangsel van een vierstemmige kerkhymne, die wijlen de auteur in zijn laatste dagen, reeds van zijn gezichtsvermogen beroofd, aan de pen van een vriend [schoonzoon Atlnickol] heeft gedicteerd. Daar dit werk 70 koperplaten in folio [dit is een formaat] omvat, en dus zeer kostbaar was om te vervaardigen, wordt het per abonnement aangeboden. Dit geldt vanaf heden tot de Michaelsmarkt van Leipzig en zal in de voornaamste boekhandels van Duitsland worden aanvaard tegen betaling van 5 reichsthaler. Na die tijd zal het werk niet onder 10 reichsthaler worden verkocht. Exemplaren zullen na de termijn van vooruitbetaling aan de abonnees worden overhandigd zonder verdere betaling of kosten, tegen inlevering van het certificaat dat bij de vooruitbetaling is ontvangen. De personen, die deze uitgave op zich nemen, verplichten zich niets te sparen aan gravure, druk en papier, om het publiek ook in deze opzichten tevreden te stellen. Vooruitbetaling zal worden ontvangen bij de Haude und Spenerische boekhandel.

29 juli 1750 [Bachs potentiele opvolgers presenteren zich]


Fragmenten uit de handelingen van de stadsraad van Leipzig

29 juli 1750 De cantor van de Thomasschool in Leipzig, of beter gezegd de koordirecteur, Bach, was eveneens overleden, waarop de volgenden zich presenteerden:
De zoon van de overledene, dhr. Bach, in Berlijn.
De heer Johann Trier, een student theologie en muziek, mogelijk met het oog op een betrekking als organist.
Mr. Joh. Gottlieb Görner, organist van de St. Thomas's.
De heer Gottlob Harrer, directeur van Zijne Excellentie de Premier Ministre, Graaf Brühl, welke kandidaat sterk wordt aanbevolen door genoemde Premier Ministre.
Gisteren presenteerden zich:
Mr. August Friedrich Graun, Cantor van het Gymnasium van Merseburg.
De heer Johann Ludwig Krebs, kasteelorganist te Zeitz.
De Vice Kanselier en Burgemeester, Dr. Born: Hij kon de aanbeveling moeilijk naast zich neerleggen, en zou daarom zijn stem op Harrer uitbrengen.

De Raadsheer van het Ministerie van Oorlog, Burgermeester Stieglitz: De school had een cantor nodig en geen kapelmeester, hoewel hij wel verstand van muziek moest hebben. Harrer had uitstekende beloften gedaan en zich bereid verklaard alles te doen wat van hem verlangd werd. Mede daarom, en ook vanwege de hoge aanbeveling, zou hij zijn stem op hem uitbrengen. Ook de Commissaris en Pro-Consul Dr. Masian stemden voor Harrer.

Comm. Dr. Trier ,Comm. Dr. Winkler, Comm. Dr. Platz, Comm. Winkler, Privaat Wethouder Richter, Comm. Leistner, Comm. Thomae: evenzo

29 juli 1750 [overbrenging van Bachs lichaam per lijkkoets]


Stadsarchief Leipzig, Leichen-Wagen-Buch, 1697-1798

Bach,
Heer Johann Sebastian, cantor aan de Thomas-Schule alhier [...] [de] 29e juli, gratis.

30 juli 1750 [overlijdensbericht Bach]


Uit het begraafregister van Leipzig

1750. Donderdag 30 juli. Een man, 67 jaar [sic], de heer Johann Sebastian Bach, kapelmeester en cantor van de St. Thomasschool, is dinsdag overleden. 4 minderjarige kinderen. Lijkwagen gratis.

31 juli 1750 [overlijden van Bach]


Aankondiging gelezen vanaf de preekstoel van St. Thomas

Vredig en zalig is in God heengegaan de geachte en zeer gerespecteerde heer Johann Sebastian Bach, hofcomponist van Zijne Koninklijke Majesteit in Polen en Soevereine Electorale Hoogheid in Saksen, alsmede kapelmeester van de Prins van Anhalt-Köthen en cantor in de St. Thomas School, op het plein van St. Thomas's; zijn dode lichaam werd heden volgens christelijk gebruik ter aarde besteld.

Leipzig: 6 Augustus 1750 [zoon Johann Christoph Friedrich ontvangt instrument als erfenis]


Leipziger Handelsboek van 1749, maar ook in het archief van het kantongerecht Leipzig

De heer Johann Christoph Friedrich Bach, kamermusicus van de Graaf von der Lippe Excell ex jure cesso et donationis van zijn overleden vader, de heer Johann Sebastian Bach, verscheen heden in persoon voor Zijne Eminentie de Raad van de stad Leipzig en overhandigde het volgende ontvangstbewijs in origineel, met het verzoek dat de Raad het omwille van het gezag zou bevestigen en in de boeken van de Raad zou opnemen, maar het luidt, van woord tot woord, als volgt:

Volgens dit testament is Johann Christian Hoffmann op 1 febr. a.c. overleden, maar heeft hij voordien, op 11 sep. 1748, een testament gemaakt, waarin hij mevr. Christina, geboren als Kormart, gehuwd met M. Forbiger, als erfgename van zijn gemeenschappelijk vermogen, en mijn overleden vader, Johann Sebastian Bach in het derde lid van zijn testament als erfgenaam van zijn gemeenschappelijk vermogen, en mijn overleden vader, Johann Sebastian Bach in het derde lid van zijn testament een door eigen werk vervaardigd muziekinstrument, dat hem door het testament zou toevallen. Toen toen mijn voornoemde overleden vader, tijdens zijn leven, dit legaat aan mij afstond en aan mij naliet, dat ik het bij testament aan hem toekomende instrument als mijn eigendom zou nemen en houden, zulks ook aan mij geleverd zijnde bij het overlijden van voornoemde, heden in natura; zoals bij deze erkend door de voornoemde testamentaire erfgename, Mevr. Forbigerin, aangaande het muziekinstrument dat mij uit het testament van de heer Hoffmann is geleverd, met het verschoon van niet-ontvangst, welbewust afziet van de aanspraken en zekerheden die aan dit nagelaten instrument ten grondslag liggen, terecht voortdurend afstand doet, en de hypothecaire zekerheid die vanwege dit nagelaten instrument op het nagelaten huis rust, weer wil laten opheffen. Mij ook vrijwarend voor het onverwachte geval dat genoemde testamentaire erfgename van Hoffmann een vordering zou hebben van wie dan ook, vanwege dit aan mij overgedragen instrument, om haar daardoor te vergoeden en schadeloos te stellen. Dit ontvangstbewijs en deze verklaring van afstand zijn door mij eigenhandig ondertekend en verzegeld.

Aldus gedaan Leipzig, 6 augustus 1750.

(L S.) Johann Christoph Friedrich Bach.

Daar na afloop van de openbare lezing ... mevrouw Christine, getrouwd M. Forbiger, geboren als Kormart, als erfgename van het testament van de hofluitmaker Johann Christian Hoffmann, instemde met de nalatenschap van het muziekinstrument door genoemde Hoffmann aan zijn vader, en deze daarmee aan hem afgestaan en geschonken heeft, met het verschoon van niet-ontvangst, en daarvoor tekende ... daarom heeft Zijne Eminentie de Raad van de stad Leipzig deze overdracht en vrijwaring bij volmacht bevestigd... Actum Leipzigck, 7 augustus 1750.
Johann Zacharias Trefurth
Stadsschr.

6 augustus 1750 [overlijdensbericht Bach Berlijnse krant]


Uit de Spenersche Zeitung, Berlijn

Leipzig, 31 juli. Afgelopen dinsdag, dat wil zeggen de 28e, is de beroemde musicus Mr. Seb. Bach, koninklijk Pools en keurvorstelijk Saksisch hofcomponist, kapelmeester van het vorstelijk hof van Saksen-Weissenfels en van Anhalt-Köthen, directeur Chori Musici en cantor van de St. Thomasschool alhier, in het 66e jaar van zijn leven, aan de ongelukkige gevolgen van een zeer mislukte oogoperatie door een bekende Engelse oogarts. Het verlies van deze ongewoon bekwame man wordt door alle ware kenners van muziek ten zeerste betreurd.

8 augustus 1750 [Bachs opvolger wordt gekozen]


Fragmenten uit de handelingen van de stadsraad van Leipzig

8 Aug. 1750
Zijne Hoogheid de Consul Regens, legde Hofraad Dr. Ktistner de volgende zaken voor aan de vergadering van de Drie Raden:
I
Het was bekend, dat de Hofgriffier Mr. Engelschall onlangs van dit leven was heengegaan, waardoor een der voornaamste posten vacant was geworden ....
II
Als gevolg van het overlijden van de cantor van de St. Thomasschool, de heer Bach, moet ook aan de vervulling van zijn ambt worden gedacht. Zes personen hadden zich kandidaat gesteld, van wie de Seniores

de heer Gottlob Harrer hadden gekozen, die directeur is van de kapel van Zijne Excellentie, de Eerw. Minister Graaf von Brühl

en die niet alleen een optreden had gegeven, maar ook een aanbeveling van genoemde hoge Minister had meegebracht, die enige tijd in Italië had doorgebracht en daar compositie had geleerd, en die bereid was de instructie te geven die van een cantor werd verwacht. De anderen waren allen bekwame musici, dat was zeker, maar of zij in staat waren onderwijs te geven, viel te betwijfelen. De vraag was toen aan de heren om te beslissen wie zij tot cantor van de St. Thomas School wilden benoemen.

De Vice-Kanselier en Burgemeester, Dr. Born: dankte de regerende Burgemeester voor de zorg die hij had betracht, en daar geen van beide posten lang vacant kon blijven, wenste hij kort en voortvarend te zijn en zijn stem te geven 1) voor de Griffier van de Stadsrechtbanken, aan de heer Fleischer, en 2) voor het cantoraat van de St. Thomas School, aan de heer Harrer.
De Privaat Raadslid van het Ministerie van Oorlog en Burgemeester, Dr. Stieglitz: Deze twee posten konden zonder uitstel worden bezet. 1) Het kantoor van de griffier ... 2) De heer Bach was weliswaar een groot musicus geweest, maar geen schoolmeester, zodat voor zijn plaats als cantor van de Thomasschool iemand moest worden gezocht die in beide hoedanigheden bekwaam zou zijn; hij meende beide te kunnen vinden in de heer Harrer, die had verklaard zowel de Latijnse als de Griekse taal machtig te zijn, en die had beloofd zijn ondergeschikte plaats gewillig te aanvaarden; daarom wilde hij hem zijn stem geven voor de functie van cantor van de Thomasschool.
Commissaris Thomä, Kapitein Richter, Raadslid Hohmann, Dr. Schubart, De heer Schmid, De heer Winkler, Hofraadlid Mencke, De heer Rimmel, Dr. Ktistner stemden voor 1) de heer Fleischer 2) de heer Harrer

15 augustus 1750 [Anna Magdalena Bachs verzoekschrift aan stadsbestuur en universiteit]


Uit de brief van Anna Magdalena Bach

Uwe Excellenties, Meest Nobele. Standvastige en Meest Geleerde, als wel Meest Wijze en Hoogst Gewaardeerde Heren!

Overwegende dat het de ondoorgrondelijke raad en wil van onze anders zo liefdevolle Vader in de Hemel behaagd heeft, mijn lieve echtgenoot, de muziekdirecteur en cantor van de St. Thomas School hier, enkele dagen geleden door een gezegende dood uit zijn aardse leven weg te nemen, en mij zo in de treurigste toestand van weduwe achter te laten; en dat het al heel lang de gewoonte is op de St. Thomasschool dat de weduwen van overleden cantors na de dood van hun echtgenoten een half jaar [een toelage uit] genade ontvangen, en dat mijn voorgangster, de weduwe Kuhnau, en voor haar de weduwe Schall [Schelle], dit genoten; nu, daarom, waag ik het nederig mij te richten tot Uwe Hoogheden en U, Edelste en Wijste Heren, met de meest gehoorzame bede dat Uwe Hoogheden zich, krachtens de aangeboren minachting en wereldberoemde vriendelijkheid van Uwe Hoogheden, zeer genadig zullen verwaardigen mij dezelfde hoge gunst te laten bewijzen; waarvoor ik mijn leven lang, met alle denkbare eerbied, Uw Hoogheden en, Edelste, Edelste en Wijste Heren, Uw meest gehoorzame dienaar zal trachten te zijn

Anna Magdalena Bach
weduwe

Leipzig, 15 augustus, 1750

[in een ander handschrift:] Besloten, 21 oktober 1750. Beide te doen.

28 augustus 1750 [over de verdiensten van Bach]


Door Bachs oud-leerling Johann Friedrich Agricola

Men behoeft slechts te kijken naar de missen van de onlangs overleden Stolzel, de missen en magnificats van Bach, die enkele dagen geleden in Leipzig is gestorven, de talloze kerkcomposities, vooral de koren van de eerbiedwaardige Telemann, die nog leeft, en de psalmen van Händel en vele andere geniale mannen: men zal ontdekken dat er Duitsers zijn die zich gemakkelijk met [componist Giacomo Antonio] Perti kunnen meten. Specialisten verzekeren ons trouwens dat Perti geenszins een tovenaar is in het fugatisch schrijven. Fux, Telemann, Bach, Händel, Graun, en anderen onder de Duitsers hebben veel meer gepresteerd. Al deze componisten houden zich in fugatische werken aan de kern van de zaak; zij zijn niet zo oppervlakkig als de Italianen, die de gewoonte hebben schijnfuga's te produceren. . . De correspondent [Filippo Finazzi] is uiteindelijk van plan de verdiensten van de beroemde en nu overleden heer Bach te kleineren. Hij doet grootmoedig alsof hij hem voor groot laat doorgaan, maar dit kan niet gemeend zijn. Hij ontzegt zijn muziek het effect van plezier voor de luisteraar die niet zou genieten van zulke moeilijke harmonieën. Maar, aangenomen dat de harmonieën van deze grote man zo ingewikkeld waren dat ze niet altijd het beoogde resultaat zouden bereiken, dan zouden ze toch dienen voor het waarachtige genot van de kenner. Niet alle geleerden zijn in staat een Newton te begrijpen, maar zij die ver genoeg gevorderd zijn in de diepgaande wetenschap om hem te kunnen begrijpen, zullen des te meer voldoening en werkelijk voordeel vinden in het lezen van zijn werk. Kortom, Bach was een waar sieraad voor de Duitsers, en zijn nagedachtenis, die door zijn werken onsterfelijk is geworden, zal, bij hen die verstand hebben van muziek, ons land blijvende roem brengen; laat een Italiaanse castraat maar zeggen wat hij wil.

17 oktober 1750 [het eerste verzoekschrift van Anna Magdalena Bach aan de universiteit om voogdij over haar kinderen]


Uit de brief van Anna Magdalena Bach

RECTOR MAGNIFICUS, MEEST WAARDIGE, MEEST NOBELE, MEEST GELEERDE IN DE WET, MEEST DESKUNDIGE, MEEST VOORNAME EN MEEST WIJZE HEREN, HOGE BESCHERMHEREN!

Uwe Hoogheid en U, Zeer Waardige en Nobele Heren, wilt u zo genadig zijn mij toe te staan nederig onder uw aandacht te brengen dat op 28 juli van het huidige jaar mijn overleden echtgenoot, Johann Sebastian Bach genaamd, voorheen Cantor aan de St. Thomas School hier, is overleden en mij heeft achtergelaten met vijf minderjarige kinderen. Nu, daar het de plicht is van een moeder, indien zij niet zelf weet wie als voogd voor haar kinderen voor te stellen, om binnen een bepaalde tijd een verzoek in te dienen voor de benoeming van een voogd. Mijn nederigste gebed gaat uit naar Uwe Grootheid en naar U, Zeer Waardige en Zeer Nobele Heren, om de genade te hebben zo snel mogelijk een voogd voor mijn minderjarige kinderen te benoemen en aan te stellen. Waarvoor ik voor altijd blijf, met alle respect, Uwe Majesteit's en, Meest Waardige en Nobele, ook Meest Wijze Heren, Uw nederige en meest gehoorzame

ANNA MAGDALENA BACH
Leipzig, 17 oktober 1750 Weduwe

21 oktober 1750 [het tweede verzoekschrift van Anna Magdalena Bach aan de universiteit om voogdij over haar kinderen]


Uit de brief van Anna Magdalena Bach

Rector Magnificus, Meest Waardige, Meest Nobele, Meest Geleerde in het Recht, Meest Bekwame, Meest Onderscheiden en Meest Wijze Heren, Hoge Beschermheren!

Uwe Hoogheid en U, Zeer Waardige en Zeer Nobele Heren, zult zich herinneren dat ik op de 17e van deze maand zeer nederig verzocht heb om de benoeming en toewijzing van een voogd voor mijn kinderen. Sindsdien heb ik echter besloten, met instemming van een Edelachtbare, op de belofte niet meer te trouwen, om zelf de voogdij over mijn kinderen op mij te nemen, te weten: Johann Christoph Bach, 18 jaar oud, Johann Christian Bach, 15 jaar oud, Johanna Carolina Bach, 12 jaar oud, Regina Susanna Bach, 9 jaar oud. Welnu, daarom richt ik tot Uwe Edelachtbaren mijn zeer nederig gebed, niet alleen om mij te benoemen tot voogd over mijn genoemde kinderen, maar ook, met betrekking tot de komende verdeling van de nalatenschap van mijn overleden echtgenoot, om de heer Görner, Muziekdirecteur van een Weledele Universiteit en Organist van St. Thomas hier, te benoemen tot mede-voogd met mij, maar alleen met betrekking tot de verdeling. Waarvoor ik, in alle nederigheid, Uwe Majesteit's en, Zeer Waardige en Zeer Edele Heren, Uw meest nederige
ANNA MAGDALENA BACH
Leipzig, 21 oktober 1750

1750 [Bachs opvolger Harrer]


Uit de Leipziger kroniek van Johann Salomon Riemer

Op 29 september, dat wil zeggen op Michaël, hield de heer Gottlob Harrer als cantor van de Thomaskerk zijn eerste uitvoering in de beide hoofdkerken en op 2 oktober daaropvolgend werd hij op de gebruikelijke wijze geïntroduceerd in de School hier in de plaats van wijlen de heer Johann Sebastian Bach.

1750 [Aantekening op drukproeven van Joh. Chr. Fr. Bach]


drukproef van 'Die Kunst de Fuge'

"Canon p. Augmentationem contrario motu.“

NB: Wijlen Papa had het volgende opschrift op de plaat gegraveerd, "Canon per Augment: in Contrapuncto all ottave," maar hij had het op de proefplaat doorgestreept en in de hierboven vermelde vorm gezet.

datum onbekend [canon in een album, BWV 1086]


Kopie, origineel verloren gegaan, in een album door Joh. Gottfried Müthel voor zijn leerling Joh. Conrad Arnold

Canon, “Concordio discoro” Door J. S. Bach.

1750 [over Bachs behendigheid in het voorspelen van koralen]


Door Georg Andreas Sorge

Naast de kennis van de becijferde bas, waarvoor mijn "Vorgemach der musicalischen Composition" gedetailleerde aanwijzingen geeft, is er voor de organist niets belangrijker dan dat hij de verschillende koralen, al naar gelang hun bijzondere inhoud, handig kan voorspelen, zodat de gemeente wordt gestimuleerd om het daaropvolgende koraal met gepaste toewijding te zingen. De preludes op de Catechismuskoralen van de heer kapelmeester Bach in Leipzig zijn voorbeelden van dit soort klavierwerken die de grote bekendheid verdienen die zij genieten. Maar omdat werken als deze zo moeilijk zijn dat ze zo goed als onbruikbaar zijn voor jonge beginners en anderen die de aanzienlijke vaardigheid missen die ze vereisen, heb ik, op voorstel van zowel mijn goede vrienden als mijn eigen leerlingen, de volgende acht eenvoudige preludes voorbereid, die alleen op de manualen gespeeld kunnen worden, en ik presenteer ze hierbij publiekelijk aan die leden van onze muzikale jeugd die graag willen leren en aan alle liefhebbers van dit soort spel.

Hamburg, 1751 [Bach steunt Joh. Georg Schröter in conflict met rector Joh. Gottlieb Biedermann]


Citaten van Bach in Mattheson's 'Zeven Dialogen van Filosofie en Muziek'

Toen Rector Biedermann zijn Programma de Vita musica had gepubliceerd, zond wijlen kapelmeester Bach enige tijd daarna een afschrift daarvan aan de heer Schröter*, organist te Nordhausen, en verzocht hem dit na te lezen en te weerleggen, daar hij niemand in deze streken kende en kon vinden die daartoe beter in staat was. De heer Schröter verklaarde zich meteen bereid dit te doen, bereidde zijn recensie voor en stuurde deze naar de heer Bach in Leipzig, waarbij hij het aan hem overliet of hij deze in de wetenschappelijke tijdschriften wilde laten opnemen of in een ander weekblad. Daarop schreef Bach mij op 10 december 1749: "Schröter's kritiek is goed geschreven, en naar mijn smaak, en het zal spoedig in druk verschijnen. . . . Dhr. Mattheson's Mithridates heeft een grote indruk gemaakt, zoals ik geloofwaardig heb vernomen. Als er nog meer weerleggingen volgen, zoals ik vermoed, twijfel ik er niet aan dat het vuile oor ['Dreckohr'**] van de auteur zal worden gereinigd en meer geschikt zal worden gemaakt om naar muziek te luisteren." Enige tijd later stuurde kapelmeester Bach een paar gedrukte exemplaren van de genoemde recensie, maar in een zodanige vorm dat, zoals het hierbij getoonde exemplaar laat zien, het in het geheel niet meer leek op het origineel van de heer Schröter, maar veel toevoegingen en veranderingen bevatte. De heer Schröter kon, toen hij deze gruwelijke mengeling zag, niet nalaten er aanstoot aan te nemen en liet mij, onder de datum van 9 april 1750, de heer Bach weten "dat de heftige veranderingen die in zijn kritiek waren aangebracht, hem diep hadden gekwetst"; verder "dat zijn troost in de zaak was dat geen lezer die bekend was met zijn manier van schrijven of denken, uit andere bronnen, hem kon beschouwen als de auteur van een dergelijke mengeling, om nog maar te zwijgen van de ongelukkige titel Christelijke Beschouwingen over, enz. Want hoewel zijn haastig geschreven artikel niets onchristelijks bevatte, paste een dergelijke titel in geen enkel opzicht bij de zaak in kwestie." Deze boodschap bracht ik woordelijk en schriftelijk over aan kapelmeester Bach, die mij, onder dagtekening 26 mei 1750, het volgende antwoord zond: "Aan de heer Schröter verzoek ik u mijn complimenten over te brengen tot ik weer in staat ben te schrijven, daar ik de schuld van de veranderingen in zijn kritiek van de hand wil wijzen, daar deze in het geheel niet aan mij te wijten zijn; integendeel, zij zijn geheel de schuld van de man die voor de uitgave gezorgd heeft. Hierop volgde het antwoord van de heer Schröter van 5 juni 1750: "De kapelmeester Bach blijft in gebreke, hoe hij zich ook wendt of keert, nu of in de toekomst. Maar hij kan aan deze zaak een goed en spoedig einde maken, indien hij (1) openlijk zal erkennen, dat hij de auteur is van de Christelijke Bespiegelingen. N.B. mut [zijn aandeel aanpassen]; (2) blootleggen dat rector Biedermanns voornaamste doel, ondanks zijn titel, helemaal niet gericht was op de lof van de muziek en haar verwante kunsten, en dat de tweeënhalf bladen Flosculi in laudem Musices slechts een gescheurde bedekking vormen waardoor zijn onvriendelijke houding tegenover de onschuldige muziekkunst duidelijk te zien is; (3) tegelijkertijd moet de onbekende auteur van de bespiegelingen, waarvan beweerd wordt dat ze "eerlijk" zijn, uitgedaagd worden om zichzelf te identificeren. "Een dergelijke actie van de kant van een kapelmeester zou de heer Bach inderdaad een ongewone eer bewijzen, onze heer Mattheson een onverwacht en welverdiend genoegen verschaffen, en bijdragen tot de verdere groei van de edele kunst der muziek. Dit goedbedoelde voorstel wordt gedaan, met het verzoek om het met de meest gehoorzame complimenten naar Leipzig over te brengen, door C. G. Schröter." Overeenkomstig mijn plicht kon ik niet anders doen dan kapelmeester Bach hiervan op de hoogte te brengen. Maar omdat hij zo snel daarna overleed, had ik niet de eer een antwoord van hem te ontvangen.

[noot: zie voor Schröter ook de brief van 13 juli 1716]. Schröter was net als Bach ook lid van de Mizlerclub

[noot: Mattheson schreef hierover: "Een onedele en walgelijke uitdrukking, een kapelmeester onwaardig; een armzalige toespeling [woordspeling] op het woord: Rector."]

1751 ['mededeling' bij 'die Kunst der Fuge']


op de achterzijde van de titelpagina van de eerste druk, 1751

Wijlen de auteur van dit werk werd door zijn oogziekte, en door zijn dood, die er kort op volgde, verhinderd de laatste Fuga, waarin hij zichzelf bij het begin van het derde onderwerp bij naam noemt [in de noten B A C H, in Duitse notatie, waarbij B een Bes is en H een B], tot een einde te brengen; daarom wilde men de vrienden van zijn muze schadeloos stellen door het vierstemmige kerkkoraal op te nemen dat aan het slot werd toegevoegd en dat de overleden man in zijn blindheid in een opwelling van het moment aan de pen van een vriend [schoonzoon Altnickol] dicteerde.

1751 [eerste druk van 'die Kunst der Fuge']


titelblad

'Die Kunst der Fuge', door Dhr. Johann Sebastian Bach, wijlen Kapelmeester en Muziekdirecteur te Leipzig.

Leipzig, 8 augustus 1751 [deel van een document m.b.t. de opvolger Bach aan de St. Thomasschool]


Opvolger Bach aan de St. Thomasschool

...De heer Bach zou een groot musicus geweest zijn, maar geen schoolman ['Schulmann'], en daarom moet, wanneer hij zijn ambt als cantor in de Thomasschool opneemt, gezocht worden naar een persoon die bekwaam is in beide, en hij geloofde dat beide gevonden zouden worden bij de heer [Gottlob] Harrer, ...

Leipzig: 1 juni 1751 [Bachs zoon C.Ph.E.Bach plaatst advertentie in de 'Leipziger Zeitungen' m.b.t. 'Die Kunst der Fuge']


Publicatieaankondiging door Carl Philipp Emanuel Bach in de Leipziger Zeitungen, 1 juni 1751

Publicatieaankondiging door Carl Philipp Emanuel Bach in de Leipziger Zeitungen, 1 juni 1751

Hierbij wordt bekend gemaakt dat exemplaren van 'Die Kunst der Fuge' in 24 voorbeelden, gecomponeerd door Joh. Seb. Bach, voormalig kapelmeester en muziekdirecteur te Leipzig, in de meest talrijke en uitstekende boekhandels in Duitsland te verkrijgen zijn. Aangezien het werk ongeveer 70 platen omvat en veel geld heeft gekost, zal een intekenprijs van 5 thaler voor de bundel, die in de exemplaren uitvoeriger wordt beschreven, worden geaccepteerd in de beste boekhandels, evenals bij de weduwe [Anna Magdalena] Bach in Leipzig, bij de heer Music-Director [Wilhelm Friedemann] Bach in Halle, bij de Koninklijke Kamermusicus [Carl Philipp Emanuel] Bach in Berlijn, en bij de organist [Johann Christophl Altnicol] in Naumburg. Deze abonnementsperiode loopt tot de komende Michaelsmarkt van Leipzig, op welk moment het werk tegen betaling van het abonnementsbonnetje zonder verdere kosten zal worden geleverd.

Leipzig: 1752 [over Bachs gewicht in de ontwikkeling van het orgelspel]


Johann Joachim Quantz

Reeds in de vorige eeuw, in feite vanaf het midden daarvan, begonnen enkele beroemde mannen - van wie sommigen zelf Italië of Frankrijk hadden bezocht en daar profijt van hadden getrokken, terwijl anderen de werken en de smaak van vermaarde buitenlanders tot voorbeeld namen - te streven naar verbetering van de muzikale smaak. De organisten en klavierspelers - onder de laatsten vooral Froberger en na hem Pachelbel, en onder de eersten Reinken, Buxtehude, Bruhns en enkele anderen - waren bijna de eersten, die voor hun instrumenten de smakelijkste instrumentale composities van hun tijd ontwierpen. Maar vooral de kunst van het orgelspel, die voor een groot deel van de Nederlanders was geleerd, was in deze tijd al in een hoge staat van ontwikkeling, dankzij de bovengenoemde en enkele andere bekwame mannen. Tenslotte bracht de bewonderenswaardige Johann Sebastian Bach het tot zijn grootste volmaaktheid in recente tijden. We kunnen alleen maar hopen dat het nu, na zijn dood, dankzij het kleine aantal mensen dat zich er nog voldoende voor inzet, niet opnieuw in verval of zelfs in verval zal raken.

1752 [Marpurg in het voorwoord voor de 'Kunst der Fuge', uitgave van 1752]


Door Friedrich Wilhelm Marpurg

Als ik ermee heb ingestemd de geachte erfgenamen van wijlen kapelmeester Bach een voorwoord te geven bij dit werk, dan is dat met des te meer genoegen omdat ik op die manier de gelegenheid krijg om in het openbaar mijn respect voor de as van deze beroemde man opnieuw tot uitdrukking te brengen. En dit doe ik bovendien met het grootste gemak, omdat ik mij de moeite kan besparen om mijn toevlucht te nemen tot de conventionele versieringen van de retoriek. De naam van de componist is voldoende aanbeveling voor een werk van deze aard. Men zou een gebrek aan vertrouwen in het inzicht van muzikale kenners hebben, als men hun zou vertellen dat in dit werk de meest verborgen schoonheden schuilen die voor de muziekkunst mogelijk zijn. Een uitstekend musicus te zijn en de deugden van de late Bach niet te waarderen is een contradictie. In de gedachten van allen die het geluk hadden hem te horen, zweeft nog steeds de herinnering aan zijn verbazingwekkende vaardigheid in inventie en improvisatie; en zijn prestaties, even uitstekend in alle toonsoorten, in de moeilijkste passages en figuren, werden altijd benijd door de grootste meesters van het klavier. Maar als men zijn werken bekijkt, zou men ook de conclusie kunnen trekken, alles in aanmerking nemende wat er ooit in de muziek van heden en verleden is voorgevallen, dat niemand hem heeft overtroffen in grondige kennis van de theorie en praktijk van de harmonie, of, mag ik zeggen, in de diepe en bedachtzame uitvoering van ongewone, ingenieuze ideeën, ver verwijderd van de gewone gang van zaken, en toch spontaan en natuurlijk; ik zeg natuurlijk, in de zin van die ideeën die door hun diepzinnigheid, hun samenhang en hun organisatie de bijval van iedere smaak moeten kunnen wegdragen, uit welk land dan ook. Een melodie die alleen overeenstemt met de smaak van een bepaalde tijd en plaats, heeft alleen waarde zolang die smaak overheerst. Laat het maar aan de fantasie over om meer plezier te beleven aan een andere vorm van expressie, en die smaak valt weg. Natuurlijke en overtuigende gedachten die hun waarde behouden in alle tijden en plaatsen. Dergelijke gedachten zijn te vinden in alle stukken die ooit uit de pen van wijlen de heer Bach zijn gevloeid. Het huidige werk getuigt opnieuw van dit feit. Niets is betreurenswaardiger dan dat hij door zijn oogziekte, en zijn dood kort daarna, verhinderd werd het werk zelf te voltooien en te publiceren. Zijn ziekte verraste hem midden in de uitwerking van de laatste fuga, waarin hij, met de introductie van het derde thema, zichzelf bij naam noemt. Maar wij zijn trots te mogen denken dat de hier toegevoegde vierstemmige koraalfantasie, die de overledene in zijn blindheid ex tempore aan een van zijn vrienden [schoonzoon Altnickol] dicteerde, dit gemis zal goedmaken en de vrienden van zijn Muze zal compenseren. Dat alle verschillende soorten fuga's en contrapunten in dit werk gebaseerd zijn op hetzelfde hoofdthema in D mineur, of D la Re met de kleine terts, en dat alle stemmen daarin ononderbroken zingen, waarbij elke stem even grondig wordt uitgewerkt als de andere - deze dingen zijn onmiddellijk duidelijk voor iedere kenner van de kunst. Een bijzondere verdienste van dit werk is het feit dat alles wat het bevat in partituur is gezet. Maar de voordelen van een goede partituur zijn al lange tijd onbetwistbaar. Voor mij heeft dit werk echter de gelegenheid geboden om de aard van de fuga nader te onderzoeken en de regels die intussen voor de constructie ervan zijn opgesteld, daarmee te vergelijken. Mijn wens om zoveel als in mij ligt aan de verbreiding van de muziek te wijden, heeft mij tot het besluit gebracht mijn beschouwingen over dit onderwerp zo spoedig mogelijk aan de wereld ter overweging voor te leggen. Aangezien de regels van de fuga over het algemeen samen met de andere beginselen van de muzikale compositie zijn behandeld, kunnen vele muziekliefhebbers die de grote en lange werken over compositie niet bij de hand hebben, hier hun voldoening uit putten. Maar dat de regels van de fuga niet zo algemeen bekend en zo algemeen kunnen zijn als bijvoorbeeld de regels voor het maken van een menuet, bewijst de ervaring. Vroeger was de vaardigheid in fuga zo onontbeerlijk voor een componist, dat niemand een muzikale betrekking kon bereiken, die een bepaald onderwerp niet in alle soorten contrapunt en in een regelmatige fuga had uitgewerkt. In die tijd zou niemand het lef hebben gehad om een plaats onder de virtuozen op te eisen met een stuk dat was samengesteld uit geleende stukjes, jongleerkunstjes en straatdeuntjes. Men was van mening dat in een fuga van vierentwintig maten meer diepgang en wetenschap konden overheersen dan in een concerto van vier meter lang; en dat er veel meer kunst voor nodig was om een ononderbroken lied op papier te zetten, zonder een heleboel haltes en beginpunten, dan een melodie die ophield voor allerlei capriolen om de smaak te prikkelen, zoals dat heet. Daarom werd de fuga gerekend tot de mooiste ornamenten van de kerk- en kamermuziek. Hoewel men nog steeds een voorbeeld kan ontdekken hier en daar in de eerste [kerkmuziek], uit de tweede [kamermuziek] is zij geheel verdwenen. De muzikale uitvoerende, de man die alleen werken mag spelen die niet van hem zijn, en die niet voor eigen rekening mag denken en schrijven, kent de fuga alleen van naam. De hedendaagse componist, die de fuga beschouwt als het kind van een oude aberratie, geeft de uitvoerende geen gelegenheid om zijn toehoorders de charmes van een fuga duidelijk te maken. Zo blijft het mannelijke element, dat in de muziek zou moeten overheersen, geheel afwezig; want men mag zonder meer aannemen, dat de componist, die zich in het bijzonder met fuga's en contrapunten vertrouwd heeft gemaakt - hoe barbaars dit laatste woord ook moge klinken in de tere oren van onze tijd - iets van hun smaak zal laten doorklinken in al zijn andere werken, hoe galant zij ook bedoeld zijn, en zich zal afzetten tegen de zich verbreidende onzin van het vrouwelijk lied. Het is te hopen dat dit werk een bron van inspiratie zal zijn en de levende voorbeelden van zovele rechtschapen mensen, die men nu en dan aan het hoofd of in de gelederen van een muziekorgaan ziet, zal helpen om, tegenover de hoppige melodisering van zovele hedendaagse componisten, de waardigheid van de harmonie in zekere mate te herstellen.
Tijdens de Leipziger Paaskermis, 1752*
MARPURG

1752 [over de 'Kunst der Fuge']


Door Johann Mattheson

Johann Sebastian Bach's zogenaamde Kunst der Fuga, een praktisch en schitterend werk van 70 platen in folio, zal op een dag alle Franse en Italiaanse fuga-makers in verbijstering brengen - althans in die mate dat zij het werkelijk kunnen doorgronden en begrijpen, om niet te spreken van het spelen ervan. Hoe zou het dan zijn, als iedere buitenlander en iedere landgenoot zijn louis d'or riskeerde op deze zeldzaamheid? Duitsland is en blijft het ware land van het orgel en de fuga.

Leipzig: 1753 [over Bach en de soorten Fuga's: streng en vrij]


Friedrich Wilhelm Marpurg

Er zijn twee soorten echte fuga's, die zich onderscheiden naar de behandeling van het fuga-thema: (A) Een strikte fuga, fuga obligata, is een fuga waarin geen ander materiaal dan het thema wordt behandeld, d.w.z, waarin het thema na de uiteenzetting (zo niet geheel, dan toch ten dele) als het ware in de ene toegang na de andere verschijnt, en waarin bijgevolg alle contrapunten en tussenspelen zijn afgeleid van het hoofd-thema of van het contrapunt dat het eerst verschijnt tegen het antwoord, door middel van deling, vermeerdering, vermindering, tegengestelde beweging enz.; dit alles echter samengebonden door imitatie en een samenhangende en solide harmonie. Wanneer zo'n strenge fuga lang is uitgewerkt, en er allerlei andere kunstgrepen (mogelijk gemaakt door de vele soorten imitatie, dubbel contrapunt, canon, en verandering van toonsoort) in zijn aangebracht, wordt zo'n stuk met de Italiaanse naam Ricercare of Ricercata aangeduid - een kunstfuga, een meesterfuga. Dat is de aard van de meeste fuga's van wijlen kapelmeester Bach. (B) Een vrije fuga, fuga libera, solutes, sciolta, is een fuga waarin het hoofdthema niet voortdurend wordt behandeld, d.w.z. waarin het niet steeds na de ander verschijnt, hoewel vaak genoeg, en waarin, wanneer het hoofdthema wordt verlaten, een kort, goed gekozen tussenspel wordt uitgewerkt door imitatie en transpositie - dat gelijkenis vertoont met het hoofdthema of met het contrapunt dat voor het eerst verschijnt tegen het antwoord, en daarmee verwant is, hoewel het er niet altijd van is afgeleid. Dat is de aard van de meeste fuga's van Händel.

Leipzig: 1753/1754 [canon BWV 1072]


Friedrich Wilhelm Marpurg's 'Verhandeling over de Fuga'

8-stemmige canon in tegengestelde beweging, voor 2 koren. De 'trias harmonica'. Uit Marpurgs boek 'Abhandlung von der Fuge' uit 1753/54. Het is onbekend wanneer het geschreven is. Misschien tijdens het bezoek van Marpurgs bezoek aan Bach in diens latere jaren, zie het paneeltje bij 1760.

Leipzig: 1753 [Bachs zoon C.Ph.E.Bach over vingerzetting]


C.Ph.E. Bach

Wijlen mijn vader vertelde mij dat hij in zijn jeugd grote mannen had gehoord die de duim niet gebruikten, behalve wanneer het nodig was voor een grote spreiding. Aangezien hij leefde in een tijd waarin er geleidelijk een heel opmerkelijke verandering in muzikale smaak plaatsvond, was het nodig een veel omvattender systeem van vingerzetting uit te denken, en vooral om de duim (die afgezien van ander gebruik, geheel onmisbaar is, vooral in de moeilijke toonsoorten) te gebruiken op de manier zoals de natuur het, als het ware, gebruikt wil zien worden. Zo werd de duim plotseling uit zijn vroegere status verheven tot de positie van de voornaamste vinger. Daar deze nieuwe vingerzetting van dien aard is, dat men er allerlei dingen op het juiste moment mee kan realiseren, gebruik ik ze . . . als basis.

1754 [uit de 'Abhandlung von der Fuge II']


Friedrich Wilhelm Marpurg

Opgedragen aan de meest Waardige Broeders, Dhr. Wilhelm Friedemann Bach, Muziek Directeur en Organist in Halle, en Dhr. Carl Philipp Emanuel Bach, Koninklijke Pruisische Kamermusicus. Hoogachtbare, Hooggeachte Heren, ik ben zo vrij Uwe Edelachtbaren de beginselen voor te leggen van een kunst die haar verbetering in het bijzonder te danken heeft aan de voortreffelijke inspanningen van Uw beroemde Vader. Men behoeft niet eens een halve eeuw terug te kijken om het gelukkige moment te ontdekken waarop een begin werd gemaakt met het combineren van fantasierijke harmonische veranderingen met een aangename en eensluidende melodie. Juist toen de wereld in een andere richting begon te degenereren, toen het maken van lichte melodieën de overhand kreeg en men moe werd van moeilijke harmonieën, was wijlen de Kapelmeester degene die de gulden middenweg wist te bewandelen, en ons leerde hoe een aangename en vloeiende melodie gecombineerd kon worden met de rijkste harmonieën. De ervaring leert, heren, dat een gelukkige combinatie van deze twee elementen het eigendom van uw familie is gebleven. Als de erfenis van een beroemde naam een factor is die de wereld in iemands voordeel stelt, is het nog veel voortreffelijker om dit voordeel door eigen verdiensten te vergroten. De bekoorlijk geleerde en steeds nieuwe tonen van uw vruchtbare muze zijn al lang de verrukking van achtereenvolgens de Kerk, het Hof en de Stad; en als die smaak nog steeds als de eerlijkste wordt beschouwd waardoor het hart en het verstand samen met het oor in zachte beweging worden gebracht, dan moeten de uitvindingen van uw geest wel de navolging van het meest voorname nageslacht inspireren. Maar ik laat deze lofprijzing over aan een meer begaafde pen dan de mijne, en stel mij tevreden met de erkenning van uw verdiensten. Ik had in ieder geval slechts de bedoeling dit tweede deel van mijn verhandeling aan uw oordeel te onderwerpen. Ik aarzelde des te minder om dit te doen, daar het eerste deel gelukkig de welwillende goedkeuring van Uwe Edelachtbaren kon wegdragen. Ik grijp deze gelegenheid aan, mijne heren, om u daarvoor publiekelijk te bedanken en u de levendige achting te betuigen waarmee ik de eer heb, uw
Hoogachtende dienaar,
Berlijn, 1 februari 1754
DE AUTEUR

1754 [over de diepgang van Bachs compositiekunst]


Johann Michael Schmidt

a. De mens is inderdaad de Heer van de Toon, maar zijn lied is niet klaar zodra hij zijn mond opent om te zingen, zoals het lied van de vogels dat is. Hij moet eerst poëzie toevoegen aan zijn lied, of een lied van anderen leren. In de mate dat hij het eerste doet, vaak en met vaardigheid, wordt hij een componist genoemd. Wil hij groot en beroemd worden, dan moet hij, naast de kennis van de reeds besproken regels, alle verstandelijke vermogens in aanzienlijke mate bezitten; hij moet in staat zijn tot diep nadenken en tot ingewikkelde combinaties. Om hiervan overtuigd te zijn, volstaat het te kijken naar het in kopergravure uitgegeven koraal van Bach, die nu in het koor der engelen is opgenomen: 'Vom Himmel hoch da komm ich her'. Ik kan mij er niet van overtuigen dat de moeilijkste demonstratie in de geometrie een veel diepere en uitgebreidere overdenking vereist dan deze arbeid moet hebben gevergd.
b. Niet vele jaren geleden werd uit Frankrijk gemeld dat een man een standbeeld had gemaakt dat verschillende stukken op de traverso kon spelen, de fluit aan zijn lippen zette en weer naar beneden haalde, met zijn ogen rolde, enz. Maar nog niemand heeft een beeld uitgevonden dat denkt, of wil, of componeert, of zelfs maar iets dergelijks doet. Wie overtuigd wil worden, moet maar eens goed kijken naar het laatste fugatische werk van de hierboven geprezen Bach, dat in kopergravure is verschenen, maar door zijn blindheid onvoltooid is gebleven, en zien welke kunst daarin vervat ligt; of wat hem nog wonderlijker moet voorkomen, het koraal dat hij in zijn blindheid aan de pen van een ander dicteerde: 'Wenn wir in hechsten Nothen seyn'. Ik ben er zeker van, dat hij weldra zijn ziel nodig zal hebben, als hij al de schoonheden, die daarin vervat zijn, wil waarnemen, laat staan voor zichzelf spelen of zich een oordeel over de auteur vormen. Alles wat de voorvechters van het materialisme naar voren brengen, moet met het oog op dit ene voorbeeld ter aarde vallen.

1756 [over Bachs doorwrochte basspel]


Johann Friedrich Daube

Voor de volledige praktische toepassing van doorwrochte bassen is het noodzakelijk drie soorten te kennen: (1) de eenvoudige of gewone; (2) de natuurlijke, of dat wat het dichtst bij het karakter van een melodie of een stuk komt; (3) de ingewikkelde of samengestelde. De uitstekende Bach bezat deze derde soort in de hoogste graad; wanneer hij speelde, moest de bovenstem schitteren. Door zijn buitengewoon listige begeleiding gaf hij haar leven wanneer zij dat niet had. Hij wist haar zo knap te imiteren, hetzij met de rechterhand, hetzij met de linker, en er een onverwachte tegenstem tegenover te zetten, zodat de toehoorder zou zweren dat alles bewust was uitgeschreven. Tegelijkertijd werd de reguliere begeleiding nauwelijks ingeperkt. In het algemeen was zijn begeleiding altijd als een concertante partij die zeer consciëntieus was uitgewerkt en toegevoegd als metgezel van de bovenstem, opdat op het juiste moment de bovenstem zou schitteren. Dit recht werd soms zelfs aan de bas gegeven, zonder de bovenstem te kleineren. Het volstaat te zeggen dat iedereen die hem gemist heeft, heel wat gemist heeft.

Leipzig: Berlijn, 14 september 1756 [Bachs zoon C.Ph.E.Bach biedt de drukplaten van 'Die Kunst der Fuge' aan, via zijn uitgever]


Van C.Ph.E. Bach aan diverse uitgevers

Een aanbieding aan uitgevers voor de platen, door Carl Philipp Emanuel Bach (14 september 1756), Berlijn. Uitgevers van praktische* muzikale kunstwerken worden hierbij op de hoogte gesteld van mijn besluit om de schoon en nauwkeurig gegraveerde koperen platen van het fugatische werk (enige jaren geleden aangekondigd) van wijlen mijn vader, kapelmeester Joh. Seb. Bach, direct, voor een redelijke prijs, te verkopen. Het aantal daarvan bedraagt een zestigtal, en ze wegen ongeveer honderd pond. Over de intrinsieke waarde van dit werk behoeft niet veel te worden gezegd, daar het respect van kenners van dit soort werk voor wijlen mijn vader, vooral met betrekking tot de fuga, van welke aard en vorm dan ook, nog steeds niet is uitgestorven. Maar het is mij toegestaan dit op te merken: dat het het meest volmaakte praktische fugatische werk is, en dat iedere leerling van de kunst, met behulp van een goed theoretisch leerboek, zoals dat van Marpurg, er noodzakelijkerwijs uit moet leren een goede fuga te maken, en dus voor zijn onderricht geen mondelinge leraar nodig heeft, die vaak geld genoeg rekent voor het overdragen van het geheim van de fuga. Dit werk is tot nu toe verkocht voor 4 reichsthaler per exemplaar. Er zijn echter slechts ongeveer 30 exemplaren van verkocht, omdat het nog niet overal bekend is; en omdat mijn verplichtingen in dienst van Zijne Majesteit mij niet toestaan veel of langdurig te corresponderen, en het dus niet overal bekend te maken zoals het zou moeten, is dat de reden dat ik heb besloten mij ervan te ontdoen. Geinteresseerde heren kunnen zich schriftelijk tot mij wenden, hier in Berlijn, en kunnen er zeker van zijn dat ik de platen zal overdragen, zonder vertraging of complicaties te veroorzaken, op het eerste aanvaardbare aanbod dat iemand mij doet, zodat via zijn bredere kring van kennissen het werk overal bekend kan worden, ten voordele van het publiek.

[*noot: muziek die dient om uitgevoerd te worden, i.t.t. gegraveerde muzieknotatie t.b.v. theoretische kennisoverdracht]

1758 [over Bachs orgelkoralen]


Jakob Adlung

1760 [Bachs opvattingen over afwisseling en 'declamatie' in fugatische composities]


Friedrich Wilhelm Marpurg

a. Over afwisseling
Bedenk eens hoe vaak het hoofdthema in een fuga moet worden gehoord. Als het bovendien voortdurend in dezelfde toonsoort moet klinken, in een hoger of lager octaaf, met niets anders ertussen, altijd op dezelfde manier, is het dan mogelijk om je weerzin te bedwingen? Zo dacht de grootste fuga-maker van onze tijd, de oude Bach, er waarlijk niet over. Hoeveel vernuftige omzettingen van het hoofdthema, hoeveel prachtig uitgewerkte toonsoorten zijn er niet gemaakt? Hoeveel vernuftige omzettingen van het hoofdmotief, hoeveel prachtig geassorteerde nevenideeën vindt men er niet in! Zelf heb ik hem eens, toen ik tijdens mijn verblijf in Leipzig met hem bepaalde zaken betreffende de fuga besprak, de werken van een oude en hardwerkende contrapuntist droog en houterig horen verklaren, en sommige fuga's van een modernere en niet minder grote contrapuntist - dat wil zeggen in de vorm waarin ze voor klavier zijn gearrangeerd - pedant; ten eerste omdat de componist voortdurend bij zijn hoofdthema bleef, zonder enige verandering; en ten tweede omdat hij, althans in de fuga's waarover het hier gaat, niet genoeg vuur had getoond om het thema door tussenspelen nieuw leven in te blazen. Het komt mij voor dat de voorbeelden en oordelen van zo'n groot man als de oude Bach, die (bij wijze van spreken) allerlei papieren spitsvondigheden uit zijn mouw schudde, waarvan er één menigeen dagenlang zou doen zweten, en hoogstwaarschijnlijk 'tevergeefs', naast de oordelen van de oude Bach, zeg ik, aanzienlijk bijdragen tot de bevestiging van een principe van muzikale praktijk dat reeds door het gevoel wordt bevestigd.
b. Over declamatie
Strikte en nauwkeurige naleving van de regels van nobele declamatie in een meerstemmige fuga, alsof het een cavatina zou zijn, zou bijna onrechtvaardig zijn. Het zou inderdaad een duidelijk onrecht zijn, indien men dit zonder uitzondering voor de gehele fuga zou eisen. Maar wie heeft dat laatste eigenlijk ooit geëist? Nooit, zelfs niet hij [Kirnberger] in zijn gehele kritiek. Ik hoop echter dat Legatiesecretaris Mattheson het gaarne met mij eens zal zijn dat een juiste en exacte declamatie, in acht genomen in een fugatisch thema of themas, als er meerdere zijn, de fuga in zijn geheel oneindig veel meer doorzichtigheid en duidelijkheid geeft dan het tegendeel. Met groot genoegen herinner ik mij een zekere fuga van wijlen dhr. J. S. Bach op de woorden: 'Nimm, was dein ist, und gehe hin' [BWV 144/11 ] (De tekst was niet dramatisch, men zou zich daarbij een koor van vermaners kunnen voorstellen).Deze fuga riep een hoogst ongewone oplettendheid en bijzonder genot op, zelfs bij de meeste muzikaal onervaren toehoorders, wat zeker niet kwam door de contrapuntische kunstgrepen, maar door de voortreffelijke declamatie die NB. de componist toepaste op het onderwerp en, bij wijze van een klein speciaal spel, op de frase 'gehe hin'. De waarheidsgetrouwheid, het natuurlijke karakter en de precies passende juistheid van de declamatie werden onmiddellijk door ieders oren opgepikt. Ik zou kunnen verwijzen naar verschillende soortgelijke fuga's van anderen, maar in het bijzonder van de eerder genoemde grote meester. Ik geef echter toe dat het vaak moeilijk is en ook niet altijd en voortdurend mogelijk is om in de thema's van een fuga goed op de declamatie te letten, vooral als het thema voor bepaalde contrapuntische kunstgrepen moet worden gebruikt. Tegelijkertijd zou menige harmonische kunstmatigheid door een juiste declamatie kunnen worden opgehelderd.

Leipzig: 1765 [Bachs zoon C.Ph.E.Bach, diens voorwoord bij de eerste publicatie van de eerste set van 100 koralen in 1765]


C.Ph.E.Bach

De voorbereiding van deze verzameling werd mij door de uitgevers toevertrouwd nadat reeds verschillende bladen waren gedrukt. Zo kon het gebeuren dat er vier koralen in werden opgenomen die niet het product zijn van mijn vaders pen. Deze vier koralen vindt men onder de nrs. 6, 15, 18 en 31. De rest van de koralen, zowel in dit deel als in de volgende, zijn allemaal geschreven door mijn overleden vader, en oorspronkelijk op vier notenbalken gezet voor vier zangers. Om de liefhebbers van orgel en klavier tegemoet te komen, zijn ze op twee notenbalken gezet, omdat ze in die vorm gemakkelijker te lezen zijn. Indien men ze vierstemmig wil zingen en sommige ervan het bereik van bepaalde kelen te boven gaan, kunnen ze getransponeerd worden. Op die plaatsen waar de bas zo laag gaat, ten opzichte van de andere stemmen [afhankelijk van de eventuele transpositie], dat hij niet zonder pedalen gespeeld kan worden, speelt men het hogere octaaf, en men neemt het octaaf eronder als de bas boven de tenor komt. Vanwege deze laatste omstandigheid rekende wijlen de auteur voor de bas op een instrument van 16 voet, dat altijd met deze liederen meespeelde. Om tegemoet te komen aan diegenen wier gezichtsvermogen zwak is, en aan wie bepaalde zettingen onjuist zouden kunnen lijken, is de progressie van de stemmen waar nodig aangegeven door enkele en dubbele schuine lijnen. Ik hoop ook door deze verzameling veel tot nut en tot genoegen bij te dragen, zonder iets te hoeven citeren dat de harmonie van deze liederen prijst. De overleden auteur behoeft mijn aanbeveling niet. Men was gewend van hem niets dan meesterwerken te zien komen. Ook kenners van de componeerkunst kunnen zich niet van deze bundel onthouden, wanneer zij met gepaste aandacht stilstaan bij de heel bijzondere ordening van de harmonie en het natuurlijke verloop van de binnenstemmen en de bas, die deze koralen bovenal onderscheiden. Hoe nuttig kan een dergelijke beschouwing zijn voor hen die de kunst van het componeren willen leren! En wie ontkent tegenwoordig nog het voordeel van een schrijfonderricht waarbij men met koralen begint in plaats van met een rigide en belerend contrapunt? Tenslotte kan ik de liefhebbers van geestelijke liederen verzekeren dat deze verzameling een volledig koraalboek zal vormen. Dit deel zal gevolgd worden door twee andere, en samen zullen ze meer dan 300 liederen bevatten.

Leipzig: Na 1765 [uit een brief van Bachs zoon C.Ph.E.Bach aan uitgever Christoph Gottlieb von Murr m.b.t. het 'Orgel-Büchlein']


Van Carl Philipp Emanuel Bach aan Christoph Gottlieb von Murr

Ik heb, van de hand van mijn wijlen mijn vader en door hem gecomponeerd, 60 koraaluitwerkingen*, waarvan er geen enkele behoort tot die welke door Birnstiel zijn gedrukt. Deze 60 koralen zijn eigenlijk geschreven voor orgel, manualiter en pedaliter, hoewel ze heel goed op klavecimbel kunnen worden uitgevoerd. Ze zijn allemaal genoteerd op twee notenbalken. De meeste zijn kort gehouden, waarbij de cantus firmus direct door een van de partijen wordt gevoerd. Tussen de frasen kunnen kleine rusten de cantus firmus voorkomen, terwijl de andere delen doorgaan. Vele zijn uitgebreider uitgewerkt, in die zin dat sommige nauwelijks op twee pagina's kunnen worden ondergebracht. Voor alle is alleen orgel nodig, zonder toevoeging van een ander instrument of een andere stem. Zij zijn nog niet bekend; daar ik mij er echter van bewust ben, dat zij (waar zij ook gewild zullen worden) in goede handen zullen vallen, in vriendschap naar wijlen mijn lieve vader toe, laat ik ze los en stel ze in nette kopie ter beschikking. Het zijn alle meesterwerken, met nog meer werk en kunst dan uit de geleverde monsters blijkt. Voor de communicatie en kopie, in goede vriendschap, vraag ik niet meer dan 40 thaler in goed goud, of 8 louis d'or. Bezit mijn goede vriend de Kunst der Fuga van wijlen mijn vader?

[*noot: het lijkt hier te gaan om het Orgel-Büchlein, dat echter uiteindelijk slechts 46 stukken bevatte].

1768 [aantekeningen bij Bach in Jakob Adlung's 'Musica mechanica organoedi']


Door Johann Friedrich Agricola

a. Over tongwerken In vele oude orgels van Duitsland, b.v. in de St. Catharinakerk te Hamburg, en in andere, en zelfs in vele nieuwe, prachtige orgels van Frankrijk, zijn de tongwerken in vrij grote aantallen aanwezig. De grootste organist en kenner van orgels in Duitsland, en misschien wel in Europa, wijlen kapelmeester Bach, was een grote vriend van de tongwerken; hij moet geweten hebben wat er op gespeeld kon worden, en hoe. Is het gemak van sommige organisten en orgelbouwers werkelijk reden genoeg om zulke registers te verachten (omdat ze gemakkelijk uit de toon vallen), ze uit te schelden en ze te elimineren? In het orgel van de St. Catharina in Hamburg staan 16 tongwerken. Wijlen kapelmeester J.S. Bach in Leipzig, die zich eens twee volle uren liet horen op dit instrument, dat hij in al zijn onderdelen uitstekend noemde, kon de schoonheid en de verscheidenheid van klank van deze tongwerken niet genoeg prijzen. Het is ook bekend, dat de beroemde vroegere organist van deze kerk, de heer Johann Adam Reinken, ze altijd op de beste toon hield.
b. Over registers met lage stemmen verzekerde wijlen kapelmeester Bach in Leipzig dat het 32-voets prestant en de pedaaltrombone in het orgel van de St. Catharina in Hamburg gelijkmatig en goed hoorbaar spraken tot in de laagste C. Maar hij placht ook te zeggen dat dit prestant het enige was dat hij had gehoord dat zo goed was, van een dergelijke omvang.
c. Over de lengte van de toetsen . . . Het is goed om de manualen zo kort mogelijk te houden. Want als er drie of vier zijn, kan de speler met veel meer gemak van het ene naar het andere manuaal gaan als de manualen kort zijn. Hij kan in een rechte zithouding blijven, zelfs als hij op het vierde of zelfs vijfde manuaal wil gaan spelen. Bij sommige orgels met lange manualen moet hij echter rugpijn krijgen als hij een tijdlang zelfs op het derde manuaal (van onder naar boven gerekend) wil spelen. Wie de gewoonte heeft zijn vingers goed te plaatsen, weet dat hij bij het spelen nooit een vinger recht moet uitstrekken. Waarom heeft hij dan zulke lange klavieren nodig? Wat de breedte van de toetsen betreft, is het bekend dat vooral in Brandenburg de toetsen smaller zijn gemaakt dan elders, maar nog niemand heeft zijn vingers tussen de halve tonen klem kunnen zetten. Zijn er dan reuzen in Thüringen? Een zekere organist, die zeer brede schoenen droeg, had de pedalen van zijn orgel, waarop hij toch al niet veel kon spelen, zo ver uit elkaar laten staan, dat iemand anders, die op deze pedalen meer wilde spelen dan de bastoon die de pink van de linkerhand al vertegenwoordigde, zich gemakkelijk had kunnen blesseren. De Fransen maken zeer terecht zelfs de toetsen van hun klavecimbels korter dan in Duitsland; maar niemand heeft daar tot nu toe over geklaagd. De halve tonen moeten in ieder geval aan de bovenkant iets smaller zijn dan aan de onderkant. Zo eiste wijlen kapelmeester Bach dat ze waren, en hij hield om bovengenoemde redenen ook van korte toetsen op het orgel.
d. Op Silbermann's pianofortes . . . De heer Gottfried Silbermann had aanvankelijk twee van deze instrumenten gebouwd. Een ervan werd gezien en bespeeld door de overleden kapelmeester, dhr. Sebastian Bach. Hij loofde, ja bewonderde, de toon, maar klaagde dat het te zwak was in het hoge register en te moeilijk te bespelen (d.w.z. het mechaniek was te zwaar). Dit werd zeer verkeerd opgevat door de heer Silbermann, die het niet kon verdragen dat er fouten werden gevonden in zijn handwerk. Daarom was hij lange tijd boos op de heer Bach. En toch zei zijn geweten hem dat de heer Bach geen ongelijk had. Daarom besloot hij - tot zijn grote eer, het zij gezegd - geen instrumenten meer af te leveren, maar des te harder na te denken over hoe de fouten die de heer J.S. Bach had geconstateerd, konden worden weggewerkt. Hij werkte hier vele jaren aan. En dat dit de werkelijke oorzaak van dit uitstel was, betwijfel ik des te minder omdat ik het de heer Silbermann zelf openhartig heb horen toegeven. Tenslotte, toen de heer Silbermann werkelijk vele verbeteringen had bereikt, met name wat betreft de actie, verkocht hij er weer een aan het Hof van de Prins van Rudolstadt. Kort daarna liet Zijne Majesteit de Koning van Pruisen een van deze instrumenten bestellen, en toen het Zijne Majesteit's zeer genadige goedkeuring wegdroeg, liet hij er nog verscheidene bestellen bij de heer Silbermann. De heer Silbermann had ook de lovenswaardige ambitie om een van deze instrumenten van zijn latere makelij aan wijlen kapelmeester Bach te laten zien en door hem te laten onderzoeken; en hij ontving op zijn beurt de volledige goedkeuring van hem.
e. Bach's luit-klavecimbel De schrijver van deze aantekeningen herinnert zich, dat hij omstreeks het jaar 1740 in Leipzig een luit-klavecimbel ontworpen door de heer Johann Sebastian Bach en uitgevoerd door de heer Zacharias Hilde-brand[t)] heeft gezien en gehoord, dat kleiner was dan het gewone klavecimbel, maar in alle andere opzichten gelijk was aan elk ander klavecimbel. Het had twee sets darmsnaren, en een zogenaamd klein octaaf (Octävchen) van koperen snaren. Het is waar dat het in zijn normale stand (d.w.z. wanneer slechts één register was getrokken) meer klonk als de theorbe dan als de luit. Maar wanneer het register dat op klavecimbels het luitregister wordt genoemd . . . samen met het cornetregister werd getrokken, was het bijna mogelijk om zelfs professionele luitspelers te misleiden. De heer Friderici maakte ook dergelijke instrumenten, maar met enkele wijzigingen.

29 mei 1769 [Bachs zoon C.Ph.E.Bach, waarschuwing aan het publiek m.b.t. de eerste publicatie van de tweede set Koralen in 1769]


C.Ph.E. Bach aan het publiek

De heer Birnstiel in Berlijn heeft onlangs met evenveel schaamteloosheid als onwetendheid op muziekgebied het Tweede Deel van de Vierdstemmige koralen van Johann Sebastian Bach uitgegeven, waarvan ik de ware samensteller ben, zonder mij daarvan ook maar in de geringste mate op de hoogte te stellen. Ik heb ze een beetje bekeken en vond er een grote massa fouten van allerlei soort in. Verbittering en afkeer weerhielden mij ervan alles door te nemen, omdat ik uiteindelijk fouten vond die zelfs een beginneling in compositie niet gemakkelijk zou maken. Ik ben in staat een ieder die mij daarom verzoekt op de fouten te wijzen en hem bij wijze van contrast mijn origineel te laten zien. Aangezien door deze uitgave de eer van de grote overledene en mijn eigen eer als samensteller zeer ernstig zijn aangetast, verklaar ik hierbij openlijk onschuldig te zijn en waarschuw ik het publiek ten zeerste zich niet te laten verleiden tot de aankoop van dit Tweede Deel. In het bijzonder smeek ik alle vrienden van wijlen mijn vader, elke belemmering op te werpen voor de reclame voor deze werken, die tot zijn schande na zijn dood zijn verminkt; te meer daar deze verzameling nu onvergelijkelijk meer kwaad kan doen, terwijl zij van ongewoon nut had kunnen zijn voor studenten in de componeerkunst, als een praktisch leerboek van de voortreffelijkste voorbeelden. Maar hoe rijk zijn wij tegenwoordig aan leerboeken waarin juiste beginselen en voorbeelden ontbreken!

Leipzig: 21 juli 1769 [Bachs zoon C.Ph.E.Bach schrijft oud-leerling van J.S. Bach Johann Phillip Kirnberger over een nieuwe uitgave van Bachs Koralen]


Van C.Ph.E. Bach aan J.P. Kirnberger

Met dezelfde bedoelingen als de uwe, wens ik een degelijke uitgave van de koralen van mijn overleden vader. Ik ben met alles bereid akkoord te gaan. U bent de onderhandelaar. (1) Het Tweede Deel moet grondig worden ontdaan van de aangegeven fouten; (2) Ik zal zorg dragen voor het Derde en Vierde Deel, en u zult zo goed zijn om het geheel zorgvuldig door te nemen; (3) Op alle drie de delen die nog komen, evenals op het Eerste Deel, moet mijn naam staan, en ik zal de verantwoordelijkheid voor alles op mij nemen.

Leipzig: 1773 [Bachs zoon C.Ph.E.Bach over de faam van zijn vader]


C.Ph.E. Bach

Een meester in de muziek kwam hier [in Leipzig] niet voorbij zonder kennis te maken met mijn vader en zich door hem te laten horen. De grootheid van mijn vader in compositie, orgel en klavierspel was veel te bekend voor een musicus van naam om de gelegenheid voorbij te laten gaan deze grote man van dichtbij te leren kennen, als dat al mogelijk was.

Leipzig: 1773 [voorwoord C.Ph.E.Bach bij de tweede editie van de Bach Koralen]


C.Ph.E. Bach

Deze verzameling koralen is door mij na de vorige uitgave nog eens met grote zorg doorgenomen, en gezuiverd van de fouten die erin geslopen waren. Zij werden door de heer Kirnberger (aan wie ik ze reeds in 1771 had geschonken), kort voor zijn dood, aan de huidige uitgever bezorgd. In deze nieuwe druk zijn de onechte koralen, die abusievelijk in de vorige uitgave waren opgenomen, weggelaten, en de koralen die zijn afgedrukt, zowel in dit deel als in de volgende delen, zijn allemaal geschreven door mijn overleden vader.

1774 [koning Frederik's herinnering aan Bach's bezoek in Potsdam]


Door Gottfried van Swieten

Hij (Frederik de Grote) sprak met mij onder andere over muziek, en over een groot organist, Bach genaamd, die een tijdlang in Berlijn is geweest. Deze artiest is begiftigd met een talent dat qua harmonische kennis en uitvoeringskracht superieur is aan wat ik ooit heb gehoord of me kan voorstellen, terwijl degenen die zijn vader hebben gekend, beweren dat deze op zijn beurt nog groter was. De koning is deze mening toegedaan, en om het mij te bewijzen zong hij hardop een chromatisch fuga-thema dat hij aan deze oude Bach had gegeven, die er ter plekke een fuga van had gemaakt in vier stemmen, vervolgens in vijf stemmen, en tenslotte in acht stemmen.

1774 [over Bachs vierstemmige schrijfwijze]


Door Johann Philipp Kirnberger

1774 [over Bachs contrapuntische durf]


Door Johann Philipp Kirnberger

Leipzig: 26 augustus 1774 [Bachs zoon C.Ph.E.Bach biedt manuscripten en originele uitgaven aan aan J.N.Forkel]


Van C.Ph.E. Bach aan J.N. Forkel

Hierbij ontvangt u de twee boeken, voor de juiste betaling waarvan ik u hartelijk dank. Bij één ervan vindt u de zes gegraveerde koralen [BWV 645-650] in de rug gebonden. De ingeschreven aantekeningen zijn van de hand van wijlen de auteur. Daarnaast ontvangt u zes stukken van J.S. en evenveel van W. F. [Wilhelm Friedemann]. De eerste zes bevatten fraaie preludes, van bijzondere waarde voor de beginner [BWV 933-938], en de laatste bevatten het gevraagde stuk voor twee klavieren. Bijna een dozijn trio's van J. S. en enkele pedaalwerken [composities voor orgel met pedaal] van hem zijn beschikbaar. Dit is alles wat ik heb. Het is vervelend dat de spullen van mijn overleden vader zo heen en weer drijven; ik ben te oud en te druk om ze bij elkaar te houden.

Leipzig: 20 april 1774 [briefdeel: Bachs zoon C.Ph.E.Bach aan J.N.Forkel m.b.t. een portret van Bach voor de publicaties]


Van C.Ph.E. Bach aan J.N. Forkel

Wanneer ik u deze Psalmen toezend, hetgeen ik zal doen zodra ik ze op de markt ontvangen heb, zal ik het genoegen hebben u een onlangs uitgevoerde kopergravure van het portret van mijn overleden vader toe te zenden, duidelijk uitgevoerd en een eerlijke gelijkenis. Ik heb het portret van mijn vader, getekend in pastelkrijt, in mijn verzameling muziekschilderijen, waarin zich meer dan 150 beroepsmusici bevinden. Ik heb het over water uit Berlijn laten overbrengen, omdat dergelijke schilderijen met droge kleuren er niet goed tegen kunnen om over de grond te worden vervoerd; anders had ik het u heel graag toegestuurd om te worden gekopieerd.

9 augustus 1774 [briefdeel: Bachs zoon C.Ph.E.Bach aan J.N.Forkel m.b.t. een portret van Bach voor de publicaties]


Van C.Ph.E. Bach aan J.N. Forkel

Het portret van mijn overleden vader kost niets. De muziek van hem die u hebt gekregen mag u teruggeven wanneer het u uitkomt, want ik heb het niet zo dringend nodig. Er zijn geen kopieën meer te krijgen van de dingen van mijn vader die werden gegraveerd; zelfs de platen bestaan niet meer. Wat ik nog heb, namelijk het Eerste en Derde deel, zal ik u graag ter beschikking stellen, gebonden, om te worden gekopieerd, of zelfs om te worden gekocht. Het materiaal van beide kostte vroeger 6 thlr. Indien u ze niet wenst te kopiëren, zal ik u beide delen, netjes ingebonden en in zeer goede staat, voor 8 thlr. ter beschikking stellen. Ik heb het manuscript van de overledene en daar kan ik mee uit de voeten, en u heeft het exemplaar dat hij voor eigen gebruik had. Maar u moet er geen spijt van hebben.

7 oktober 1774 [uittreksel: Bachs zoon C.Ph.E.Bach biedt manuscripten en originele uitgaven aan aan J.N.Forkel]


Van C.Ph.E. Bach aan J.N. Forkel

Hamburg, december 1774 [Bachs zoon C.Ph.E.Bach verteld over het karakter van zijn vader]


Van C.Ph.E. Bach aan J.N. Forkel

Hamburg, 13 januari 1775 [antwoordbrief van Bachs zoon C.Ph.E.Bach op vragen van Bachs eerste biograaf J.N.Forkel]


Van C.Ph.E. Bach aan J.N. Forkel

1776 [over Bachs mening over de stemming van het klavier]


Door Friedrich Wilhelm Marpurg

De heer Kirnberger heeft mij en ook anderen meer dan eens verteld hoe de beroemde Joh. Seb. Bach hem, in de tijd dat hij muziekonderricht genoot bij deze laatste, de stemming van zijn klavier toevertrouwde, en hoe deze meester hem uitdrukkelijk opdroeg alle tertsen scherp te stemmen.

Leipzig, 1776 [De verhouding Ernesti en Bach]


Uit 'Historia Scholarum Lipsiensium' van Johann Friedrich Köhler

Met Ernesti (rector van de St. Thomasschool) viel Bach volledig uit elkaar. De aanleiding was de volgende. Ernesti verwijderde de Algemeen Prefect [Gottfried Theodor] Krause omdat hij een van de jongere leerlingen te streng had gestraft, verbande hem van de School toen hij vluchtte (om de openbare afranseling waartoe Ernesti hem had veroordeeld te ontlopen) en koos een andere leerling [ook een Krause] in zijn plaats als Algemeen Prefect - een voorrecht dat eigenlijk aan de Cantor toebehoort, die de Algemeen Prefect moet vertegenwoordigen. Omdat de gekozen student niet van nut was bij de uitvoering van de kerkmuziek, maakte Bach een andere keuze. De situatie tussen hem en Ernesti ontwikkelde zich tot het punt van aanklacht en tegenaanklacht, en de twee mannen waren vanaf dat moment vijanden. Bach begon die studenten te haten die zich volledig aan de humaniora wijdden en de muziek als bijzaak behandelden, en Ernesti werd een vijand van de muziek. Wanneer hij een leerling zag oefenen op een instrument, riep hij uit: "Wat? Wil je ook een biervioolspeler worden?" Door de hoge achting die de burgemeester Stieglitz voor hem had, wist hij zich te ontheffen van de taken van de speciale inspectie van de school en deze toe te vertrouwen aan de Vierde Collega. Toen Bach dus aan de beurt was om de inspectie op zich te nemen, verwees hij naar het precedent van Ernesti en kwam noch aan tafel, noch om te bidden; en dit plichtsverzuim had de slechtste invloed op de zedelijke vorming van de leerlingen. Vanaf die tijd is er weinig harmonie geweest tussen de rector en de cantor, hoewel beide functies verschillende malen zijn uitgeoefend.

[noot: de schrijver heeft dit niet zelf meegemaakt of van J.S. Bach vernomen, want is zelf pas in 1756 geboren]. Deze bron wordt echter wel vaak gebruikt in Bachbiografieën e.d., vandaar dat we hem wel op de website plaatsen.

Leipzig, na 1776 [Bach reageert op een compliment op zijn orgelspel]


Door Johann Friedrich Kohler

Er is niets opmerkelijks aan. Men hoeft alleen maar de juiste noten op het juiste moment aan te slaan, en het instrument speelt zichzelf.

1777-1783 [brieven die over de uitgaven van Bachs werk gaan]


Uit vijf brieven van Johann Philipp Kirnberger aan Johann Gottlob Immanuel Breitkopf

a. 10 mei 1777 . . . Ik heb alle beschikbare koralen van J. Seb. Bach, die ooit door de heer Birnstiel in twee delen zijn uitgegeven, maar vol fouten, en ik heb er nog 200 bij, dus in totaal meer dan 400, die mijn Doorluchtige Prinses [Amalia] van kapelmeester Bach in Hamburg heeft gekregen en waarvoor zij hem heeft betaald. De heer [C.Ph.E] Bach in Hamburg heeft niet meer het recht deze koralen uit te geven, maar alleen ik heb dat recht, en daarom is er van alle kanten op mij aangedrongen om ze te laten drukken. Maar ik heb geen zin om dat op mijn kosten te doen. Als u ze zelf wilt overnemen, kom ik graag tot een regeling met u, want het zou een groot verlies zijn als de koralen niet voor het nageslacht bewaard zouden blijven. . . .
b. 7 juni 1777 . . . Wat betreft de Bach-koralen, waarvan er nu meer dan 400 zijn, die door de heer Bach van Hamburg werden verzameld en grotendeels door hem werden uitgeschreven, en die ik nu bezit, ligt het mij zeer na aan het hart dat de koralen voor het muzikale nageslacht bewaard moeten blijven. Ik heb geenszins het idee om via een boekhandelaar of uitgever winst te maken in de wereld, en daarom heb ik er niet aan gedacht om ze te verkopen. Maar uit liefde voor de kennis en voor hun grote waarde voor jonge studenten, geef ik ze u allemaal voor niets, als ze maar het daglicht mogen zien in een mooie gedrukte vorm. Alle winsten die hieruit voortvloeien zijn voor u en niet voor mij; in ruil vraag ik slechts een paar exemplaren als geschenk, alsmede een paar voor de heer Bach, die ze van mij vroeg als de koralen door mijn toedoen in druk zouden verschijnen - hoewel ik hem er 12 Frieder. d'or contant voor stuurde, die ik als geschenk van mijn Allergenadigste Prinses ontving. . . .
c. 19 juni 1777. . . Maar eerst moet ik u vertellen hoe het Eerste en Tweede Deel door Birnstiel werden uitgegeven. In de tijd dat Marpurg in de meest ellendige en erbarmelijke omstandigheden verkeerde, sloot hij een overeenkomst met Birnstiel om hem de Bach-koralen te geven, waarbij hij voor de levering en correctie van één koraal 12 gr. eiste, wat 4 rthl. voor het hele deel betekent. Voordat dit deel klaar was, werd hij door mijn toedoen benoemd in het nieuwe Lotterie Bureau, zodat Birnstiel genoodzaakt was de Hamburgse Bach, die toen nog hier was, te vragen hem de rest van het Eerste Deel te sturen. Hij stemde toe, maar eiste voor elk koraal 1 rthl. 8 gr., in plaats van 12 gr., zodat een deel 12 rthl. bedroeg. Birnstiel voltooide het eerste deel in angst en stress, en had geen zin om met het Tweede Deel verder te gaan tegen deze hoge prijs. Op dit punt bracht hij mij uw MS., dat hij beweerde te hebben gekocht voor 30 rthl., en vroeg mij om de correcties op mij te nemen. De heer Bach was nog steeds hier, en ik weigerde (1) om geen problemen met de heer Bach te krijgen, en (2) omdat ik niet moedig genoeg was om de correcties over te nemen, daar het manuscript zeer gebrekkig was. De heer Bach ging naar Hamburg, en daar haalde de heer Birnstiel wijlen Agricola over, die de correcties van het Tweede Deel voor zijn rekening nam, maar verschillende fouten over het hoofd zag; en zo had de heer Bach de gelegenheid om zich op Birnstiel te wreken voor de winst die hij had gemist, door een bericht in de Hamburger Zeitung te plaatsen over het Tweede Deel, waarin hij beschuldigde dat het vol fouten stond en zelfs verklaarde dat sommige koralen niet van zijn overleden vader waren. Dit was zo schadelijk voor Birnstiel dat zijn hele Tweede Deel tot een hoop oud papier werd. Om nu tot mijzelf te komen: Ik heb altijd de wens gehad om alle koralen van wijlen Bach te hebben die bijeengebracht konden worden. Daarom heb ik mijn Gracieuze Prinses verzocht de rest voor mij te kopen van de heer Bach, en dat heeft zij gedaan. De heer Bach eiste 12 louis d'or, ontving ze, en stuurde mij wat ik u ter inzage heb gegeven, samen met de brief die hij mij stuurde, met daarin zijn aantekening over de uitgave. Ik beloofde hem dat ik het zou laten uitgeven onder mijn toezicht en met mijn correctie, met de beide delen die door Birnstiel waren uitgebracht, als een compleet koraalboek. En u zult uit zijn brief kunnen opmaken dat dit met zijn toestemming zou zijn gebeurd. Maar andere zaken hebben mij er tot nu toe van weerhouden dit te overwegen. Maar nu, omdat het voor mij veel zou betekenen ze in druk te zien, tot algemeen voordeel van alle jonge studenten vanwege hun uitmuntende schrijfwijze, en omdat bepaald is dat ik in deze wereld geen winst zal hebben voor mijn zorgen en inspanningen, zal ik ze aan u geven, zoals u ze ontvangt, zonder de geringste betaling, alleen om ze in druk te zien ter eeuwige gedachtenis van J. Seb. Bach. Met dien verstande, dat alle door Birnstiel uitgegeven exemplaren moeten worden opgenomen, hetgeen het aantal op meer dan 400 zal brengen. Als U mij uit eigen vrije wil een blijk van Uw waardering wilt sturen, zal ik dat met veel dank aanvaarden; maar zo niet, dan zal het gedrukt zien van deze werken mij tegenover U dezelfde verplichting opleggen als wanneer U mij er een bedrag voor betaald zou hebben. . . . Als de koralen door u worden uitgegeven, zal ik de correcties op mij nemen, want ik vertrouw er niet op dat iemand in Leipzig de zaak begrijpt, zelfs de heer [Johann Adam] Hiller niet - zoals ik concludeer uit zijn gepubliceerde dingen. . . . d. 27 maart 1781 ... De prachtige verzameling van J. Seb. Bach's Vierdelige koralen die u voor u had liggen, heb ik hier nog onaangeroerd liggen; het is een schande dat ze niet voor het nageslacht worden uitgegeven. Ik wil ze u aanbieden voor de kunst en de eeuwige nagedachtenis van Bach, als u ze laat drukken en mij één exemplaar op goed papier geeft... . . e. 14 juni 1783 . . . Telkens weer hebt u mij op het verkeerde been gezet met de belofte dat Bachs koralen, onder de voorwaarde waarop ik ze u aanbood, in druk zouden verschijnen; maar ik zie dat dit slechts een loze belofte blijft, en daarom verwacht ik nu mijn Joh. Seb. Bach-choralen onverwijld terug te krijgen; daarom zal ik, als ik ze niet binnen veertien dagen ontvang, het uitblijven van een antwoord van uw kant beschouwen als een bericht dat ik de Bach-choralen formeel bij u zal moeten opeisen.

Met hulp van Carl Philipp Emanuel Bach werden de koralen in 1784 uitgegeven. Kirnberger was toen overleden.

4 juli 1778 [briefdeel: Van Wilhelm Friedeman Bach aan Johann Joachim Eschenburg m.b.t. het veilen van J.S.Bach's composities]


Van Wilhelm Friedeman Bach aan Johann Eschenburg

À propos, heeft Uw Edelachtbare Uw muziek ter veiling gegeven? Mijn vertrek uit de Braunschweg was zo gehaast dat ik geen catalogus kon samenstellen van mijn afgestane muziek en boeken. Ik herinner mij nog wel de Kunst der Fuge van mijn vader en Quantz's handleiding voor de dwarsfluit. De overige kerkmuziek en jaarcycli, alsmede boeken, heeft U Edelachtbare te goeder trouw behouden en beloofd deze met advies van een kundig musicus via een veiling in geld om te zetten.

1778 [Canon BWV 1086]


Album item

Perpetuele Canon, 'Discordant Concord'. DOor J.S. Bach.

[noot: deze canon bestaat ook in een album voor zijn leerling Johann Conrad Arnold. Deze is in een handschrift - als kopie dus - van Joh. Gottfr. Müthel].

jaren 1780 [aantekening bij de laatste fuga van 'Die Kunst der Fuge']


Een exemplaar van 'Die Kunst der Fuge' van Carl Philipp Emanuel Bach in Berlijn

Terwijl hij werkte aan deze fuga, waarin de naam BACH voorkomt in het contra-subject, overleed de auteur.

4 juli 1781 [advertentie voor een abonnement op de uit te geven koralen van Bach door Breitkopf]


Door uitgever Johann Gottlob Immanuel Breitkopf

De heer J.P. Kirnberger te Berlijn, die in het bezit is van de prachtige verzameling vierstemmige koralen van J.S. Bach, en die wenst dat deze voor het nageslacht in druk bewaard blijven, daar zij unieke modellen zijn van zuivere vierstemmigheid en een onuitputtelijke bron voor jonge componisten, wil ze mij, ondergetekende, afstaan, onder voorwaarde dat ik ze in druk zal weergeven. Ik neem mij gaarne voor aan deze voorwaarde te voldoen, indien Seb. Bach, deze vader van de kunst, in Duitsland genoeg liefhebber zou vinden, dat de noodzakelijke kosten door abonnement of vooruitbestelling voldoende zullen worden gedekt. Ze zullen worden gepubliceerd in een handig formaat op stevig schrijfpapier, in vier delen. De abonnementsprijs voor elk deel zal 1 thaler bedragen en, bij de aflevering van elk deel, zal de vooruitbetaling voor het volgende deel worden geïnd. Abonnementsbestellingen kunnen tot Pasen 1782 in alle gerenommeerde boekhandels van Duitsland worden geplaatst. Verstrijkt deze tijd vruchteloos, dan zal het geheele project afgeblazen worden. Wie vijf of meer exemplaren vooruit bestelt, krijgt voor zijn inspanning tien procent korting.

Berlijn, 1781 [Bach zegt iets over mogelijkheden]


Door leerling Johann Philipp Kirnberger

De grote J. Seb. Bach placht te zeggen: "Alles moet mogelijk zijn", en hij wilde nooit horen dat iets "niet haalbaar" was. Dit heeft mij altijd aangespoord om vele moeilijke dingen in de muziek te volbrengen, door inspanning en geduld, naar mijn eigen arme krachten.

1782 [Bach als compositiedocent]


Door leerling Kirnberger

Johann Sebastian Bach schrijft altijd, in al zijn werken, een door en door zuivere stijl, en elk stuk van hem heeft een volkomen eenduidig karakter. Ritme, melodie, harmonie, kortom alles wat een compositie werkelijk mooi maakt, heeft hij, getuige zijn praktische werken, volledig in de hand. Zijn methode is de beste, want hij gaat gestaag, stap voor stap, van de gemakkelijkste naar de moeilijkste, met als resultaat dat zelfs de stap naar de fuga slechts de moeilijkheid heeft van het overgaan van de ene stap naar de volgende. Op grond hiervan beschouw ik de methode van Johann Sebastian Bach als de beste en enige. Het is te betreuren dat deze grote man nooit iets theoretisch over muziek heeft geschreven, en dat zijn leer alleen via zijn leerlingen het nageslacht heeft bereikt. Ik heb getracht de methode van wijlen Joh. Seb. Bach tot principes te herleiden, en zijn leer naar beste vermogen aan de wereld voor te leggen, in mijn "Kunst der reinen Satzes in der Musik".

1782 [over Bachs uitvinding van de viola pomposa]


Door Bachs eerste biograaf Johann Nikolaus Forkel

Wanneer een violist een vioolsolo speelde, wist de kenner van muziek lange tijd niet goed hoe hij begeleid moest worden. Het klavecimbel of de pianoforte zouden inderdaad de meest geschikte instrumenten voor dit doel zijn geweest, maar de violist meende dat zijn solo door zo'n volle, harmonische begeleiding te zeer zou worden vertroebeld. Daarom gaf hij er de voorkeur aan alleen door een violoncello te worden begeleid, of zelfs zijn bas te laten spelen op een tweede viool. Het eerste instrument, de violoncello, stond te ver van de viool af, en liet te veel ruimte tussenin om de begeleiding voor de violist interessant te maken, of voldoende harmonieus voor de kenner van de harmonie. Het laatste instrument daarentegen stond te dicht bij het solo-instrument, en ging er soms zelfs bovenuit. Om een uitweg uit deze situatie te vinden en beide uitersten te vermijden, heeft de voormalige kapelmeester in Leipzig, de heer Joh. Seb. Bach, een instrument uit dat hij viola pomposa noemde. Het is gestemd als een violoncello, maar heeft één snaar aan de discant, is iets groter dan een altviool, en is zo bevestigd met een lint dat het op de arm voor de borst kan worden gehouden.

1784 [herinneringen aan de familie Bach en het Collegium Musicum]


Door Jacob von Stalllin

Ik ben gecharmeerd door de herinnering aan de beroemde Emanuel Bach, onze wederzijdse vriendschap, en de bijna dagelijkse gesprekken in Leipzig, waar ik af en toe een solo of concert speelde in het Collegium Musicum dat door zijn vader was opgericht. Van de drie Bach zonen in mijn gesprekken, was de oudste, die onlangs in Dresden, was de elegante, en een beetje geaffecteerd. De tweede (de uwe in Hamburg), natuurlijk, diepzinnig, nadenkend en grappig in gezelschap, heette Carl en werd door zijn broers de zwarte Bach genoemd; en de derde, de winderige [speler van blaasinstrumenten] (die kort geleden in Londen is overleden), speelde vaak duetten met mij op de traverso. U zult mij verplichten de eerste gelegenheid te baat te nemen om deze illustere virtuoos te aanschouwen en mijn voorname achting over te brengen, die ik voor altijd voor deze waardige vriend zal bewaren: het in herinnering brengen van onze kennismaking geeft een aangename herinnering aan onze gesprekken in Leipzig gedurende bijna vier jaar.

1784-85 [over de betekenis van Bach]


Door een van de eerste leerlingen van Bach, Christian Friedrich Daniel Schubart

Sebastian Bach. Onbetwistbaar de Orpheus van de Duitsers! Onsterfelijk in zichzelf, en onsterfelijk door zijn grote zonen. Nauwelijks groeide er op de wereld een boom als deze onvergankelijke ceder, die spoedig zulke blijvende vruchten voortbracht. Sebastian Bach was een genie van de hoogste orde. Zijn geest was zo origineel, zo groots, dat er eeuwen nodig zouden zijn om zich met hem te meten. Hij speelde op de klavierinstrumenten, het clavichord en het klavecimbel, met gelijke vindingrijkheid, en op het orgel - wie zou zijn gelijke zijn! Zijn hand was gigantisch. Hij kon een twaalfde bereiken met de linkerhand en verfraaide het met de middelvingers. Hij speelde de loopjes op het pedaal met de grootste nauwkeurigheid. Hij gebruikte de registers in zo'n subtiele variatie dat de luisteraar overweldigd werd door de werveling van zijn magie. Zijn hand werd nooit moe en verdroeg dagen van orgelspelen. Hij was even sterk op het klavecimbel als op het orgel en beheerste alle aspecten van de muziek met de kracht van een Atlas. Hij was even vertrouwd met de grillige als met de ernstige stijl. Hij was virtuoos net zo goed als componist. Wat Newton was als filosoof, was Bach als musicus. Hij schreef zeer veel werken, zowel voor de kerk als voor de kamer, maar allemaal in zo'n complexe stijl dat zijn stukken tegenwoordig nog maar zelden te horen zijn. De jaarcycli die hij voor de kerkdienst componeerde zijn zelden te vinden, hoewel zij een onuitputtelijke schat voor de musicus zijn. Men ontmoet er zulke gedurfde modulaties, zulke grote harmonieën, zulke nieuwe melodische passages, dat men het oorspronkelijke genie van een Bach niet kan ontgaan. Toch heeft de hang naar kleinheid, die bij een nieuwe generatie meer en meer terrein wint, de smaak voor zulke reusachtige werken bijna geheel verloren. Precies dit kan gezegd worden van zijn orgelwerken. Bijna nooit heeft iemand stukken voor orgel geschreven met zulk een diepgang, zulk een genialiteit, zulk een kunstopvatting als bij hem het geval is. Maar er is een groot meester voor nodig om ze uit te voeren, want ze zijn zo moeilijk dat er in Duitsland niet meer dan twee of drie mensen zijn die ze foutloos kunnen uitvoeren. Een fantasie, sonate, concerto of koraaluitwerking voor orgel in Bachs composities beslaat in de regel zes notenbalken, twee voor het bovenmanuaal, twee voor het ondermanuaal en twee voor het pedaal. De registers, die snel moeten worden getrokken, worden meestal aangegeven. Het pedaal is buitengewoon druk bezet, en de frasen, lopende passages, en andere sierlijke details van de orgeltekstuur zijn zo formidabel geschreven dat men vaak uren over een gedeelte moet nadenken. Bovendien zijn er stukken van decimen of duodecimen [intervallen] voor de linker- en rechterhand die alleen een reus kan volbrengen. Bachs klavierwerken hebben niet de charme van de werken die nu geschreven worden, maar maken dat goed door hun kracht. Hoeveel zouden onze hedendaagse klavierspelers van deze onsterfelijke man kunnen leren, als zij niet meer geïnteresseerd waren in de gemakkelijke respons van mode-insecten dan in die, zoveel belangrijker, van grote kenners van kunst! Bachs werken zijn geen transcripties van werken voor andere instrumenten, maar echte klavierwerken. Hij begreep de aard van het instrument grondig; zijn schrijfwijze versterkt de hand en vult het oor. Beide handen zijn even sterk bezet, zodat de linkerhand niet verslapt als de rechter sterk wordt. En hij beheerst zo'n rijkdom aan ideeën dat niemand anders dan zijn eigen grote zoon zich met hem kan meten. Met al deze gunstige eigenschappen verenigde Bach ook de zeldzaamste gave van instructie. De grootste orgel- en klavieruitvoerders in heel Duitsland werden onder zijn leiding opgeleid, en als Saksen in dit opzicht zoveel sterker is gebleken dan andere Duitse provincies, dan is dat alleen aan deze grote man te danken.

Hamburg, 1786 [over een uitvoering in Hamburg van het Credo uit Bachs Mis in B Mineur]


Door Carl Friedrich Cramer

Hamburg. Tijdens de vier concerten die dit jaar werden gegeven ten bate van het plaatselijke Medicijnen Instituut voor de Armen, werden met groot succes, naast andere werken, een herdenking en kroningsmuziek van Händel, Armida van Salieri, Alceste van Gluck, een Magnificat en Sanctus van C.P.E. Bach, en een Credo van Johann Sebastian Bach uitgevoerd. Bij deze gelegenheid had men de gelegenheid om de verschillende manieren in de werken van deze beroemde componisten waar te nemen, en vooral het vijfstemmige Credo van de onsterfelijke Sebastian Bach te bewonderen, een van de meest voortreffelijke muziekwerken ooit gehoord, waarin echter de vocale partijen in voldoende aantallen moeten worden gepresenteerd, wil het zijn volle effect tonen. Onze goede zangers bewezen opnieuw, vooral in het Credo, hun bekende vaardigheid in het veilig uitvoeren van de moeilijkste passages, en in alle vier de concerten boden enkele van de vrouwelijke liefhebbers het grote publiek, door hun uitstekende. stemmen en smaakvolle vertolking, het grootste genoegen.

1787 of eerder [over de compositiestijlen van Bach en Carl Philipp Emanuel Bach]


Door oud-leerling Carl Friedrich Abel

Als Sebastian Bach en zijn bewonderenswaardige zoon Emanuel, in plaats van muziekdirecteuren te zijn in commerciële steden, het geluk hadden gehad te componeren voor het toneel en het publiek van grote hoofdsteden, zoals Napels, Parijs, of Londen, en voor vertolkers van de eerste klasse, dan zouden zij ongetwijfeld hun stijl meer vereenvoudigd hebben tot het niveau van hun beoordelaars; De een zou alle onbedoelde kunst en vernuft hebben opgeofferd, en de ander zou minder fantastisch en onderzoekend zijn geweest; en beiden zouden, door te schrijven in een stijl die populairder, en over het algemeen begrijpelijker en aangenamer was, hun roem hebben uitgebreid, en zouden onbetwistbaar de grootste musici van de achttiende eeuw zijn geweest.

27 februari 1788 [C.Ph.E.Bach's(?) anoniem ingezonden brief in de 'Allgemeine Deutsche Bibliothek', van Friedrich Nicolai]


Door C.Ph.E. Bach?

Over de volgende passage in Dr. Burney's verslag van het leven van Händel, moet ik mijn gedachten aan u mededelen:

Ik geloof ook dat Händel in zijn volledige, meesterlijke en voortreffelijke orgel-fuga's, over de meest natuurlijke en aangename thema's, Frescobaldi heeft overtroffen, en zelfs Sebastian Bach en anderen van zijn landgenoten, die het meest bekend staan om hun bekwaamheid in deze moeilijke en ingewikkelde compositiesoort.

Vergelijkingen van grote mannen kunnen ongewoon leerzaam zijn wanneer zij worden ondernomen door een man die zelf groot genoeg is om hun deugden te doorgronden, af te beelden en te beoordelen. Zelfs met afzonderlijke meesterwerken van beroemde kunstenaars is het een moeilijke onderneming om hun relatieve waarden precies te vergelijken en juist te bepalen; maar hoezeer wordt deze moeilijkheid vergroot wanneer men het gehele talent van twee uitmuntende kunstenaars beide in de weegschaal legt? Hoe diep is de kennis, hoe fijn het artistieke gevoel op het gebied waarop de twee mannen groot waren, die deze taak vereist! De artifice non nisi artifex judicare potent (niemand dan de kunstenaar kan oordelen over de kunstenaar). Grote genieën erkennen dus niemand anders dan hun gelijken als bekwame rechters over hun verdiensten, vooral wanneer de verdiensten van twee mannen naast elkaar moeten worden gelegd. Maar zelfs de kennis van de kunst in haar geheel, een fijne oprechte smaak, en een fijn gevoel voor elke schoonheid, hoe verborgen ook - zelfs deze zijn niet voldoende. Zonder de striktste onpartijdigheid, zonder het eerlijk afstand doen van alle voorliefde, zonder het vaste voornemen om rechtvaardig te zijn voor elke verdienste, loopt de keurder het risico om zich geheel te vergissen. En hij blijft aan dit risico blootgesteld zolang hij niet alle bewijzen van de zaak waarover hij moet oordelen voor zich heeft en onderzoekt; dat wil zeggen, als hij zijn eenzijdig oordeel uitspreekt zonder alle voortreffelijke werken te kennen van de meesters die hij moet beoordelen. Bovendien moet hij niet alleen de werken van de ene soort vergelijken, maar ook de producties van dezelfde perioden in het leven van de twee kunstenaars, niet het jeugdige werk van de een met het product van de rijpe maturiteit van de ander, of de haastig en terloops in elkaar gezette compositie van de een met het beproefde en verbeterde werk van de ander. De erkende meesterwerken van beiden, waaraan de laatste hand is gelegd - die moeten met elkaar worden vergeleken.

Kennis van kunst, en in het bijzonder van smaak, mogen we Dr. Burney toegeven; maar is hij ook onpartijdig? Kende hij alle werken van de twee beroemde mannen die hij wilde vergelijken? Op bladzijden 400 en 401 is niets anders te zien dan partijdigheid, en van enige grondige kennis van de belangrijkste werken van J. S. Bach voor orgel vinden we in Dr. Burney's geschriften geen spoor. Bovendien schijnt hij, te oordelen naar zijn beschrijvingen van zijn reizen, weinig informatie te hebben vergaard over J.S.B.'s grote en verbazingwekkende manier van orgelspelen, hoewel er ten tijde van zijn reizen nog vele leerlingen leefden die hun leraar niet onwaardig waren, onder wie Bachs oudste zoon, Wilhelm Friedemann. Als Dr. Burney enig idee had gehad van de grootheid van J.S.B. als meester op het orgel, zou hij dergelijke mannen waar hij maar kon hebben opgezocht, want zij zouden hem meer gedetailleerde informatie hebben kunnen geven over deze eerste van alle organisten; en hij zou met hen uitvoerig hebben gesproken over een fenomeen dat een tijdperk in de muziek markeert. Maar nee, voor hem was Händel de grootste organist, en waarom zou hij zich druk maken over de mindere? Vandaar zijn onrechtvaardige en verdraaide vergelijkingen. Om hun onwaarheid aan te tonen, moet ook ik vergelijkingen maken; maar ik maak mezelf wijs dat ik dat onpartijdiger zal doen, na langer en diepgaander onderzoek, en (zoals ik van meet af aan duidelijk wil maken) ervan uitgaande dat ik Händel als een groot man beschouw - hoewel niet altijd als instrumentaal componist, toch als operacomponist en nog meer als kerkcomponist - en als iemand die theoretische kennis en de wetenschap van de harmonie combineerde met rijkdom aan ideeën, inventiviteit, expressie en gevoel.

Bach en Händel zijn in hetzelfde jaar geboren, namelijk in 1685, en zij componeerden dus ongeveer gelijktijdig. Als operacomponist was er naast Händel nog een groot man: Kaiser [Keiser], die, zij het terloops vermeld, in de schoonheid, nieuwheid, expressie en aangename kwaliteiten van zijn melodie, niet bang behoefde te zijn voor vergelijking met Händel.

Klavierstukken van Bach en Händel verschenen in dezelfde tijd in druk, in de jaren twintig van deze eeuw. Maar wat een verschil! In Händels Suites is er een aanzienlijke imitatie van de Franse manier van doen uit die tijd, en er is niet veel variatie; in de delen van Bachs Clavier-Übung is alles originaliteit en variatie. De melodie van de aria's met variaties in Händels Suites is vlak en voor onze tijd veel te eenvoudig. Bachs aria's met variaties zijn vandaag de dag nog steeds goed: ze zijn origineel, en zullen dus niet snel verouderd raken. Wat een rijkdom, vooral in Bach's gedrukte Aria met variaties voor klavecimbel met twee manualen [de Goldbergvariaties]! Wat een verscheidenheid! Wat een perfectie van de handen [technisch niveau] en van de expressie vereist deze kunst!

Het Eerste Deel van Händels Clavier Suites is, met uitzondering van de aria's, zeer goed. Het Tweede Deel wordt verondersteld galanter te zijn, maar het is voor een groot deel gewoontjes en armoedig.

Handels fuga's zijn goed, maar hij laat vaak een stem in de steek. Bachs klavier-fuga's kunnen voor evenveel instrumenten als stemmen worden opgezet; geen stem mist zijn aandeel, en elke stem wordt naar behoren uitgevoerd. Händels fuga's gaan nooit verder dan hooguit vier stemmen. Bach schreef vijfstemmige fuga's in zijn bundels getiteld Het Wohltemperierte Klavier en in alle 24 toonaarden. Er bestaat zelfs een fuga van hem over het Koninklijk Pruisisch thema die zesstemmig manualiter [zonder pedaal] is. Als het gaat om de kunst van de harmonie, of het genie van de meester die vele delen voor een groot werk creëerde, ze volledig uitwerkte, en ze samenvoegde tot een groot en mooi geheel dat verscheidenheid en de grootsheid van de eenvoud combineerde, en dit op zo'n manier dat zelfs de amateur, als hij maar enig begrip had van de taal van de fuga (en anderen kunnen geen oordeel hebben over fuga's), enthousiast was - dan betwijfel ik of Händels fuga's ooit de vergelijking met die van Bach zullen doorstaan.

En wat een deugden zijn er te vinden in Bach's andere klavierwerken! Wat een leven, wat een nieuwheid en wat een aangename melodie, zelfs nu, nu de melodie in alle opzichten zo verfijnd is geworden! Wat een vindingrijkheid, wat een verscheidenheid in de verschillende stijlen, het geleerde en het galante, het strenge en het vrije, of er nu harmonie of melodie overheerst - aan de ene kant extreem moeilijk voor de handen van meesters, en aan de andere kant gemakkelijk, zelfs voor de enigszins geoefende amateur. Hoeveel goede klavierspelers hebben zijn werken niet voortgebracht! Was hij niet de schepper van een geheel nieuwe behandeling van de klavierinstrumenten? Gaf hij ze niet vooral melodie, expressie, en de zingende stijl in uitvoering? Hij, de diepste geleerde van de contrapuntische kunsten (en zelfs kunstgrepen), wist hoe hij de kunst ondergeschikt kon maken aan de schoonheid. En wat een grote massa klavierstukken schreef hij!

Maar over de orgelwerken van de twee meesters, nu we het orgelspel van de een niet meer tegen dat van de ander kunnen afzetten. Van Bachs grote leerlingen zijn er maar weinig overgebleven, en of Händel ook grote organisten heeft opgeleid en gevormd, is niet bekend. Zij moeten dus worden beoordeeld naar hun werken.

Als we nu de orgelwerken van de twee mannen in dezelfde weegschaal wegen, is er een verschil zo groot als de hemel in het voordeel van J.S.B. Het bewijs van deze stelling kan zonder enige moeite overtuigend worden gemaakt, zelfs voor mensen die geen deskundigen zijn.

Men kan zonder vrees voor tegenspraak aannemen, dat het pedaal het belangrijkste deel van een orgel is, zonder hetwelk het weinig zou hebben van die majesteit, grootheid en kracht, die het alleen boven alle andere instrumenten toekomen. Iedereen die ook maar enigszins weet wat het woord "orgel" betekent, zal dat toegeven.

Wat zullen we dan zeggen, als Händel datgene wat een orgel tot een orgel maakt, en het zo hoog boven alle andere instrumenten verheft, bijna volledig verwaarloosde en zelden gebruikte? In het geheel niet omdat het hem aan het nodige genie ontbrak, maar omdat hij niet geoefend was op het pedaal, of omdat hij als Engelsman gedwongen was afstand te doen van de ervaring met het pedaal die hij als Duitser bezat. Dat dit precies is wat hem is overkomen, kan niet in twijfel worden getrokken door hen die weten dat er in Engeland weinig orgels zijn met pedalen en dat ze daar zelfs niet worden gemist. Maar de situatie is heel anders in Duitsland, waar men zelfs in het kleinste dorpsorgel geen pedaal zal vinden ontbreken. Een orgel zonder pedaal wordt een positief genoemd, en wordt niet veel waard geacht. Dienovereenkomstig zijn goede organisten altijd thuis geweest in Duitsland, en wie weet niet wat J.S.B.'s werken hebben bijgedragen aan de opleiding van vele grote organisten? Het zal niet onterecht zijn om uit het voorgaande te concluderen dat een Engelsman geen duidelijk idee kan hebben van de ware en essentiële kwaliteiten van een organist, en zich daarom niet moet opwerpen als een rechter over grote organisten. Hoe weinig Dr. Burney een uitzondering op deze regel vormt, zal blijken uit het volgende betrouwbare verslag dat mij over hem werd gegeven. Toen hij in Hamburg was, zo werd mij verteld, smeekte hij de kapelmeester Emanuel Bach (die natuurlijk de zoon is van J. Sebastian) om te spelen op het orgel van de St. Michael's kerk, die een mooi nieuw instrument heeft van Hildebrandt. Toen Bach hem vertelde dat hij het pedaal niet kon bespelen, zou hij gelachen hebben en gezegd hebben dat het pedaal niet essentieel was.

De Engelsen kunnen dus nauwelijks een juist begrip hebben van een goede organist; en het zal hun overdreven voorkomen wanneer Duitse muziekkenners hun vertellen dat een goede organist een groot man is; dat hij het moeilijkste en volmaaktste instrument bespeelt, waarvoor ongeëvenaarde talenten, kennis en oefening nodig zijn om het volledig tot zijn recht te laten komen. En zo zal een Engelsman bijna nooit ergens op zijn eiland de orgelwerken van J.S. Bach goed hebben horen uitvoeren; want wat een kwaliteiten zijn er nodig om die werken te kunnen spelen!

Bachs orgelwerken zijn gewoonlijk - en de stukken voor twee manualen en pedaal altijd - geschreven op drie notenbalken, de een boven de ander. Het pedaal is altijd onafhankelijk van de manualen, en vormt een stem op zichzelf. Soms zijn er zelfs twee obbligato-stemmen in het pedaal. De linkerhand is allesbehalve de bespeler van de bas; zij moet dezelfde vlotheid en behendigheid bezitten als de rechter, om de partijen, die zo dikwijls vol levendige melodie zijn, naar behoren te kunnen spelen.

Volgens de registratie geeft Bach nu eens aan het pedaal de schitterende hoofdmelodie, die dikwijls noch langzaam noch gemakkelijk is, terwijl de briljante materie aan de handen wordt opgedragen; nu eens heeft het pedaal de hoogste van de binnenstemmen, dan weer de laagste. En ook de handen moeten zich aan dezelfde taken en veranderingen aanpassen.

Het pedaal heeft bij tijden veel briljant en snel materiaal, dat echter alleen geoefende meesters kunnen spelen, en waarvan de soort misschien nooit in Engeland is gehoord. Als men er nu aan toevoegt dat Bach niet alleen met zijn pen aan al deze eisen voldeed, maar dit ook kon doen in improvisatie en in de meest correcte stijl - wat een grootheid vereist dit!

Naast de koraalzettingen en variaties die J.S. schreef, en de preludes daarop (ook deze zijn bij de Engelsen weinig bekend, omdat de Engelse stijl van kerkzang er weinig aanleiding toe geeft), zijn verschillende trio's voor orgel bekend geworden, met name zes voor twee manualen en pedaal die in zo'n galante stijl zijn geschreven dat ze nog steeds heel goed klinken, en nooit oud worden, maar integendeel alle omwentelingen van de mode in de muziek zullen overleven. Al met al heeft niemand zoveel mooie muziek voor het orgel geschreven als J.S. Bach.

Quantz zegt op een plaats in zijn gedrukte "Methode voor het bespelen van de dwarsfluit" (namelijk in Hfdst. XVIII, § 83) dat het onze bewonderenswaardige J. S. Bach is geweest, die in de laatste tijd de kunst van het orgelspelen tot haar grootste volmaaktheid heeft gebracht. En Quantz was ontegenzeggelijk een kunstkenner en een man van smaak - een smaak die hij had ontwikkeld tijdens lange reizen door Duitsland, Italië, Frankrijk, Nederland en Engeland, gedurende welke hij regelmatig alle grote musici had gehoord. En vooral Händel kende hij zeer goed, en bewonderde hij. Quantz was, samen met Hasse en de Faustina - die allen Händel al lang kenden en hem vaak klavier en orgel hadden horen spelen - aanwezig in Dresden toen J.S. Bach, in de jaren dertig van deze eeuw, op het orgel speelde voor het Hof en vele kenners. Zij bevestigden de geciteerde mening en verklaarden hem de eerste en meest volmaakte van alle organisten en componisten voor dit instrument. En deze mening bestaat nog steeds in de algemene opvatting in Duitsland en het buitenland.

Over de orgelwerken van Händel, vergeleken met die van Bach, kan niets worden gezegd. Ze zijn van een te verschillend karakter en kunnen eenvoudigweg niet met elkaar worden vergeleken.

Men zal misschien zeggen dat Händel heeft toegegeven aan de smaak van de Engelsen, en de uitstekende kwaliteiten van het orgel de rug heeft toegekeerd, misschien zelfs om economische redenen. Dat kan waar zijn wanneer hij bijvoorbeeld in zijn 'Saul' orgelsolo's opneemt die zo dun geweven zijn, zo tweestemmig transparant, en zo licht en gemakkelijk dat ze op het zicht gespeeld kunnen worden door elke middelmatige klavierspeler, en van even goed effect zijn op het clavecimbel met korte tonen als op het orgel met zijn aanhoudende tonen. Maar had Händel niet op zijn minst één stuk tussen zijn orgelwerken moeten zetten, op zo'n manier dat ook de meesters aan de overkant van de zee konden zeggen dat hij zich kon meten met hun hogere kunst? Had hij in Duitsland niet één werk moeten schrijven en achterlaten dat het Duitse orgel waardig was? Maar van alle orgelwerken van Händel die ik ken, en (ik voeg er opzettelijk aan toe wat Dr. Burney, wat Bach betreft, heeft weggelaten) hoe talrijk de werken van Händel ook zijn die ik ken, kan ik er geen vinden die de deugden heeft waarvoor de werken van Bach hierboven zijn geprezen. Overal laat het pedaal zijn kaarten liggen (dat wil zeggen, het doet niet meer dan de bas versterken), en alles kan op de manualen alleen worden gespeeld zonder dat het effect wordt verzwakt.

Neem al zijn gedrukte orgelconcerten en orgelfuga's. Als er ongedrukte bestaan die van een heel ander vakmanschap zijn, laat ze dan vertoond worden. Maar tot nu toe heeft geen van onze oudste musici ze ooit gezien, en het zou vreemd zijn als Händel alleen zijn slechte orgelwerken had laten drukken. Aangezien alles wat hij schreef in Engeland in zo'n immense hoeveelheid werd gegraveerd, en als warme broodjes over de toonbank ging, zou hij dan niet in staat zijn geweest om, naast de lichtere stukken, een paar orgelfuga's en concerto's van een behoorlijke soort uit te brengen, waarin men de meester van het orgel had kunnen herkennen, met al zijn rijkdom aan inventie en schittering van artisticiteit? Of was dit grote en verhevener werk, deze Bachiaanse kunst (die zo gelukkig en onnavolgbaar de oude, duistere holen verenigde met de helderdere smaak en mooiere expressie van onze nieuwere muziek) - was dit op zichzelf gewoon niet naar de smaak van zelfs de grote Händel?

Een vreemde omstandigheid in het verhaal van zijn leven maakt het waarschijnlijk dat hij de vergelijking met J.S.B. in dit opzicht niet durfde aan te gaan. In het eerste deel van Marpurg's "Bijdrage tot de geschiedenis van de muziek" [Beytrage zur Geschichte der Musik, p. 450], staat een passage die deze veronderstelling bevestigt, maar die een korte toelichting behoeft. De passage luidt als volgt: "Heeft de grote Händel niet elke gelegenheid vermeden om samen te komen met wijlen Bach, die feniks van compositie en improvisatie, of om iets met hem te maken te hebben?" enz. En het commentaar luidt: Händel kwam drie keer van Engeland naar Halle: de eerste keer omstreeks 1719, de tweede keer in de jaren dertig, en de derde keer in 1752 of 1753. Bij de eerste gelegenheid was Bach kapelmeester in Cothen, twintig korte mijlen van Halle. Hij vernam van Handels aanwezigheid in deze laatste plaats en vertrok onmiddellijk per koets naar Halle. De dag dat hij daar aankwam, vertrok Händel. Bij de tweede gelegenheid had Bach helaas koorts. Omdat hij daarom zelf niet naar Halle kon reizen, stuurde hij meteen zijn oudste zoon, Wilhelm Friedemann, om Händel een hoffelijke uitnodiging te sturen. Friedemann bezocht Händel, en kreeg als antwoord dat hij niet naar Leipzig kon komen, en dat hij dat ten zeerste betreurde. (J.S.B. bevond zich op dat ogenblik reeds in Leipzig, dat ook slechts twintig mijl van Halle verwijderd is). Bij de derde gelegenheid was J. S. al overleden. Händel, zo lijkt het, was dus niet zo nieuwsgierig als J.S.B., die eens in zijn jeugd minstens 250 mijl liep om de beroemde organist van Lübeck, Buxtehude, te horen. Des te meer deed het J.S.B. pijn Händel niet gekend te hebben, die werkelijk grote man die hij bijzonder respecteerde.

Misschien zal iemand in dit verband denken aan het verhaal van de terecht beroemde Franse organist Marchand, die naar Dresden kwam om te spelen in een wedstrijd met Bach, en zich bescheiden zonder overwinning terugtrok in zijn geboorteland, nadat de koning met een groot en briljant gezelschap op hem had gewacht om te verschijnen ten huize van de maarschalk graaf von Flemming. Hij liet een beloning van ongeveer 1.000 thaler liggen, en vertrok met een speciale postkoets. Misschien zal men hieruit concluderen dat Bach een opschepper was en dat de vredelievende Händel uit zijn buurt moest blijven. Nee, Bach was allesbehalve trots op zijn kwaliteiten en liet nooit iemand zijn superioriteit voelen. Integendeel, hij was ongemeen bescheiden, tolerant en zeer beleefd tegenover andere musici. De affaire met Marchand werd vooral bekend via anderen; hijzelf vertelde het verhaal slechts zelden, en dan nog alleen als hij ertoe werd aangezet. Een enkel voorbeeld van zijn bescheidenheid, waarvan ik getuige was. Bach kreeg eens bezoek van Hurlebusch, een klavierspeler en organist die toen heel beroemd was. De laatste werd overgehaald om plaats te nemen aan het klavecimbel; en wat speelde hij voor Bach? Een gedrukt menuet met variaties. Vervolgens speelde Bach heel serieus, in zijn eigen stijl. De bezoeker, onder de indruk van Bachs beleefdheid en vriendelijke ontvangst, gaf de kinderen van Bach een geschenk van zijn gedrukte sonates, zodat ze die, zoals hij zei, zouden kunnen bestuderen, hoewel Bachs zonen al in staat waren stukken van een heel ander soort te spelen. Bach glimlachte in zichzelf, en bleef bescheiden en vriendelijk.

Dit is wat ik wilde zeggen in antwoord op het veel te scherpe oordeel van een muziekcriticus die, het is waar, niet al te competent is - enerzijds om aan te tonen dat wij Duitsers hem niet het jus de non appellando toekennen, en anderzijds om hem en andere kunstrechters te waarschuwen in de toekomst voorzichtiger te zijn met het vergelijken van beroemde mannen; ze niet naast elkaar te plaatsen in opzichten waarin ze niet vergeleken kunnen worden; geen kwaliteiten voor hen te verzinnen die zij niet bezitten en die zij, met hun andere talenten, zelfs zouden kunnen missen; niet een favoriet te verheerlijken ten koste van anderen met gelijkwaardige verdiensten; maar, als vergelijkingen moeten worden gemaakt, gelijksoortige kwaliteiten en verdiensten te vergelijken, deze onpartijdig te onderzoeken met het juiste inzicht en het juiste oordeel, en dan hun mening op bescheiden wijze voor te leggen aan het publiek, aan kenners en aan kunstamateurs die als kenners zijn. Alleen dan kunnen parallellen getrokken worden tussen beroemde kunstenaars en kunstwerken leerzaam zijn.

1789 [over de fuga's van Händel en Bach]


Door Charles Burney

De termen Canon en Fuga impliceren zelf terughoudendheid en arbeid. Händel was misschien de enige grote Fugist die vrij was van pedanterie. Hij behandelde zelden onvruchtbare of grove onderwerpen; zijn thema's waren bijna altijd natuurlijk en aangenaam. Sebastian Bach daarentegen had, net als Michelangelo in de schilderkunst, zo'n hekel aan gemakzucht dat zijn genie zich nooit verlaagde tot het gemakkelijke en sierlijke. Ik heb nog nooit een fuga van deze geleerde en krachtige auteur gezien op een thema dat natuurlijk en chantant is; of zelfs op een gemakkelijke en voor de hand liggende passage die niet beladen is met grove en moeilijke begeleidingen.

1790 [de scholing van Bachs leerling Heinrich Nicolaus Gerber]


Door zijn zoon Ernst Ludwig Gerber

Gerber (Heinrich Nicolaus) was hoforganist van de prins van Schwarzburg in Sondershausen, geboren te Wenigen-Ehrich op de Schwarzburgse domeinen, op 6 september 1702. Hij was een waardig man op zijn gebied, en mijn vader. Ik zou mij dus op twee gronden moeten verwijten, als ik uit een misplaatst gevoel van bescheidenheid hem niet hetzelfde recht zou toekennen, dat ik in deze bladzijden aan zovele anderen toeken. . . . Nadat hij twee jaar voorbereidend onderwijs had genoten, stuurde zijn vader hem naar de school in Mühlhausen, die toen tot de beste van Thüringen werd gerekend en waar veel waardige mannen als leraren in de verschillende takken van wetenschap werkzaam waren. Alleen in de muziek was de duisternis daar nog aanwezig, en deze duisternis was zelfs een halve eeuw dikker dan die, welke wijlen de heer Albrecht, 50 jaar later, in zijn geschriften zo vaak en zo luidruchtig heeft betreurd. Het enige muzikale genie dat daar leefde was een dronken organist [Johann Friedrich Bach] (want nuchter bereikte hij net zo weinig als zijn medeburgers), van de familie Bach. Zijn enige verlangen was om te genieten van deze man's zingende stijl van spelen. Maar zelfs dit werd hem moeilijk gemaakt door het feit dat de studenten gedwongen waren om naar een andere kerk te gaan dan die waar Bach organist was. Maar hij verzekerde op zijn oude dag nog steeds dat hij zijn stijl van orgelspelen alleen van deze Bach had geleerd. Maar omdat deze man, met het leven dat hij leidde, geen onderricht kon geven, werd de jonge Gerber aan zijn lot overgelaten en aan het weinige dat hij van cantor Irrgang had geleerd. Omdat hij genoeg had van dit dorre leven, vroeg hij zijn vader om hem naar school te sturen in Sondershausen. Dit gebeurde in het jaar 1721. Maar ook daar begon de smaak pas te ontwaken. . . . toen hij niets meer kon putten uit de bronnen daar, en ging hij naar Leipzig, deels om rechten te studeren en deels om muziek te studeren bij de grote Sebast. Bach. Hij werd daar ontvangen als student aan de Universiteit, onder het rectoraat van Dr. Burner, op 8 mei 1724. In het eerste half jaar, toen hij zijn colleges aanvatte, had hij veel uitstekende kerkmuziek gehoord en menig concert onder leiding van Bach; maar het ontbrak hem nog aan een gelegenheid die hem moed genoeg zou hebben gegeven om zijn verlangens aan deze grote man kenbaar te maken; totdat hij eindelijk zijn wens kenbaar maakte aan een vriend, Wilde genaamd, de latere organist in Petersburg, die hem aan Bach voorstelde.

Bach aanvaardde hem met bijzondere vriendelijkheid omdat hij uit Schwarzburg kwam, en noemde hem daarna altijd 'landgenoot'. Hij beloofde hem het onderricht te geven dat hij wenste en vroeg meteen of hij ijverig fuga's had gespeeld. Bij de eerste les legde hij hem zijn inventies voor. Toen hij deze tot Bachs tevredenheid had gestudeerd, volgde een reeks suites en vervolgens 'Het Wohltemperierte Klavier'. Dit laatste werk speelde Bach in totaal drie keer voor hem door met zijn ongeëvenaarde kunst, en mijn vader rekende dit tot zijn gelukkigste uren, wanneer Bach, onder het voorwendsel dat hij geen zin had om les te geven, zelf achter een van zijn fraaie instrumenten ging zitten en zo deze uren in minuten veranderde. De afsluiting van het onderricht was een volgbas, waarvoor Bach de vioolsolo's van Albinoni koos; en ik moet toegeven dat ik nooit iets beters gehoord heb dan de stijl waarin mijn vader deze bassen volgens Bachs mode uitvoerde, vooral in de zangerigheid van de stemmen. Deze begeleiding was op zichzelf al zo mooi, dat geen hoofdstem had kunnen bijdragen aan het plezier dat ik eraan beleefde. Nadat hij twee jaar in Bachs school had doorgebracht, met een ijver die paste bij de uitmuntendheid van zo'n leraar, en zijn lessen had voltooid, keerde hij terug naar zijn vader op het platteland. Hier gebruikte hij twee jaar van zijn vrije tijd om de vele goede en mooie dingen die hij uit Leipzig had meegebracht te ordenen en toe te passen. Tegelijkertijd begon hij met de hulp van een meubelmaker een klein orgel met pedalen te bouwen, met 12 registers . . . De voortdurende vervolging door de rekruteringsofficieren, waaraan hij wegens zijn jeugdige leeftijd bijna tot 1740 was blootgesteld, belette hem de wereld buiten zijn vaderland te leren kennen. Hij stond zichzelf slechts één reis toe in 1737, naar zijn geliefde leraar Bach in Leipzig.

1790 [over Bach die componeert zonder gebruik te maken van een klavier]


Door Heinrich Nicolaus Gerber's zoon Ernst Ludwig

.... En dit verbazingwekkende gemak, deze vingerzetting die nooit eerder voor hem was gebruikt, had hij te danken aan zijn eigen werken; want vaak, zei hij, had hij zich gedwongen gevoeld de nacht te gebruiken om te kunnen realiseren wat hij overdag had geschreven. Dit is des te gemakkelijker te geloven, daar het nooit zijn gewoonte was om bij het componeren raad te vragen aan zijn klavier. Zo schreef hij, volgens een zekere traditie, zijn getemperde klavier (bestaande uit fuga's en preludes, waarvan sommige zeer intrigerend, in alle 24 toonsoorten) op een plaats waar verveling, verveling en de afwezigheid van enig muziekinstrument hem dwongen zijn toevlucht te nemen tot dit tijdverdrijf.

1790 [over Bachs pedaaltechniek]


Door Heinrich Nicolaus Gerber's zoon Ernst Ludwig

Op de pedalen moesten zijn voeten met volmaakte nauwkeurigheid elk thema, elke passage imiteren die zijn handen hadden gespeeld. Geen appoggiatura, geen mordent, geen korte triller mocht ontbreken of zelfs maar in een minder zuivere en afgeronde vorm aan het oor voorbijgaan. Hij maakte lange dubbele trillers met beide voeten, terwijl zijn handen allesbehalve stil waren.

Gottingen, 1792 [Bach over zijn zonen]


Door Carl Friedrich Cramer

De oude Sebastian had drie zonen. Hij was alleen tevreden met Friedemann, de grote organist. Zelfs van Carl Philipp Emanuel zei hij (ten onrechte!): "Het is Berlijns blauw! Het vervaagt gemakkelijk!" Hij paste op de London Chretien Bach altijd het vers van Gellert toe: "De jongen gaat zeker vooruit door zijn domheid!" Eigenlijk maakte deze van de drie Bachs de grootste vooruitgang. Ik heb deze uitspraken rechtstreeks uit de mond van Friedemann.

1793 [Bach geeft les aan huis bij zieke leerling Kirnberger]


Door Friedrich Ludwig Aemilius Kunzen en Johann Friedrich Reichardt (1793)

Toen Kirnberger naar Leipzig ging om onder de hoede van de grote Sebastian Bach contrapunt te studeren en zuiver vierstemmig te leren schrijven, spande hij zich zo in dat hij ziek werd van de koorts en achttien weken lang op zijn kamer moest blijven. Desondanks bleef hij in de uren dat hij de koorts niet had, allerlei thema's uitwerken, en toen Sebastian deze buitengewone inspanning opmerkte, bood hij aan om naar Kirnbergers kamer te komen, omdat het voor Kirnberger slecht zou kunnen zijn om uit te gaan en het heen en weer sturen van de papieren wat ongemakkelijk was. Toen Kirnberger op zekere dag aan zijn meester te kennen gaf, dat hij hem voor zijn vriendelijkheid en moeite nooit genoeg kon terugbetalen, zei Bach, die ongetwijfeld de toekomstige verdiensten van zijn leerling voor het behoud van de zuivere schrijfkunst voorzag, en die de kunst omwille van zichzelf liefhad en niet alleen om de daaraan verbonden voordelen: "Spreek niet van dankbaarheid, mijn beste Kirnberger. Ik ben blij, dat gij de toonkunst van voren af aan wilt bestuderen, en het hangt alleen van uzelf af, dat gij er zelf zoveel van leert, als mij bekend is geworden. Ik verlang van u niets anders dan de verzekering dat u dat beetje op uw beurt zult overplanten in de geesten van andere goede leerlingen die niet tevreden zijn met het gewone lirum-larum, enz."

1796 [over Bachs klavier- en vocale werken]


Door Johann Friedrich Reichardt

Bach (Johann Sebastian), instrumentaal en vocaal componist, organist en klavierspeler. Geboren te Eisenach, 21 maart 1685, overleden te Leipzig, 28 juli 1750. Nooit heeft een componist, zelfs niet de beste en de diepste van de Italianen, alle mogelijkheden van onze harmonie uitgeput zoals deze grote kunstenaar. Hij gebruikte elke harmonische kunstgreep en elke oneigenlijke harmonische kunstgreep, in ernst en scherts, met zulk een vrijmoedigheid en individualiteit dat de grootste harmonisten, als zij één enkele ontbrekende maat in één van zijn grote werken moesten aanvullen, er misschien niet zeker van konden zijn dat zij die precies zo hadden ingevuld als Bach had gedaan. Zijn werken voor klavier en orgel zullen, zolang deze prachtige instrumenten blijven bestaan, de hogere school blijven voor organisten en klavierspelers, net zoals hijzelf, als praktiserend kunstenaar, het hoogste voorbeeld was voor organisten en klavierspelers. Hij vond de handige en zekere vingerzetting uit en de veelbetekenende stijl van spelen, waarmee hij handig de ornamentele manier van de Franse kunstenaars van die tijd combineerde, en zo de perfectionering van het klavier belangrijk en noodzakelijk maakte, in welke taak Silbermann zo fortuinlijk aan zijn zijde stond. Zijn vocale werken, hoewel vol van uitvindingen en van de meest geleerde schrijfkunst, en ook vol van sterke en oprechte trekken wat betreft expressie, verraden toch een te groot gebrek aan echte goede smaak, aan kennis van taal en poëzie, en hebben daardoor geheel de conventionele vorm van hun tijd, zodat ze nauwelijks hun geldigheid kunnen behouden. Toch blijven zij ook voor alle tijden ware studies voor bedachtzame en nijvere kunstenaars, en uitstekende oefenstukken voor koren.

1799 [over Bachs centrale positie onder de Duitse componisten]


Door Augustus Frederic Christopher Kollmann en Johann Nikolaus Forkel

... Een Engelse organist aan de Koninklijke Duitse Kapel (dezelfde die nu van plan is Joh. Seb. Bach's Wohltemperierte Klavier (IA. E C. Kollmann) te redigeren) liet toen een blad in koper graveren, waarop de hem bekende Duitse componisten werden voorgesteld. Joh. Seb. Bach staat in het midden; direct om hem heen zijn Händel, Graun en Haydn afgebeeld. De stralen van de zon worden voorgesteld door andere Duitse componisten, als volgt:

. . . Onze waarde Haydn zou dit stuk zelf hebben gezien, en er wordt gezegd dat hij er niet ongunstig van onder de indruk was, noch de nabijheid van Händel en Graun erg vond, noch het helemaal verkeerd vond dat Joh. Seb. Bach het middelpunt van de zon was en dus de man van wie alle ware muzikale wijsheid uitging.

1808 [Herinnering aan hoe Bach tijdens de les soms ingreep]


Door een van de laatste van Bachs leerlingen, Johann Christian Kittel

Een van zijn bekwaamste leerlingen moest altijd begeleiden op het klavecimbel. Het laat zich raden dat niemand het aandurfde om een magere volgbas-begeleiding voor te stellen. Toch moest men er altijd op voorbereid zijn dat Bachs handen en vingers tussen de handen en vingers van de speler zouden komen en, zonder deze laatste in de weg te zitten, de begeleiding zouden voorzien van massa's harmonieën die een nog grotere indruk maakten dan de onvermoede nabijheid van de leraar.

+/- 1815 [De organist van het orgel in Potsdam en Bach]


door Carl Friedrich Zelter, manuscript annotatie in diens exemplaar van Forkel's Bachbiografie

Het is begrijpelijk dat Bachs orgelspel niet iedereen beviel. De organist van de Garnisonkerk [in Potsdam] behoorde tot de ontevredenen en ging, toen Bach klaar was met spelen, achter het orgel zitten om op zijn eigen manier io son' organista [ik ben organist] te demonstreren. Toen de organist klaar was en zich alleen met de blaasbalgbediener bevond, zei hij: "Deze heb ik weggejaagd, en hij komt niet meer terug!" Concertmeester Carl Benda heeft mij het verhaal verteld.

[noot: Carl Hermann Benda was de zoon van Franz Benda, een ooggetuige van Bachs bezoek aan Potsdam in 1747. ]


Los van deze tijdlijn te raadplegen teksten in het Nederlands:

Necrologie J.S. Bach (1750, gepubliceerd 1754)
Nederlandse vertaling van de eerste Bachbiografie van J.N.Forkel
Café Zimmermann
Download Goldberg Variaties, edition Derk van der Veen
Lees boek over parallellen in het werk van Bach (130 pagina's)